Categorie: Veilige Stad

  • De stad als palimpsest

    Wat is een stad? Deze vraag staat centraal in het nieuwste themanummer van het literatuurwetenschappelijke tijdschrift Vooys. Met bijdragen van o.a. Daan Wesselman, Bram Caers en Rona Loeffen. In onze bijdrage aan dit themanummer belichten Marjolein van Herten en ik het bloeiende onderzoeksveld van de literary urban studies en analyseren we vanuit die hoek twee toekomstromans die reflecteren over het einde van de stad: De eerste hond in de ruimte (2010), de debuutroman van Jeroen van Rooij over een grote Europese stad waarvan de laatste dagen zijn geteld en het met de Boekenbon literatuurprijs bekroonde Gebied 19 (2023) van Esther Gerritsen waarin het grootste (én vitaalste) deel van de bevolking is getransporteerd naar planeet T01-700 D, een ruimere en schonere versie van de oorspronkelijke aarde die zo goed als opgebruikt is.

    In onze analyse hanteren we het metaforische begrip palimpsest als leidraad om na te gaan hoe de stedelijke ruimte van de toekomst in beide romans wordt verbeeld, zowel op inhoudelijk niveau (the material city as palimpsest) als op het niveau van de representatie (the represented city as palimpsest) en het niveau van de geschiedenis (urban literary history as palimpsest): hoe verhoudt de verbeelding van de toekomstige stad zich tot de stadsbeelden die in het verhaalheden tot het verleden behoren? En wat staat er met het verbeelde naderende einde van de stad op het spel: het einde van de wereld – zoals een bekend cli-fi motief wil – of het einde van ‘een’ wereld, en welke wereld dan?

    Lees het in de nieuwste Vooys!

    Marieke Winkler & Marjolein van Herten, ‘Gelaagde toekomst. De stad als palimpsest in De eerste hond in de ruimte (2010) en Gebied 19 (2023)’, in: Vooys 43.1, 2025.

  • Verschenen: Utopia, Equity and Ideology in Urban Texts – Fair and Unfair Cities

    Deze zomer verscheen Utopia, Equity and Ideology in Urban Texts. Fair and Unfair Cities, het nieuwste deel in de Literary Urban Studies (LIURS)-serie van Palgrave MacMillan. Het boek volgt op het congres (Un)Fair Cities. Equity, Ideology and Utopia in Urban Texts dat in december 2019 in Limerick georganiseerd werd door de Association for Literary Urban Studies en het Ralahine Centre for Utopian Studies.

    In ‘Imaginaries of the Future City: Envisioning Climate Change and Technological Cityscapes through Dutch Contemporary Speculative Fiction’ dat als hoofdstuk is opgenomen in dit boek, beschrijven Marjolein van Herten en ik de opkomst en ontwikkeling van de toekomstliteratuur (future novel) en speculatieve fictie in Nederland, en de recente opleving daarvan in boekhandel én academische literatuurstudie.

    In het hoofdstuk bespreken we acht Nederlandse teksten die verschenen tussen 2014 en 2021: Weerwater (2015) van Renate Dorrestein; Kop uit het zand (2016) van Jan Terlouw; In alle steden (2017) van Aukelien Weverling; Klont (2017) van Maxim Februari; De goede zoon (2018) van Rob van Essen; Concept M. (2018) van Aafke Romeijn; Het boek van alle angsten (2020) van Emy Koopman; en KliFi. Woede in de Republiek Nederland (2021) van Adriaan van Dis.

    De focus ligt daarbij enerzijds op de manier waarop de stedelijke en natuurlijke leefomgeving wordt verbeeld. In hoeverre wagen Nederlandse auteurs zich aan de verbeelding van fantastische nieuwe werelden of blijven zij toch liever ‘dicht bij huis’ (en waarom dan)?

    Anderzijds zijn we benieuwd hoe de nieuwe interesse in extrapolatie (het verlengen, intensiveren of uitbreiden van elementen uit het heden naar een toekomst of alternatief heden) wordt verbonden aan het recente debat over Nederlandse klimaatfictie. Daarin gaan we, thematisch en formeel, op zoek naar elementen van ‘utopian hope’. Welke elementen van ‘utopian hope’ vallen te herkennen naast de duidelijke dystopische impuls in Nederlandse speculatieve (kilmaat)fictie?

    Benieuwd naar onze bevindingen? Lees dan het hoofdstuk:

    Marieke Winkler and Marjolein van Herten (2023). ‘Imaginaries of the Future City: Envisioning Climate Change and Technological Cityscapes through Dutch Contemporary Speculative Fiction’, in: Michael G. Kelly and Mariano Paz (eds.) Utopia, Equity and Ideology in Urban Texts. Fair and Unfair Cities. Palgrave Macmillan Cham. ISBN 978-3-031-25854-1. https://doi.org/10.1007/978-3-031-25855-8

    In this chapter, we address the flourishing and fast-growing production of future novels within contemporary Dutch literature since 2014. We analyse the ways in which Dutch authors use the technique of extrapolation to envision the urban/natural environment of the future, focused on a corpus of eight future novels from the period 2015–2021. First, we argue that, by indicating and comparing both spatial and temporal ‘reality markers’, speculation in contemporary Dutch literature tends to stay ‘close to home’. Second, we demonstrate that, overall, the themes of climate change and technologization are represented as highly intertwined in diverse constellations. In addition, we try to determine in what way the stories under investigation give both formally and thematically expression to a utopian impulse: Overall, do they show utopian elements or is the urban experience predominantly dystopian?

