Categorie: onderzoek

  • Het gebruik van literatuur in andere vakgebieden

    Hoe worden literaire bronnen gelezen in vakgebieden buiten de literatuurwetenschappen? Met die vraag stelden we voor Nederlandse Letterkunde een dubbeldik themanummer samen. Het resultaat van deze spannende zoektocht naar de academische “passionate reader” is nu verschenen. Met bijdragen uit de biologie en levenswetenschappen, humanistiek, medical humanities en deugdethiek, theologie, rechtswetenschappen, stadsgeschiedenis, psycholinguïstiek en artificiële intelligentie.

    Het nummer demonstreert hoe literatuur niet alleen fungeert als kennisinstrument om bijvoorbeeld complexe, abstracte theorieën aanschouwelijk te maken of om aanvullende historische kennis te vergaren, maar ook hoe literaire verbeeldingen werken als creatieve spiegel en katalysator in onderzoeksgebieden buiten de geesteswetenschappen of in crossovers tussen verschillende wetenschappelijke disciplines.

    Lees de inleiding op het nummer nu online via de website van Amsterdam University Press.

    Aan het nummer werkten mee: Johannes Müller, Amber Helmes, Anne-Fleur van der Meer & Jos Kole, Sabine Wolsink, Carinne Elion-Valter, Matthijs Degraeve, Carel van Wijk, en Siebe Bluijs, Emiel van Miltenburg & David Peeters.

    Redactie: Carlijn Cober, Esther Op de Beek, Tom Sintobin & Marieke Winkler.

  • Avondprogramma in Perdu:

    Naar aanleiding van het verschijnen van ons themadossier ‘Chimeras & Other Animals‘ organiseren we in samenwerking met Perdu op vrijdag 24 oktober een (zoö)poëtisch programma waarin we via performance en reflectie de poëtische en culturele verbeelding van mens-dierrelaties verkennen. Hoe laten dichters dieren dieren zijn? Welke mogelijkheden biedt poëtische taal voor co-auteurschap met niet-menselijke dieren? Hoe dragen beeld en performance bij aan het aanwezig stellen van de vreemdheid en het anders-zijn van de niet-menselijke ander?

    Kom met ons verkennen!

    Zie de website van Perdu voor meer informatie en tickets.

  • Chimaera’s & andere dieren

    Het themadossier ‘Chimaera’s & andere dieren’ is verschenen!

    In deze uitgebreide editie van LOCUS – online tijdschrift voor cultuurwetenschappen onderzoeken we de culturele verbeelding en conceptualisering van mens-dierrelaties en de metamorfose van soorten. Vanuit verschillende creatieve en cultuurwetenschappelijke disciplines exploreren de auteurs hoe we via visuele representaties, literaire en poëtische taal en via het acterende of dansende lichaam nieuwe, ecocentrische perspectieven kunnen ontwikkelen op het samenleven van menselijke en niet-menselijke dieren.

    We zijn enorm trots op dit veelkantige dossier waarin we expliciet de grenzen tussen wetenschap en kunst opzoeken. Met bijdragen over ‘zoo mensch zoo dier‘ van Ramsey Nasr (Barbara Fraipont & Stéphanie Vanaste) en de (on)zichtbaarheid van geweld in de Nederlandse varkensindustrie (Lucas Rinzema & Alice Dekker, inclusief origineel fotografisch werk!); het moderne bestiarium Grass Cage van de Hongaarse dichter Katalin Ladik (Zoltán Bagdal) en de veranderlijke representatie van het lichaam van de duivel in vroegmoderne theologische teksten (Androniki Dialeti); over mens-dier onderscheidingen in Walt Disney’s You, The Human Animal (Wouter Captain) en de verbeelding van ratmensen in weirdfiction en SF (Marjolein van Herten & Pieter-Merel Brouwer) en over rouwen om het niet-menselijke in het Antropoceen (Merlijn Verduin). Leo van Zanen leverde enkele van zijn diergedichten ter publicatie aan.

    Het verschijnen van dit nummer betekent mijn tijdschriftdebuut als beeldend kunstenaar; doorheen het nummer zijn verschillende van mijn schilderijen opgenomen.

