Categorie: kritiek

  • Kritische encyclopedie

    critiqueHet Vlaamse literaire tijdschrift DW B zet zich sinds 2005 in voor de terugkeer van de literaire kritiek in het literaire tijdschrift. Niet alleen op papier. Op haar website schrijft de redactie:

    “De voorbije jaren is het aanbod op het vlak van de gedegen en professionele literaire kritiek erg verschraald in periodieken. (…) Nu internet voor een overweldigend lezerspotentieel zorgt, een publiek dat steeds op zoek is naar meningen, maar voor zijn zoektocht zelden echt wordt beloond, wil DW B alle reeds verschenen (en intussen niet elders in boekvorm gepubliceerde) kritieken integraal online plaatsen, als pdf-bestand. Met een tijdsmarge van één aflevering worden de kritieken online geplaatst.”

    De kritieken worden verzameld in de zogenaamde Kritische encyclopedie.

    Onlangs is daar mijn essay ‘Down the rabbit hole (dan komt alles goed)’ aan toegevoegd over Hoi feest (2012) van Ellen Deckwitz en Dolhuis. Natura Naturata (2012) van Lucas Hirsch. Twee zeer uiteenlopende dichtbundels die beide op eigen wijze een specifieke verhouding onderzoeken, namelijk die van de ik tot de ander (in het geval van Deckwitz) en die van de dichter tot de maatschappij (in het geval van Hirsch). In mijn essay probeer ik grip te krijgen op de manier waarop de dichters de genoemde verhoudingen onderzoeken en te bepalen of zij slagen in hun opzet.

    Het essay is hier te lezen.

    ***

    afbeelding: Gravure J.W. Kaiser, ill. bij R.C. Bakhuizen van den Brinks artikel ‘Kritiek-Hyperkritiek-Onkritiek’, in De Gids 1839.

  • Allegro

    computer

    Het is verleidelijk om de sluiting van de Polare-winkels te zien als nekslag voor de Nederlandse boekenbranche en om vervolgens bij het bericht dat de Volkskrant het aparte katern ‘Boeken’ opheft en het nieuws dat Het Financieele Dagblad fictie-recensente Fleur Speet de laan uitstuurt, te vervallen in absoluut cultuurpessimisme. Toch kan ik niet anders dan dit soort berichten en de reacties daarop met vrolijke gulzigheid verzamelen. Het vormt de actuele achtergrond voor mijn onderzoek over de verhouding tussen literatuurkritiek en literatuurwetenschap. De literatuurwetenschap is immers, net zo zeer als de literaire kritiek op dit moment, aan grote veranderingen onderhevig (al voltrekken die academische veranderingen zich misschien iets trager dan die in het publieke veld). Door te kijken wat er op het gebied van de literatuurkritiek gebeurt, kunnen we ook de literatuurwetenschap beter begrijpen.

    ‘We leven in een kosmos van lawaai, op een zeer, zeer nieuwe wijze. (…) We begijpen niet zo goed waarom’ (12) schreef George Steiner in De toekomst van het boek (1990). We staan er middenin, hoe kunnen we het ook begrijpen? We kunnen niet eens ‘een intelligente verwachting uitspreken over dat wat ons te wachten staat’ (22). Niemand zal ontkennen dat het literaire bestel in razend tempo aan het veranderen is, nationaal en internationaal, en dat  we eigenlijk geen idee hebben wat er precies aan de hand is. Op zo’n moment hebben we een historicus nodig, stelt Steiner, of een zeer zorgvuldige sociologische studie. Steiner heeft de reputatie van cultuurpessimist (zijn ‘toekomst van het boek’ gaat eigenlijk over ‘het einde van geletterdheid’ aldus Cyrille Offermans) maar in zijn suggestie om ons te wenden tot de historicus kan ik me wel vinden. Al is het alleen al omdat het eventueel pessimisme  meteen relativeert.

