Categorie: LOCUS

  • Avondprogramma in Perdu:

    Naar aanleiding van het verschijnen van ons themadossier ‘Chimeras & Other Animals‘ organiseren we in samenwerking met Perdu op vrijdag 24 oktober een (zoö)poëtisch programma waarin we via performance en reflectie de poëtische en culturele verbeelding van mens-dierrelaties verkennen. Hoe laten dichters dieren dieren zijn? Welke mogelijkheden biedt poëtische taal voor co-auteurschap met niet-menselijke dieren? Hoe dragen beeld en performance bij aan het aanwezig stellen van de vreemdheid en het anders-zijn van de niet-menselijke ander?

    Kom met ons verkennen!

    Zie de website van Perdu voor meer informatie en tickets.

  • Chimaera’s & andere dieren

    Het themadossier ‘Chimaera’s & andere dieren’ is verschenen!

    In deze uitgebreide editie van LOCUS – online tijdschrift voor cultuurwetenschappen onderzoeken we de culturele verbeelding en conceptualisering van mens-dierrelaties en de metamorfose van soorten. Vanuit verschillende creatieve en cultuurwetenschappelijke disciplines exploreren de auteurs hoe we via visuele representaties, literaire en poëtische taal en via het acterende of dansende lichaam nieuwe, ecocentrische perspectieven kunnen ontwikkelen op het samenleven van menselijke en niet-menselijke dieren.

    We zijn enorm trots op dit veelkantige dossier waarin we expliciet de grenzen tussen wetenschap en kunst opzoeken. Met bijdragen over ‘zoo mensch zoo dier‘ van Ramsey Nasr (Barbara Fraipont & Stéphanie Vanaste) en de (on)zichtbaarheid van geweld in de Nederlandse varkensindustrie (Lucas Rinzema & Alice Dekker, inclusief origineel fotografisch werk!); het moderne bestiarium Grass Cage van de Hongaarse dichter Katalin Ladik (Zoltán Bagdal) en de veranderlijke representatie van het lichaam van de duivel in vroegmoderne theologische teksten (Androniki Dialeti); over mens-dier onderscheidingen in Walt Disney’s You, The Human Animal (Wouter Captain) en de verbeelding van ratmensen in weirdfiction en SF (Marjolein van Herten & Pieter-Merel Brouwer) en over rouwen om het niet-menselijke in het Antropoceen (Merlijn Verduin). Leo van Zanen leverde enkele van zijn diergedichten ter publicatie aan.

    Het verschijnen van dit nummer betekent mijn tijdschriftdebuut als beeldend kunstenaar; doorheen het nummer zijn verschillende van mijn schilderijen opgenomen.

    Ondertussen werken Marieke Borren en ik verder aan een opvolging, de chimaera’s blijven ons bespoken…In samenwerking met Perdu bereiden we een poëtische avond voor op vrijdag 24 oktober. Houd de website van Perdu in de gaten voor meer informatie!

    Lees en bekijk LOCUS-dossier Chimaera’s & andere dieren. De culturele verbeelding en conceptualisering van menselijke en niet-menselijke dieren.

  • CfP ‘Chimaera’s & andere dieren’

    Voor LOCUS – open access e-journal voor Cultuurwetenschappen bereid ik samen met collega Marieke Borren (filosofie) een themadossier voor over het verbeelden van en denken over de relatie tussen menselijke en niet-menselijke dieren. De Call for Papers getiteld ‘Chimaera’s & andere dieren. De culturele verbeelding en conceptualisering van menselijke en niet-menselijke dieren’ is hier te raadplegen. We verwelkomen voorstellen voor bijdragen (3000 woorden) uit verschillende wetenschappelijke en filosofische disciplines, alsook bijdragen uit artistieke hoek.

    Voorstellen voor artikelen (maximaal 200 woorden + voorlopige titel + een bio) kunnen worden ingestuurd via locus@ou.nl. Deadline voor voorstellen is 1 september 2024. Publicatie van het dossier is voorzien in voorjaar 2025.