    Ondertussen werken Marieke Borren en ik verder aan een opvolging, de chimaera’s blijven ons bespoken…In samenwerking met Perdu bereiden we een poëtische avond voor op vrijdag 24 oktober. Houd de website van Perdu in de gaten voor meer informatie!

    Lees en bekijk LOCUS-dossier Chimaera’s & andere dieren. De culturele verbeelding en conceptualisering van menselijke en niet-menselijke dieren.

  • Verschenen: Utopia, Equity and Ideology in Urban Texts – Fair and Unfair Cities

    Deze zomer verscheen Utopia, Equity and Ideology in Urban Texts. Fair and Unfair Cities, het nieuwste deel in de Literary Urban Studies (LIURS)-serie van Palgrave MacMillan. Het boek volgt op het congres (Un)Fair Cities. Equity, Ideology and Utopia in Urban Texts dat in december 2019 in Limerick georganiseerd werd door de Association for Literary Urban Studies en het Ralahine Centre for Utopian Studies.

    In ‘Imaginaries of the Future City: Envisioning Climate Change and Technological Cityscapes through Dutch Contemporary Speculative Fiction’ dat als hoofdstuk is opgenomen in dit boek, beschrijven Marjolein van Herten en ik de opkomst en ontwikkeling van de toekomstliteratuur (future novel) en speculatieve fictie in Nederland, en de recente opleving daarvan in boekhandel én academische literatuurstudie.

    In het hoofdstuk bespreken we acht Nederlandse teksten die verschenen tussen 2014 en 2021: Weerwater (2015) van Renate Dorrestein; Kop uit het zand (2016) van Jan Terlouw; In alle steden (2017) van Aukelien Weverling; Klont (2017) van Maxim Februari; De goede zoon (2018) van Rob van Essen; Concept M. (2018) van Aafke Romeijn; Het boek van alle angsten (2020) van Emy Koopman; en KliFi. Woede in de Republiek Nederland (2021) van Adriaan van Dis.

    De focus ligt daarbij enerzijds op de manier waarop de stedelijke en natuurlijke leefomgeving wordt verbeeld. In hoeverre wagen Nederlandse auteurs zich aan de verbeelding van fantastische nieuwe werelden of blijven zij toch liever ‘dicht bij huis’ (en waarom dan)?

    Anderzijds zijn we benieuwd hoe de nieuwe interesse in extrapolatie (het verlengen, intensiveren of uitbreiden van elementen uit het heden naar een toekomst of alternatief heden) wordt verbonden aan het recente debat over Nederlandse klimaatfictie. Daarin gaan we, thematisch en formeel, op zoek naar elementen van ‘utopian hope’. Welke elementen van ‘utopian hope’ vallen te herkennen naast de duidelijke dystopische impuls in Nederlandse speculatieve (kilmaat)fictie?

    Benieuwd naar onze bevindingen? Lees dan het hoofdstuk:

    Marieke Winkler and Marjolein van Herten (2023). ‘Imaginaries of the Future City: Envisioning Climate Change and Technological Cityscapes through Dutch Contemporary Speculative Fiction’, in: Michael G. Kelly and Mariano Paz (eds.) Utopia, Equity and Ideology in Urban Texts. Fair and Unfair Cities. Palgrave Macmillan Cham. ISBN 978-3-031-25854-1. https://doi.org/10.1007/978-3-031-25855-8

    In this chapter, we address the flourishing and fast-growing production of future novels within contemporary Dutch literature since 2014. We analyse the ways in which Dutch authors use the technique of extrapolation to envision the urban/natural environment of the future, focused on a corpus of eight future novels from the period 2015–2021. First, we argue that, by indicating and comparing both spatial and temporal ‘reality markers’, speculation in contemporary Dutch literature tends to stay ‘close to home’. Second, we demonstrate that, overall, the themes of climate change and technologization are represented as highly intertwined in diverse constellations. In addition, we try to determine in what way the stories under investigation give both formally and thematically expression to a utopian impulse: Overall, do they show utopian elements or is the urban experience predominantly dystopian?

