
Het is verleidelijk om de sluiting van de Polare-winkels te zien als nekslag voor de Nederlandse boekenbranche en om vervolgens bij het bericht dat de Volkskrant het aparte katern ‘Boeken’ opheft en het nieuws dat Het Financieele Dagblad fictie-recensente Fleur Speet de laan uitstuurt, te vervallen in absoluut cultuurpessimisme. Toch kan ik niet anders dan dit soort berichten en de reacties daarop met vrolijke gulzigheid verzamelen. Het vormt de actuele achtergrond voor mijn onderzoek over de verhouding tussen literatuurkritiek en literatuurwetenschap. De literatuurwetenschap is immers, net zo zeer als de literaire kritiek op dit moment, aan grote veranderingen onderhevig (al voltrekken die academische veranderingen zich misschien iets trager dan die in het publieke veld). Door te kijken wat er op het gebied van de literatuurkritiek gebeurt, kunnen we ook de literatuurwetenschap beter begrijpen.
‘We leven in een kosmos van lawaai, op een zeer, zeer nieuwe wijze. (…) We begijpen niet zo goed waarom’ (12) schreef George Steiner in De toekomst van het boek (1990). We staan er middenin, hoe kunnen we het ook begrijpen? We kunnen niet eens ‘een intelligente verwachting uitspreken over dat wat ons te wachten staat’ (22). Niemand zal ontkennen dat het literaire bestel in razend tempo aan het veranderen is, nationaal en internationaal, en dat we eigenlijk geen idee hebben wat er precies aan de hand is. Op zo’n moment hebben we een historicus nodig, stelt Steiner, of een zeer zorgvuldige sociologische studie. Steiner heeft de reputatie van cultuurpessimist (zijn ‘toekomst van het boek’ gaat eigenlijk over ‘het einde van geletterdheid’ aldus Cyrille Offermans) maar in zijn suggestie om ons te wenden tot de historicus kan ik me wel vinden. Al is het alleen al omdat het eventueel pessimisme meteen relativeert.
Zo stuitte ik vandaag op een artikel van Morris Dickstein getiteld ‘Journalism and Criticism’ uit 1985 waarin hij de verhouding journalistiek en literaire kritiek bekijkt in de naoorlogse periode. Het volgende citaat laat zien, dat de veranderingen die nu toegeschreven worden aan de digitale media – het e-book en bol.com maken de fysieke boekwinkel overbodig, literaire kritiek kan onbetaald bestaan op het internet of in Steiners meer visionaire termen: ‘De computer is geen apparaat, geen technisch stuk gereedschap: het is een nieuwe wereld.’ (22) – niet uniek zijn voor deze tijd of de huidige digitale ontwikkelingen:
Reviewers have declined because reviewing outlets – newpapers especially – have disapeared and the producers of culture have develloped high-powered forms of publicity, notably television, which involve no risk of criticism what so ever. (148)
Televisie heeft er niet toe geleid dat de kritiek verdween, net zo min zal internet de kritiek om zeep helpen. Wat de technische vernieuwingen wel doen is het krantenlandschap veranderen, toen en nu. De kritiek past zich daaraan aan. De geschiedenis herhaalt zich keer op keer en ondanks dat denken we toch steeds weer dat we in een nieuwe tijd leven. Het werk van de (literatuur)historicus is nooit af. En dat stemt vrolijk.
***
Afbeelding: uit het boek Toen digitale media nog nieuw waren (2011) van Jak Boumans.
Morris Dickstein. ‘Journalism and Criticism’. In: Gerald Graff and Reginals Gibbons. Criticism in the University. TriQuartely Series on Criticism and Culture. Northwestern University Press. 1985. pp.147-158.
George Steiner. De toekomst van het boek. Een voordracht van George Steiner gevolgd door een beschouwing van Cyrille Offermans. Stichting CPNB: Amsterdam. 1990.