  • In dialoog met de zee

    Voor het themadossier ‘De dialoog’ van LOCUS. Tijdschrift voor Cultuurwetenschappen schreef ik over de manier waarop 21e-eeuwse schrijvers van klimaatliteratuur in gesprek gaan met de zee. Wat zijn de mogelijkheden (en beperkingen) van de literaire vorm om die dialoog tot stand te brengen en om via literatuur bij te kunnen dragen aan een groter klimaatbewustzijn?

    Literatuur weerspiegelt de maatschappij. Wat dat betreft was het een kwestie van tijd voordat Nederlandse schrijvers de klimaatcrisis zouden gaan adresseren. In 2016 kon nog met verbazing worden vastgesteld dat klimaat als thema nagenoeg afwezig was in de Nederlandse letteren. ‘I still have yet to find a Dutch example of literary fiction in which the landscape, especially in relation to climate crisis, is central,’ stelde Astrid Bracke in haar lezing ‘Braving the North or Conquering the Sea: A Comparative Approach to British, German and Dutch Fiction on Climate’ (2016). [1] Een jaar later – meer precies na de publicatie van Lieke Marsmans debuutroman Het tegenovergestelde van een mens (2017) – keert het tij snel. Anno 2023 is het haast ondenkbaar dat literaire auteurs het thema klimaat niet behandelen in hun werk. ‘Ik was er zelf verbaasd over,’ vertelt bijvoorbeeld schrijfster Ellen de Bruin over hoe het onderwerp klimaatverandering haar romans Onder het ijs (2018) en Kraaien in het paradijs (2021) binnensijpelde. ‘De klimaatcrisis is voor mij zo’n aanwezige realiteit dat het vanzelf gebeurde.’ [2]

    De Bruins opmerking sluit aan bij wat Marco Bould in zijn gelijknamige studie the anthropocene unconscious noemt. Of auteurs nu wel of niet actief met het onderwerp bezig zijn, iedere cultuuruiting geeft volgens Bould onbewust rekenschap van het idee dat het huidige geologische tijdperk wordt gekenmerkt door de invloed van de mens (Grieks: anthropos) op het aardse klimaat. Daarmee zijn alle fictieve verhalen die we vertellen via literatuur, film, kunst of televisieseries, verhalen over het antropoceen, aldus Bould. ‘What if all the stories we tell are stories about the Anthropocene? About climate change?’ [3] Het klimaat is als thema niet zozeer afwezig in romans, we herkennen het simpelweg nog onvoldoende om écht op te kunnen merken. Precies dit maakt Boulds stelling zo prikkelend: het nodigt uit tot het herlezen van álle literatuur, niet alleen die werken die zich expliciet afficheren als ‘klimaatfictie’.

    Literatuur is echter niet alléén een weerspiegeling van ontwikkelingen in de maatschappij, zoals hierboven gesteld. Schrijvers pogen via hun werk vaak ook een interventie te plegen in het maatschappelijke debat. [4] In het geval van klimaatfictie komt dit pregnant naar voren. ‘[H]et is tijd om onze stem als een vuist in de lucht te gooien,’ schrijven bijvoorbeeld de Klimaatdichters, een snelgroeiende beweging van Nederlandse en Vlaamse woordkunstenaars. In hun missiestatement stellen zij onder meer:

    We zijn lyrisch over de natuur en ziedend over de destructie. We zetten de schoonheid van de taal in voor bewustwording. We willen mens en planeet verbinden en de individuele en collectieve verantwoordelijkheid versterken. [5]