  • In dialoog met de zee

    Voor het themadossier ‘De dialoog’ van LOCUS. Tijdschrift voor Cultuurwetenschappen schreef ik over de manier waarop 21e-eeuwse schrijvers van klimaatliteratuur in gesprek gaan met de zee. Wat zijn de mogelijkheden (en beperkingen) van de literaire vorm om die dialoog tot stand te brengen en om via literatuur bij te kunnen dragen aan een groter klimaatbewustzijn?

    Literatuur weerspiegelt de maatschappij. Wat dat betreft was het een kwestie van tijd voordat Nederlandse schrijvers de klimaatcrisis zouden gaan adresseren. In 2016 kon nog met verbazing worden vastgesteld dat klimaat als thema nagenoeg afwezig was in de Nederlandse letteren. ‘I still have yet to find a Dutch example of literary fiction in which the landscape, especially in relation to climate crisis, is central,’ stelde Astrid Bracke in haar lezing ‘Braving the North or Conquering the Sea: A Comparative Approach to British, German and Dutch Fiction on Climate’ (2016). [1] Een jaar later – meer precies na de publicatie van Lieke Marsmans debuutroman Het tegenovergestelde van een mens (2017) – keert het tij snel. Anno 2023 is het haast ondenkbaar dat literaire auteurs het thema klimaat niet behandelen in hun werk. ‘Ik was er zelf verbaasd over,’ vertelt bijvoorbeeld schrijfster Ellen de Bruin over hoe het onderwerp klimaatverandering haar romans Onder het ijs (2018) en Kraaien in het paradijs (2021) binnensijpelde. ‘De klimaatcrisis is voor mij zo’n aanwezige realiteit dat het vanzelf gebeurde.’ [2]

    De Bruins opmerking sluit aan bij wat Marco Bould in zijn gelijknamige studie the anthropocene unconscious noemt. Of auteurs nu wel of niet actief met het onderwerp bezig zijn, iedere cultuuruiting geeft volgens Bould onbewust rekenschap van het idee dat het huidige geologische tijdperk wordt gekenmerkt door de invloed van de mens (Grieks: anthropos) op het aardse klimaat. Daarmee zijn alle fictieve verhalen die we vertellen via literatuur, film, kunst of televisieseries, verhalen over het antropoceen, aldus Bould. ‘What if all the stories we tell are stories about the Anthropocene? About climate change?’ [3] Het klimaat is als thema niet zozeer afwezig in romans, we herkennen het simpelweg nog onvoldoende om écht op te kunnen merken. Precies dit maakt Boulds stelling zo prikkelend: het nodigt uit tot het herlezen van álle literatuur, niet alleen die werken die zich expliciet afficheren als ‘klimaatfictie’.

    Literatuur is echter niet alléén een weerspiegeling van ontwikkelingen in de maatschappij, zoals hierboven gesteld. Schrijvers pogen via hun werk vaak ook een interventie te plegen in het maatschappelijke debat. [4] In het geval van klimaatfictie komt dit pregnant naar voren. ‘[H]et is tijd om onze stem als een vuist in de lucht te gooien,’ schrijven bijvoorbeeld de Klimaatdichters, een snelgroeiende beweging van Nederlandse en Vlaamse woordkunstenaars. In hun missiestatement stellen zij onder meer:

    We zijn lyrisch over de natuur en ziedend over de destructie. We zetten de schoonheid van de taal in voor bewustwording. We willen mens en planeet verbinden en de individuele en collectieve verantwoordelijkheid versterken. [5]

    Hier is van een ‘antropoceenonbewuste’ geen sprake. Deze auteurs zetten zich (gezamenlijk) in om bestaande bewustwording te vergroten. [6] Dat klinkt bewonderenswaardig, maar hoe doen schrijvers dit precies? Exacter gesteld: hoe wordt het ecologisch commentaar vormgegeven met de literaire middelen die de schrijver ter beschikking staan? In deze bijdrage verken ik deze vraag aan de hand van een analyse van enkele literaire werken uit de eenentwintigste eeuw waarin specifiek de weergave van de aquatische omgeving centraal staat. Aan bod komen achtereenvolgens Vis (2009) van Anton Valens, Wieren (2018) van Miek Zwamborn en Zee nu (2022) van Eva Meijer. Het gaat mij daarbij minder om de ‘schoonheid van de taal’ zoals begrepen door de dichter, maar meer om de mogelijkheden van de literaire vorm voor de romanschrijver.