    Zo stuitte ik vandaag op een artikel van Morris Dickstein getiteld ‘Journalism and Criticism’ uit 1985 waarin hij de verhouding journalistiek en literaire kritiek bekijkt in de naoorlogse periode. Het volgende citaat laat zien, dat de veranderingen die nu toegeschreven worden aan de digitale media – het e-book en bol.com maken de fysieke boekwinkel overbodig, literaire kritiek kan onbetaald bestaan op het internet of in Steiners meer visionaire termen: ‘De computer is geen apparaat, geen technisch stuk gereedschap: het is een nieuwe wereld.’ (22) – niet uniek zijn voor deze tijd of de huidige digitale ontwikkelingen:

    Reviewers have declined because reviewing outlets – newpapers especially – have disapeared and the producers of culture have develloped high-powered forms of publicity, notably television, which involve no risk of criticism what so ever. (148)

    Televisie heeft er niet toe geleid dat de kritiek verdween, net zo min zal internet de kritiek om zeep helpen. Wat de technische vernieuwingen wel doen is het krantenlandschap veranderen, toen en nu. De kritiek past zich daaraan aan. De geschiedenis herhaalt zich keer op keer en ondanks dat denken we toch steeds weer dat we in een nieuwe tijd leven. Het werk van de (literatuur)historicus is nooit af. En dat stemt vrolijk.

    ***

    Afbeelding: uit het boek Toen digitale media nog nieuw waren (2011) van Jak Boumans.

    Morris Dickstein. ‘Journalism and Criticism’. In: Gerald Graff and Reginals Gibbons. Criticism in the University. TriQuartely Series on Criticism and Culture. Northwestern University Press. 1985. pp.147-158.

    George Steiner. De toekomst van het boek. Een voordracht van George Steiner gevolgd door een beschouwing van Cyrille Offermans. Stichting CPNB: Amsterdam. 1990.

  • Nieuwe kritiek

    n30

    ‘Hier geen wetenschappelijke verhandelingen of moeilijkdoenerij’ schreef Jeroen Mettes (1978-2006) op zijn blog Poëzienotities.

    Op het moment dat Mettes zijn blog begon in 2005 was hij bezig met het schrijven van een proefschrift over poëtisch ritme (The Poetry of the Formless). Poëzienotities werd een plek waar hij zijn gedachten over de recente Nederlandse poëzie publiceerde, niet in de bedachtzame, afstandelijke stijl van de literatuurwetenschapper (‘op mijn blog wil ik eigenlijk niet zo technisch en streng conceptueel zijn als ik denk dat een wetenschapper moet zijn’), maar in een stijl die ‘principieel bevooroordeeld’ is. Op Poëzienotities neemt Mettes met andere woorden stelling. Zijn inzet is daarbij hoog. In de Nederlandse poëzie ziet hij alles gesublimeerd wat hij afschuwelijk vindt aan Nederland, tegelijk verwacht hij juist van de poëzie een verzet tegen de holle woorden en oppervlakkige waarden van de (Nederlandse) neoliberale maatschappij: ‘Poëzie doet ertoe, niet zodra ze beter geïntegreerd is in de markteconomie en de ouwehoerindustrie, maar zodra ze zich daar effectief tegen weet te verzetten.’

    Door Mettes’ dood in september 2006 kwam er een vroegtijdig einde aan de blog.

     *

    In 2011 bracht uitgeverij De Wereldbibliotheek het nagelaten werk in boekvorm uit. Onder de titel Weerstandsbeleid werd een uitgebreide selectie uit de blogposts en enkele essays gebundeld. In een tweede deel N30+ werd Mettes’ lange, gelijknamige gedicht gepubliceerd.

    *

     Sinds november jongstleden is de website n30.nl online. De site is gewijd aan de nalatenschap en de receptie van het werk van Jeroen Mettes. Meer dan een online documentatiecentrum, biedt de site ook ruimte aan nieuwe bijdragen van dichters, essayisten en literatuurwetenschappers uit Nederland en Vlaanderen die zich door Mettes’ vernieuwende werk aangesproken voelen.

    De aanzet voor het Lexicon werd gegeven door de Amsterdamse Stichting Perdu in haar reeks ‘De Nederlandse poëzie in een wurggreep: Mettes-Lexicon I en II’. Dat Lexicon wordt op n30.nl gaandeweg aangevuld met nieuwe bijdragen, terwijl ook (on)gepubliceerde fragmenten uit Mettes’ nalatenschap en uit het onvoltooide, Engelstalige proefschrift The Poetry of the Formless digitaal beschikbaar worden gemaakt. Ten slotte biedt de website een zo volledig mogelijk overzicht van de ontvangst van de postume publicatie Nagelaten werk.

    Het werken aan n30.nl (onder redactie van Siebe Bluijs, Piet Joostens, Frank Keizer, Frans-Willem Korsten, Daniël Rovers en Marieke Winkler) gaat komende jaren door. Verschillende auteurs zijn gevraagd nieuwe lemma’s te schrijven. Recent toegevoegde lemma’s zijn van de hand van Dennis Gaens, Astrid Lampe en Cin Windey.