    Hier is van een ‘antropoceenonbewuste’ geen sprake. Deze auteurs zetten zich (gezamenlijk) in om bestaande bewustwording te vergroten. [6] Dat klinkt bewonderenswaardig, maar hoe doen schrijvers dit precies? Exacter gesteld: hoe wordt het ecologisch commentaar vormgegeven met de literaire middelen die de schrijver ter beschikking staan? In deze bijdrage verken ik deze vraag aan de hand van een analyse van enkele literaire werken uit de eenentwintigste eeuw waarin specifiek de weergave van de aquatische omgeving centraal staat. Aan bod komen achtereenvolgens Vis (2009) van Anton Valens, Wieren (2018) van Miek Zwamborn en Zee nu (2022) van Eva Meijer. Het gaat mij daarbij minder om de ‘schoonheid van de taal’ zoals begrepen door de dichter, maar meer om de mogelijkheden van de literaire vorm voor de romanschrijver.

    (…)

    ***

    Lees het hele artikel ‘‘En de mensen konden alleen nog maar luisteren.’ Eenentwintigste-eeuwse schrijvers van klimaatliteratuur in dialoog met de zee’ in LOCUS (Open Access).

    Lees hier de inleiding die Martijn van der Burg en ik schreven voor het themadossier ‘De dialoog’ van LOCUS.

  • Culturele plaatsen

    873px-Frank_Boggs_-_Quai_a_la_Seinie,_Paris,_au_Clair_de_Lune_-_Google_Art_Project

    Hoe kan de specifieke ruimtelijke dimensie van cultuur (of van specifieke cultuurproducten) worden geanalyseerd? En wat levert een analyse die zich richt op ruimtelijkheid voor nieuwe inzichten op ten aanzien van het bestaande onderzoek?

    Deze vragen worden verkend in het onlangs verschenen nieuwe themadossier van LOCUS. Tijdschrift voor Cultuurwetenschappen. Onder de titel ‘Culturele plaatsen’ staan onderzoekers uit verschillende cultuurwetenschappelijke disciplines stil bij de ruimtelijke dimensie van cultuur. Lees hier de artikelen en hieronder alvast het redactioneel:

     

    ‘Toen op maandagavond 15 april het nieuws bekend werd dat de Notre-Dame te Parijs in brand stond, volgden geëmotioneerde berichten zich razendsnel op. Honderden Parijzenaren stonden op de bruggen en langs het water te kijken naar de vlammen die hoog boven het dak uitsloegen. Sommigen van hen zongen, anderen brandden een kaars. ‘Een deel van ons staat in brand’, schreef de Franse president Macron op Twitter. De volgende ochtend kwamen Franse kranten woorden te kort om de gebeurtenis te omschrijven. Libération sprak op de voorpagina van ‘Notre Drame’ (‘Ons Drama’) en Le Parisien over ‘Notre-Dame des Larmes’ (‘Onze Dame van Tranen’).

    De betekenis van de meer dan 850 jaar oude kathedraal strekt ver voorbij haar functie als kerk. In de berichtgeving rond de brand wordt zij niet alleen een ‘symbool van het christendom’ genoemd, maar ook een ‘icoon van de stad’, ‘de ziel van Frankrijk’ en zelfs ‘de Notre-Dame van heel Europa’. Frans Timmermans, vicepresident van de Europese Commissie gaat nóg iets verder: ‘De Notre-Dame is een onderdeel van het erfgoed van Europa en de wereld. Als ze lijdt, lijden wij allemaal’.

    Toepasselijk op de situatie is de uitspraak van Winston Churchill, die in 1943 in het kader van de herbouw van het Lagerhuis zei: ‘we shape our buildings, and afterwards they shape us’. Deze uitspraak wordt aangehaald door Remieg Aerts in zijn bijdrage aan de bundel Alles is Cultuur. Vensters op moderne cultuurgeschiedenis (2018). Churchills uitspraak illustreert volgens Aerts de psychologische werking van gebouwen en de invloed die architectuur kan uitoefenen op ons gedrag. Niet alleen de verschijningsvorm van het gebouw, de vormgeving van de ruimte, beïnvloedt ons gedrag en gevoel (voelen we ons geborgen of juist beklemd, welkom of juist buitengesloten?), ook eerdere gebruiksfuncties en de aan het gebouw verbonden verhalen bepalen in sterke mate de betekenis ervan voor een individu of bepaalde gemeenschap. Op den duur kan een gebouw, zo blijkt zeer sterk uit de hierboven aangehaalde typeringen van de Parijse Notre-Dame, het zelfbeeld van haar gebruikers gaan bepalen.