    (…)

    ***

    Lees het hele artikel ‘‘En de mensen konden alleen nog maar luisteren.’ Eenentwintigste-eeuwse schrijvers van klimaatliteratuur in dialoog met de zee’ in LOCUS (Open Access).

    Lees hier de inleiding die Martijn van der Burg en ik schreven voor het themadossier ‘De dialoog’ van LOCUS.

  • Special issue ‘Narratives and Climate Change’

    screenshot uit de drama-serie The Swell

    Verheugd om te kunnen melden dat deze maand het special issue ‘Narratives and Climate Change’ van Interférences littéraires/Literaire interferenties is verschenen! Aanleiding voor het nummer was het symposium dat Marjolein van Herten en ik eerder organiseerden in het kader van het onderzoeksproject Imaginaries of the Future City: Envisioning Climate Change and Technological City Scapes Through Contemporary Speculative Fiction van de Open Universiteit. Tijdens dit internationale symposium stond een interdisciplinaire blik op de performatieve kracht van verhalen in de omgang met de klimaatcrisis centraal.

    Hoewel literatuurwetenschappers meestal wat terughoudend zijn om te stellen dat het lezen van verhalen over klimaatverandering heel directe en vergaande gevolgen bij de lezer kan bewerkstelligen op het gebied van engagement, overtuiging of zelfs gedragsverandering, blijkt dat er vanuit andere wetenschapsgebieden wel degelijk grote verwachtingen bestaan ten aanzien van de rol van verhalen in de aanpak van de klimaatcrisis. In de gezondheidspsychologie worden bijvoorbeeld de effecten van narratieve informatie op risicoperceptie onderkend en managementwetenschappers benadrukken het belang van fictie en narratieven in het overtuigend en effectief maken van (klimaat)beleid.

    Tijdens het symposium stonden deze verschillende manieren waarop over de performatieve kracht van (met name speculatieve) fictie werd gedacht ter discussie. Daarbij werd nog duidelijker wat de belofte van speculatieve fictie inhield: toekomstverhalen beschrijven niet alleen een mogelijke toekomstige wereld, ze ‘maken’ die toekomst aanwezig. Op die manier kunnen speculatieve verhalen – hoe paradoxaal dit ook mag klinken – helpen om klimaatverandering minder ‘in de toekomst’ te plaatsen. Een van de cruciale inzichten van de workshop was dat door de confrontatie met de vraag wat de langetermijneffecten van ons handelen van vandaag zullen zijn op de wereld van morgen, verhalen die zich een voorstelling maken van de toekomst van klimaatverandering ons terugwijzen in het hier-en-nu. Ofwel: door middel van narratieve fictie worden de implicaties van klimaatverandering tastbaarder en zichtbaarder, ‘echter’.

    Het special issue dat nu verschenen is in het meertalige online open access tijdschrift Interférences littéraires/Literaire interferenties, is een vervolg op de uitkomsten van dit symposium. In negen artikelen wordt dit inzicht verder uitgewerkt door nader in te gaan op de formele manieren waarop dit ‘realisme’ (of beter: realiteitseffect) van klimaatveranderingsverhalen wordt waargenomen en vormgegeven in uiteenlopende media en vanuit uiteenlopende sociaal-culturele contexten. In de bijdragen worden specifieke narratieve technieken onderzocht die door deze tijdige vorm van realisme worden gebruikt om een beter inzicht te krijgen in de manier waarop verhalen een cruciale rol spelen in de verbeelding van de toekomst in het licht van klimaatverandering. Hoe vormen fictieve verhalen het bovengenoemde realiteitseffect? En hoe maken ze gebruik van de specifieke kenmerken van het gebruikte medium en van de publieksperceptie bij het smeden van ‘klimaatveranderingsverhalen’?