    *

    Naar aanleiding van de lancering verschenen berichten op o.a. de site van

    NRC (‘Website over dichter en criticus Jeroen Mettes gelanceerd’)

    VPRO boeken (‘Mettes de website’)

    en –gisteren nog– de Standaard (‘Mettes militant’).

  • Nieuwe vragen

    Nieuwe vragen

    sote001stru01_01_tpg

    Hoe nieuw zijn de nieuwe vragen van de computationele literatuurwetenschap?

    Rens Bod reageerde op zijn weblog De vergeten wetenschappen op mijn artikel ‘Interpretatie en/of patroon? Over Het einde van de geesteswetenschappen 1.0 en het onderscheid tussen kritiek en wetenschap’ waarin ik zijn afschaffing van de geesteswetenschappen à la Wilhelm Dilthey in historische context plaats en me afvraag of een heroverweging van de ‘oude’ geesteswetenschappelijke vraag niet beter zou zijn. Bod schrijft in zijn reactie onder andere:

    “Dankzij het patroonzoeken en de digitale analyse van enorme hoeveelheden “big data” (bv. miljoenen boeken, kunstwerken of muziekstukken) worden vragen opgeroepen die zonder de computer niet eens gesteld hadden kunnen worden, laat staan beantwoord.

    Wat betekent het bijvoorbeeld als we menselijke oordelen over literaire kwaliteit met de computer kunnen modelleren? En wat betekent het als we universele patronen in muziek hebben gevonden? Deze “big patterns” hebben we ondertussen weliswaar gedetecteerd, maar inzicht in de betekenis van dit soort patronen wordt nog node gemist. Hier is sprake van een onontgonnen terrein dat, in weerwil van wat Marieke Winkler stelt, in niets lijkt op het vakgebied der letterkundige neerlandistiek van een eeuw geleden.”

    Bod stelt hier dat de nieuwe digitale technieken ertoe hebben geleid dat de computationele geesteswetenschappen totaal nieuwe vragen opwerpt. De vraag naar literaire kwaliteit bijvoorbeeld wordt op dit moment onderzocht in het project ‘The riddle of literary quality‘. Dit project hoopt met behulp van de computer antwoord te kunnen geven op de vraag welke eigenschappen een roman moet hebben om als literatuur te worden beoordeeld. De beschrijving van het project poneert dat deze vraag nog nauwelijks onderzocht is, een twijfelachtige uitspraak. Sinds New Criticism in de jaren ’60 grote invloed ging uitoefenen op de Nederlandse literatuurwetenschap wordt onderzocht wat literatuur tot literatuur maakt. Men hoort in de projectomschrijving van ‘The riddle of literary quality’ de echo van een structuralist als Sötemann, die in De structuur van Max Havelaar (1973) schrijft ‘dat het in beginsel mogelijk is (…) in een literair kunstwerk objectief de aanwezigheid aan te tonen van de grondslagen van een waarde-oordeel’. (11)

    Een ander voorbeeld dat me te binnen schiet: in haar oratie ‘De stijl van R‘ neemt Karina van Dalen-Oskam letterlijk een oude vraag op. Er is al veel gespeculeerd over welk aandeel Betje Wolff of Aagje Deken nu had in het door hen samen uitgegeven werk. In 1984 schrijft biograaf Buijnsters dat het even ‘onmogelijk’ als ‘zinloos’ is om middels een sorteerproef definitief te bepalen hoe het zit. Van Dalen-Oskam gaat de uitdaging aan en laat in haar oratie zien hoe zij de computer gebruikt om er achter te komen hoe de auteurs het werk verdeelden in hun gezamenlijk geschreven briefroman Sarah Burgerhart (1782). Haar conclusie is uiteindelijk dat ‘de briefromans (…) het resultaat [zijn] van intensieve samenwerking van twee vrouwen die ook ten tijde van hun debuut al voorbeeldig op elkaar waren ingespeeld.’ (17) Voor een dergelijke conclusie lijkt mij de computer niet van doorslaggevend belang.