    De ‘spatial turn’ in de cultuurwetenschappen

    De studie van de betekenis van ruimte en ruimtelijkheid vormt een belangrijke richting in de hedendaagse cultuurstudie. In zijn bijdrage aan Alles is cultuur staat Aerts specifiek stil bij deze richting die ook wel bekend is geworden als de ‘spatial turn’ in de cultuurwetenschappen. Een belangrijke impuls voor de studie van ruimte en ruimtelijkheid leverde het werk van Michel Foucault. In een lezing uit 1967 constateerde hij dat negentiende-eeuwse wetenschappers voornamelijk in temporele termen dachten. Fenomenen werden begrepen in termen van ontwikkeling, verandering, herkomst, crisis:

    ‘[t]he great obsession of the nineteenth century was, as we know, history: with its themes of development and of suspension, of crisis, and cycle, themes of the ever-accumulating past, with its great preponderance of dead men and the menacing glaciation of the world.’

    De twintigste eeuw daarentegen kenmerkt zich juist door een uitgesproken ruimtelijk besef, aldus Foucault. Dit wil zeggen, een besef van gelijktijdigheid:

    ‘We are at a moment, I believe, when our experience of the world is less that of a long life developing through time than that of a network that connects points and intersects with its own skein.’

    De nadruk op plaats en ruimte in de cultuurstudie komt onder andere sterk naar voren in de gehanteerde terminologie, zo signaleert Robert T. Tally Jr. in Spatiality (2013). Cultuurwetenschappers richten zich op de ‘circulatie’ van narratieven, beelden of culturele betekenissen, op het ‘in kaart brengen’ van culturele en sociale ‘netwerken’ of op het ‘lokaliseren’ van verschuivingen daarin. In dit licht valt ook te denken aan de benamingen van nieuwe methoden zoals ‘data mining’ en ‘mapping’ die door de digital humanities worden ondersteund en aangezwengeld. De aandacht voor de ruimtelijke dimensie van cultuur uit zich inhoudelijk in een brede cultuurwetenschappelijke interesse voor herinneringsplaatsen (lieux de mémoires), voor actuele thema’s zoals migratie en toerisme en in steeds grotere mate ook voor de wijze waarop cultuurproducten de beeldvorming rond klimaatverandering beïnvloeden (een focus die binnen de literatuurwetenschap wordt aangeduid als ‘ecocriticism’) kunnen hieraan worden verbonden.

    Onder de titel ‘Culturele plaatsen’ verkent dit LOCUS-dossier de mogelijkheden van het hedendaagse onderzoek naar de ruimtelijke dimensie van cultuur. Onderzoekers uit verschillende disciplines waaronder de cultuurgeschiedenis, filosofie en kunstgeschiedenis, buigen zich over de vraag: hoe kan de specifieke ruimtelijke dimensie van cultuur (of van specifieke cultuurproducten) worden geanalyseerd? En wat levert een analyse die zich richt op ruimtelijkheid voor nieuwe inzichten op ten aanzien van het bestaande onderzoek? Iedere bijdrage behandelt daarbij steeds een concrete casus (een kunstwerk, een locatie, een reële of fictieve ruimte). Op die manier wordt vanuit verschillende disciplinaire contexten zichtbaar hoe een culturele plaats betekenis krijgt toegekend, hoe divers die betekenissen kunnen zijn en hoe de plaats uiteindelijk gaat functioneren als meer dan een setting of achtergrond. De bijdragen benadrukken daarmee dat culturele plaatsen geen passieve, toevallige aanwezigheden zijn maar kunnen worden begrepen als actieve actoren. Daarmee sluiten de artikelen aan bij een belangrijk – zo niet het belangrijkste – inzicht dat de spatial turn naar voren heeft gebracht, namelijk ‘dat “ruimte”, groot of klein, zelf een veroorzakende factor is in menselijke samenlevingen en dat er een voortdurende wisselwerking bestaat tussen de mens en zijn natuurlijke en gemaakte omgeving’ (aldus Aerts).