    Het special issue bevat de volgende inhoud:

    1. ‘Introduction. Narratives and Climate Change: How to Imagine ‘the Realism of our Time’?’ door Marieke Winkler, Marjolein van Herten en Jilt Jorritsma;
    2. ‘Climate Fiction: a Posthumanist Survey door Marco Caracciolo, Kristin Ferebee, Heidi Toivonen, Gry Ulstein en Shannon Lambert;
    3. ‘Paradojas que nos piensan: el motivo del desierto vegetal en la literatura de Georg Heym y Ted Chiang como crítica al Antropoceno’ door Mario Leal Olloqui;
    4. ‘How to be Hopeful in a Dystopic Present? Rethinking Future-oriented Narratives in Aminatta Forna’s “Happiness”’ door Verónica Copello-Duque en Esther Op De Beek;
    5. ‘“het geringe nut van fictie in tijden van nood” Nederlandse schrijvers over klimaat’ door Marjolein van Herten en Lizet Duyvendak
    6. ‘When a Real Storm Hits the Shores: Representing Climate Crisis in the Television Series “The Swell”’ door Ian Kenny en Irina Souch;
    7. ‘Dramaturgie voorbij de sterren – en terug. Marjolijn van Heemstra’s “Stadsastronaut” als Verständigungsfigur voor het antropoceen’ door Alice Breemen;
    8. ‘Foreshadowing a Drought Dystopia: Reading Orhan Pamuk’s “When the Bosphorus dries up” Against the Backdrop of the Debates About the Istanbul Canal’ door Simge Yilmaz;
    9. ‘Sinking Futures Pluriversal Perspectives on Architectural and Literary Imaginaries of Mexico City’s Lake Texcoco’ door Jilt Jorritsma, Brigitte Adriaensen en Dave Huitema;
    10. ‘Literary analysis of Essays from Lived Experiences of Climate Change in Higher Education’ door Paquita Perez, Marjolein van Herten en Evelien van Nieuwenhoven.

    Het themanummer Interférences littéraires/ Literaire interferenties, n°27, “Narratives and Climate Change”, ed. Marieke WINKLER, Marjolein VAN HERTEN & Jilt JORRITSMA, November 2022 is geheel open access beschikbaar via 

    http://www.interferenceslitteraires.be/index.php/illi/issue/view/67 .

  • Verschenen: Cultuur en plein public!

    Afgelopen maanden werkten we in het geheim aan deze bundel waarvan we het eerste exemplaar op zaterdag 8 oktober overhandigden aan Lizet Duyvendak ter ere van haar afscheid als hoofddocent Letterkunde aan de Open Universiteit.

    Voor Cultuur en plein public vroegen we 16 cultuurwetenschappers te reflecteren op de vraag wat cultuurparticipatie en emancipatie bindt. Aan de hand van concrete, vaak onderbelichte casussen – van achttiende-eeuwse misdaadliteratuur tot hedendaagse tango, van ‘damesroman’ tot ‘junkieliteratuur’ – wordt inzichtelijk gemaakt welke rol cultuuruitingen speelden en spelen in emancipatiebewegingen van toen en nu. Gekeken wordt niet alleen naar de rol die kunstenaars en hun kunst vervulden in maatschappelijke discussies over ‘achterstandsgroepen’; het gaat in deze bundel ook over de bijdrage die instituties als de uitgeverij, de kunstkritiek, het onderwijs en bibliotheken door de jaren heen hebben geleverd aan de emancipatie van cultuurconsumenten (lezers in het bijzonder). 