    Fundamenteler is echter, de constatering dat het vooralsnog wel meevalt met het stellen van nieuwe (spannende) vragen. Het zoeken naar patronen en het interpreteren van unieke, context-gebonden fenomenen is wat de geesteswetenschappelijke arbeid bij uitstek karakteriseert. Bod meent dat ik het vernieuwende van de digitale aanpak onderschat. Wat ik in mijn artikel vooral bepleit is dat we ons door de komst van een nieuwe techniek -waarvan ik de talloze nieuwe mogelijkheden die het kan bieden voor geesteswetenschappelijk onderzoek geenszins betwijfel- niet moeten laten afleiden van dat waar het binnen de geesteswetenschappen om gaat: het bestuderen van het unieke, zo men wil subjectieve, op een objectieve manier. De vraag ‘welke eigenschappen moet een roman hebben om literatuur te worden genoemd?’ leert ons minder over ons mens-zijn dan de vraag wie op een bepaald moment en in welke setting bepaalde wat goede literatuur was (én wat niet), en vooral: waarom? Wat betekent ‘goed’ of ‘slecht’ hier? Kan dat met de computer worden vastgesteld?

    Lees het artikel ‘Interpretatie en/of patroon‘ hier.

  • Artikel over Rens Bods oratie verschenen in Vooys 31.1

    Artikel over Rens Bods oratie verschenen in Vooys 31.1

    VooysVoor het jongste nummer van Vooys (dit Paasweekend verschenen) schreef ik een artikel naar aanleiding van Rens Bods oratie Het einde van de geesteswetenschappen 1.0 (2012)

    In zijn oratie  pleit Rens Bod voor een ‘geesteswetenschappen 3.0’ waarin systematische analyse en interpretatie worden verenigd. In mijn artikel onderzoek ik in hoeverre dit voorstel nieuw is en laat ik zien hoe de Nederlandse letterkunde -de ‘geesteswetenschap’ die zich als één van de eerste in Nederland kon verheugen op een status als zelfstandige academische discipline- zich bij haar ontstaan al tussen de twee vuren van exacte wetenschap en subjectieve literatuurkritiek bevond. Kan dit deel van de vakgeschiedenis een nieuwe blik werpen op de taak die de geesteswetenschapper zich heden ten dage zou moeten stellen?

    Tegenover Bods herlezing van de disciplinaire tradities gericht op de positivistische ‘patronen’ presenteerde ik in dit artikel een zeer beknopte proeve van een herlezing die vertrekt vanuit de patronen én de interpretatie, daarmee pleitend voor een herbronning vanuit de eigen waardevolle kritisch-hermeneutische traditie.

    ‘Interpretatie en/of patroon? Over Het einde van de geesteswetenschappen 1.0 en het onderscheid tussen kritiek en wetenschap’ verscheen in Vooys 31.1.

    De oratie van Rens Bod is te lezen op zijn blog De vergeten wetenschappen.

     

     

     

     

  • Lezing ‘The Literary Scholar as Literary Critic’

    Lezing ‘The Literary Scholar as Literary Critic’

    W.J.A. JonckbloetW.J.A. Jonckbloet stelde in 1877 bij de publieke aanvaarding van de leerstoel Nederlandse taal- en letterkunde in Leiden dat de taak van de Nederlands letterkundige tweeledig is. Allereerst moet deze er naar streven ‘om den natuurlijken samenhang van oorzaak en gevolg uit te vorschen, en mensen en zaken te plaatsen in het licht van hunnen tijd.’ Na deze arbeid is de tweede en belangrijkere taak ‘critiek oefenen’. 

    Vanaf het ontstaan van de moderne Nederlandse letterkunde als zelfstandige academische discipline, zo rond 1900, blijft de  tweeledige taakopvatting onderwerp van debat. Begeeft de wetenschapper zich met het oefenen van kritiek niet teveel op het gebied van de publieke literatuurbeschouwing en zou hij zich niet beter verre houden van evaluerende uitspraken? Of komt een normatieve houding de wetenschap juist ten goede?

    Op donderdag 28 februari geef ik een lezing voor de Graduate School Humanities (RU) waarin onder anderen Jonckbloet voorbij komt. Titel van de lezing is ‘The Literary Scholar as Literary Critic. On the Interrelation between the Academic and the Public Discourse on Literature in the Netherlands (around 1900)‘.

    De GSH organiseert eens per maand een Theme Thursday  waarin twee promovendi hun nieuwste resultaten presenteren. Het begint om 16.15. Toegang is gratis voor promovendi. Meld je wel even van tevoren aan bij de GSH.