    Met deze opzet hopen wij dat het thema ‘Culturele plaatsen: de ruimtelijke dimensie van cultuur’ – dat door sommigen als zeer abstract of erg theoretisch wordt ervaren – naast reflectie ook gerichte toepassingen biedt en inspireert tot nadere exploraties van de plaatsen die zo’n belangrijke functie vervullen in onze huidige cultuur. Plaatsen die soms zo vanzelfsprekend aanwezig zijn, dat we een brand nodig hebben om hun complexe historie en vele betekenissen opnieuw zichtbaar te maken.’

     

    ***
    afbeelding: Frank Boggs, Quai a la Seinie, Paris, au Clair de Lune, 1898
  • LOCUS gelanceerd

    Schermafbeelding 2018-10-19 om 13.10.45De voorbije maanden hebben we met een klein projectteam intensief gewerkt aan de ontwikkeling van een nieuw online tijdschrift voor cultuurwetenschappen: LOCUS. Afgelopen zaterdag, 13 oktober, is LOCUS feestelijk gelanceerd tijdens de jaarlijkse Studentendag Cultuurwetenschappen van de Open Universiteit.

    Het tijdschrift biedt academisch geïnspireerde artikelen voor een breed publiek dat zich interesseert voor cultuurwetenschappelijk onderzoek in de volle breedte. Het doet dat in de vorm van halfjaarlijkse themadossiers waarin onderzoekers uit verschillende geesteswetenschappelijke disciplines zich buigen over een actueel thema binnen het cultuurwetenschappelijke debat. Voor de eerste editie stelden we een dossier samen rond ‘De Biografie‘ als wetenschappelijk genre. Het volgende dossier (te verschijnen voorjaar 2019) richt zich op de ruimtelijke dimensie van cultuur, zie de Call for Papers.

    Naast de themadossiers biedt LOCUS verschillende doorlopend rubrieken: long reads, columns, recensies en opiniestukken, maar ook reflecties op actuele wendingen in het cultuurwetenschappelijke debat en verslagen van congressen en andere academische activiteiten krijgen een plaats.

    Voor de lancering schreef ik een artikel over Mary Shelleys beroemde ‘gothic novel’ Frankenstein, die dit jaar zijn 200-jarige bestaan viert. Bij herlezing viel het mij op dat het lezen van wetenschappelijke en literaire teksten zelf een prominente rol speelt in de roman: welk beeld van de lezer treedt in de roman naar voren? En wat zegt dit beeld over het belang van lezen, toen en nu?

    Karakteristiek voor LOCUS is de multidisciplinaire focus. Het tijdschrift brengt verschillende disciplines uit de geesteswetenschappen samen en verwelkomt bijdragen vanuit zowel de kunstgeschiedenis als de literatuurstudie, de cultuurgeschiedenis als de filosofie. Dit onderscheidt LOCUS van de bestaande disciplinair georiënteerde vaktijdschriften.

    LOCUS stelt zich tot doel bij te dragen aan de valorisatie van cultuurwetenschappelijk onderzoek. De artikelen in LOCUS zijn bedoeld om kennis te delen, te inspireren, betekenis te geven, te duiden en het denken te scherpen.

    Een bijdrage leveren? Mail de redactie via locus@ou.nl.

    Unknown