    Zelf schreef ik een hoofdstuk over Vrouwenspiegel (1936), de dissertatie die Annie Romein-Verschoor schreef bij de dichter en op het moment dat ze begon kersverse hoogleraar Albert Verwey. In het hoofdstuk ga ik na hoe Romein-Verschoor haar ‘scholarly persona‘ vormgeeft als wetenschappelijk onderzoeker met ‘een vurig feministisch hart’. Problematisch aan Vrouwenspiegel is dat het weliswaar de eerste wetenschappelijke studie is over de productie van vrouwelijke auteurs, maar dat het die productie ook meteen als ‘middelmatig’ wegzet. Daarmee is het een uitgesproken voorbeeld van een studie die zich ophoudt op het snijvlak van literaire kritiek en literatuurwetenschap, of van wat Verschoor zelf ‘literaire sociologie’ noemde. Benieuwd wat die literaire sociologie inhield en waarom deze specifieke vorm zo belangrijk was voor Verschoors zelfprofilering als onderzoeker? Je vindt het in Cultuur en plein public, naast nog 15 mooie hoofdstukken die tezamen een historisch overzicht geven van emancipatie en cultuurparticipatie in de Lage Landen.

    Informatie van de uitgever: https://www.aup.nl/nl/book/9789463724272/cultuur-en-plein-public

    Aankondiging op neerlandsitiek.nl: https://neerlandistiek.nl/2022/10/verschenen-cultuur-en-plein-public-emancipatie-en-cultuurparticipatie-in-de-lage-landen/

  • Keetje Hodshon Prijs 2022

    Portret van Cornelia Catharina (Keetje) Hodshon (1768-1829), door Charles Howard Hodges, ongedateerd (Hodshon Huis, Haarlem / foto Alfred van Weperen).

    Het nieuwe academische jaar begint werkelijk fantastisch! Enorm vereerd ben ik met de toekenning van de Keetje Hodshon Prijs 2022 voor oorspronkelijk en veelbelovend onderzoek in de geesteswetenschappen voor mijn proefschrift Geleerd of niet? Literatuurkritiek en literatuurwetenschap in Nederland, sinds 1878 (Radboud Universiteit, 2017).

    De prijs van 12.500 euro wordt beschikbaar gesteld door de Haarlemse J.C. Ruigrok Stichting en jaarlijks toegekend voor onderzoek op één van de volgende gebieden: taalwetenschappen, literatuurwetenschappen, historische wetenschappen en wijsbegeerte en/of godgeleerdheid. Dit jaar zijn de literatuurwetenschappen aan de beurt.

    De uitreiking vindt plaats op vrijdag 30 september in het Hodshonhuis in Haarlem. Het programma wordt zeer binnenkort bekendgemaakt op de website van de Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen (KHMW).

    De Open Universiteit plaatste alvast een mooi nieuwsbericht.

    De Keetje Hodshon Prijs is een voortzetting van de Prins Bernhard Fonds Prijs (1981-1993) en de C.C. Hodshon Prijs (1994). De Prijs is vernoemd naar mejuffrouw Cornelia Catharina (Keetje) Hodshon, die in 1794 het huidige gebouw van de Maatschappij liet bouwen en tot 1829 de eerste bewoonster ervan was.

  • 25 jaar Nederlandse letterkunde

    Het wetenschappelijke tijdschrift Nederlandse letterkunde werd in 1996 opgericht met de doelstelling een podium te bieden voor de bestudering van de Nederlandse letterkunde ‘in al haar vormen en facetten.’ Daarmee bedoelde de redactie dat het tijdschrift niet alleen ruimte wilde bieden aan diverse methoden en onderzoekstradities, maar ook aan de verschillende periodespecialisaties ‘van middeleeuwen tot heden’.

    De oprichting was een uitkomst van een ‘herverkaveling’ – zoals het toen genoemd werd – van het neerlandistische tijdschriftenlandschap. Tot 1995 vonden artikelen op het gebied van de Nederlandse taal- en letterkunde elkaar gebroederlijk in tijdschriften als De nieuwe taalgids (1907-1995), Forum der Letteren (1960-1995) en Spektator (1971-1995). Begin jaren negentig waren de verschillende deelgebieden echter zodanig uit elkaar gegroeid, dat behoefte ontstond aan een eigen wetenschappelijk forum, net zoals Queeste (1994) even daarvoor al opgericht was vanuit de behoefte aan een apart platform voor de middeleeuwse letterkunde in de Nederlanden. Naast Nederlandse letterkunde werden rond deze tijd de tijdschriften Nederlandse Taalkunde, TvL. Tijdschrift voor Literatuurwetenschap en Armada. Tijdschrift voor Wereldliteratuur opgericht.

    Het 25-jarige jubileum van Nederlandse letterkunde vormde aanleiding tot het samenstellen van een dubbeldik themanummer over 25 jaar vakbeoefening. We vroegen verschillende auteurs om zich, met de eerste jaargang van Nederlandse letterkunde in de hand, te buigen over de ontwikkelingen in het vak. Vanuit hun eigen expertise gaan zij in op wat er sinds 1996 is veranderd en wat niet: welke genres of werken werden bestudeerd? Welke benaderingen werden gehanteerd? Hoe keken vakgenoten in 1996 naar de toekomst van het vak? Zijn die richtingen daadwerkelijk ingeslagen of heeft het onderzoek en onderwijs zich een heel andere kant op ontwikkeld? En welke kant zou het in de toekomst op moeten gaan?

    Een van de opmerkelijkste ontwikkelingen die Nina Geerdink en ik in onze inleiding hebben kunnen constateren, is dat het vakgebied cijfermatig weliswaar een stuk kleiner is geworden (minder studenten, minder onderzoekers) maar inhoudelijk een stuk breder is georiënteerd. Zo vallen de toenaderingspogingen op tussen verschillende periodespecialisten (het zogenaamde diachrone onderzoek) en worden de banden met het middelbaar onderwijs weer sterker aangehaald. In vergelijking met 1996 zien we in toenemende mate een breed, open begrip van wat ‘letterkunde’ is, én wat ‘Nederlands’ is. Het domein van de Nederlandse letterkunde is een heel stuk ruimer geworden en uitgebreid richting onder andere middlebrow- en Young Adult-literatuur, richting non-fictie en boekencultuur in brede zin. Analoog hieraan zijn ook de onderzoekers naar Nederlandse letterkunde niet meer persé alleen ‘Nederlands letterkundigen’: zij zijn net zo goed cultuurwetenschappers, literatuursociologen, of onderzoekers van gender- of mediastudies. Het vakgebied beperkt zich nauwelijks nog tot taal- of discipline grenzen. Wat dat betreft is Nederlandse letterkunde nog maar net begonnen om een podium te zijn voor de studie van de Nederlandse letterkunde ‘in de volle breedte’.

    Het gehele jubileumnummer is tot 1 juni voor iedereen gratis toegankelijk via de website van AUP: https://www.aup-online.com/content/journals/13845829/browse

  • 2022: Het nieuwe normaal (1)

    Een jaar geleden begonnen we aan de voorbereidingen voor de bundel Nooit meer dansen? De veilige stad in tijden van pandemie. Het boek – een samenwerking tussen rechts- en cultuurwetenschappers van de Open Universiteit – is een poging de impact van de coronapandemie op de Nederlandse samenleving beter te begrijpen. We wilden daarbij nadrukkelijk verder kijken dan de ‘coronacijfers’ waar de kranten en andere nieuwsmedia vol mee stonden en die, nog steeds en om begrijpelijke redenen, het politieke debat domineren en het beleid bepalen. De cijfers zijn uiteraard belangrijk, maar de continue nadruk op de aantallen ‘coronabesmettingen’ en ‘coronadoden’ of het aantal bezette ic-bedden laat tevens zien dat COVID-19 onze notie van ‘veiligheid’ in één klap vooral tot een medisch vraagstuk heeft gemaakt. De auteurs van Nooit meer dansen? vragen juist aandacht voor andere aspecten van zowel de openbare als persoonlijke veiligheid: de toenemende ongelijkheid onder scholieren door sluiting van de scholen, de afgenomen openbaarheid van de rechtspraak in tijden van lockdown, het beperken van de grondrechten van de burger door de noodwetgeving, de zichtbare en onzichtbare toename van huiselijk geweld doordat gezinnen en huishoudens meer thuiszitten, maar ook wordt de effectiviteit van het metafoorgebruik van Rutte en De Jonge onderzocht en de wijze waarop culturele uitingen zoals gedichten, romans en films betekenis geven aan de plots veranderende werkelijkheid.

    Toen we het manuscript van Nooit meer dansen? afgelopen zomer afrondden, zag de situatie er eigenlijk best goed uit. Besmettingscijfers en de ziekenhuisbezetting waren flink gedaald, het maatschappelijk leven ging langzaam open, mondkapjes waren niet langer verplicht, ‘het land haalde opgelucht adem’, schreven we in de opening van de inleiding. Maar meteen daarna kwamen ook de eerste berichten over de ‘Indiase’ of deltavariant en we besloten: ‘ja, we kunnen open, en ja, we mogen weer dansen, maar het virus blijft bij ons.’

    We hebben enorm geluk gehad dat het symposium en de bijbehorende boekpresentatie op 15 oktober 2021 in Utrecht doorgang kon vinden. Een bijeenkomst op locatie, waarbij je elkaar kunt zien en aankijken, waarbij je niet alleen een zwevend hoofd in een gallery view bent en je reactie altijd een seconde te laat is, bevestigt namelijk weer eens hoe waardevol en diepgravend een discussie of gesprek kan zijn wanneer je met elkaar dezelfde ruimte deelt. Er was live stream, maar er werd ook tango gedanst en ik was blij dat ik op de eerste rij zat om het van dichtbij te zien. Het was prachtig. Kort daarna werd zo’n bijeenkomst door coronamaatregelen weer onmogelijk.

    Een van de vragen die ik nog wilde stellen, maar waarvoor geen tijd meer was tijdens het panel ‘cultuur in crisistijd’ waarin we met onder anderen de Boekmanstichting de talrijke digitale vernieuwingen in de culturele sector bespraken: hoe brengen creatieve makers online een waardevolle uitwisseling tot stand? Het is een vraag die mij ook als docent bezighoud, want zoals we bij de Open Universiteit al langer dan de coronapandemie weten: enkel online onderwijs is alles behalve zaligmakend, reden waarom ons onderwijs altijd een mix is van activerend online leren en motiverende studiedagen en workshops op locatie.

    Universiteiten hebben zich razendsnel aangepast aan de nieuwe realiteit. In de eerste lockdownmaanden van 2020 heb ik tal van inspirerende online initiatieven gezien van collega’s die zich in rap tempo bekwaamden in het monteren van filmpjes en opnemen van podcasts. Die explosieve creativiteit houdt echter niemand twee jaar vol. Studenten en docenten snakken naar ‘normaal’ onderwijs, naar ontmoeting, uitwisseling of ‘nabijheid’ zoals Marlies De Munck en Pascal Gielen schrijven in Nabijheid. Kunst en onderwijs na Covid-19:

    In digitale versie verliezen [mensen] hun aura. Op het computerscherm lijken ze misschien wel dichtbij, maar samen met hun unieke, onvatbare verte verdwijnt ook een deel van hun aantrekkingskracht.

    De Munck en Gielen schreven dit in 2020. Intussen is het januari 2022 en is het duidelijk dat de digitale transitie die door corona in een stroomversnelling is geraakt een nieuw stadium heeft bereikt. Het online lesgeven en -volgen, overigens net als het online thuiswerken, blijft. ‘The pattern for the rest of the 2020s is not the familiar routine of the pre-covid years, but the turmoil and bewilderment of the pandemic era. The new normal is already here’, schrijft The Economist op de drempel van het nieuwe jaar. Daarom is het zaak om met elkaar te bespreken en ontdekken hoe we willen dat ons educatieve of professionele online samenzijn er uit gaat zien, hoe we van isolatie naar nieuwe connectie gaan, van synchroon naar ‘asynchroon’ werken, van klassikaal naar ‘hybride’ leren of hoe we het ook zullen noemen over een tijdje. Die vraag is moeilijk, zoals ieder voorspellen moeilijk en eigenlijk onmogelijk is, maar ook spannend en het maakt de blik even los van alles wat op dit moment niet kan. Nog niet.