  • 2022: Het nieuwe normaal (1)

    Een jaar geleden begonnen we aan de voorbereidingen voor de bundel Nooit meer dansen? De veilige stad in tijden van pandemie. Het boek – een samenwerking tussen rechts- en cultuurwetenschappers van de Open Universiteit – is een poging de impact van de coronapandemie op de Nederlandse samenleving beter te begrijpen. We wilden daarbij nadrukkelijk verder kijken dan de ‘coronacijfers’ waar de kranten en andere nieuwsmedia vol mee stonden en die, nog steeds en om begrijpelijke redenen, het politieke debat domineren en het beleid bepalen. De cijfers zijn uiteraard belangrijk, maar de continue nadruk op de aantallen ‘coronabesmettingen’ en ‘coronadoden’ of het aantal bezette ic-bedden laat tevens zien dat COVID-19 onze notie van ‘veiligheid’ in één klap vooral tot een medisch vraagstuk heeft gemaakt. De auteurs van Nooit meer dansen? vragen juist aandacht voor andere aspecten van zowel de openbare als persoonlijke veiligheid: de toenemende ongelijkheid onder scholieren door sluiting van de scholen, de afgenomen openbaarheid van de rechtspraak in tijden van lockdown, het beperken van de grondrechten van de burger door de noodwetgeving, de zichtbare en onzichtbare toename van huiselijk geweld doordat gezinnen en huishoudens meer thuiszitten, maar ook wordt de effectiviteit van het metafoorgebruik van Rutte en De Jonge onderzocht en de wijze waarop culturele uitingen zoals gedichten, romans en films betekenis geven aan de plots veranderende werkelijkheid.

    Toen we het manuscript van Nooit meer dansen? afgelopen zomer afrondden, zag de situatie er eigenlijk best goed uit. Besmettingscijfers en de ziekenhuisbezetting waren flink gedaald, het maatschappelijk leven ging langzaam open, mondkapjes waren niet langer verplicht, ‘het land haalde opgelucht adem’, schreven we in de opening van de inleiding. Maar meteen daarna kwamen ook de eerste berichten over de ‘Indiase’ of deltavariant en we besloten: ‘ja, we kunnen open, en ja, we mogen weer dansen, maar het virus blijft bij ons.’

    We hebben enorm geluk gehad dat het symposium en de bijbehorende boekpresentatie op 15 oktober 2021 in Utrecht doorgang kon vinden. Een bijeenkomst op locatie, waarbij je elkaar kunt zien en aankijken, waarbij je niet alleen een zwevend hoofd in een gallery view bent en je reactie altijd een seconde te laat is, bevestigt namelijk weer eens hoe waardevol en diepgravend een discussie of gesprek kan zijn wanneer je met elkaar dezelfde ruimte deelt. Er was live stream, maar er werd ook tango gedanst en ik was blij dat ik op de eerste rij zat om het van dichtbij te zien. Het was prachtig. Kort daarna werd zo’n bijeenkomst door coronamaatregelen weer onmogelijk.

    Een van de vragen die ik nog wilde stellen, maar waarvoor geen tijd meer was tijdens het panel ‘cultuur in crisistijd’ waarin we met onder anderen de Boekmanstichting de talrijke digitale vernieuwingen in de culturele sector bespraken: hoe brengen creatieve makers online een waardevolle uitwisseling tot stand? Het is een vraag die mij ook als docent bezighoud, want zoals we bij de Open Universiteit al langer dan de coronapandemie weten: enkel online onderwijs is alles behalve zaligmakend, reden waarom ons onderwijs altijd een mix is van activerend online leren en motiverende studiedagen en workshops op locatie.

    Universiteiten hebben zich razendsnel aangepast aan de nieuwe realiteit. In de eerste lockdownmaanden van 2020 heb ik tal van inspirerende online initiatieven gezien van collega’s die zich in rap tempo bekwaamden in het monteren van filmpjes en opnemen van podcasts. Die explosieve creativiteit houdt echter niemand twee jaar vol. Studenten en docenten snakken naar ‘normaal’ onderwijs, naar ontmoeting, uitwisseling of ‘nabijheid’ zoals Marlies De Munck en Pascal Gielen schrijven in Nabijheid. Kunst en onderwijs na Covid-19:

    In digitale versie verliezen [mensen] hun aura. Op het computerscherm lijken ze misschien wel dichtbij, maar samen met hun unieke, onvatbare verte verdwijnt ook een deel van hun aantrekkingskracht.

    De Munck en Gielen schreven dit in 2020. Intussen is het januari 2022 en is het duidelijk dat de digitale transitie die door corona in een stroomversnelling is geraakt een nieuw stadium heeft bereikt. Het online lesgeven en -volgen, overigens net als het online thuiswerken, blijft. ‘The pattern for the rest of the 2020s is not the familiar routine of the pre-covid years, but the turmoil and bewilderment of the pandemic era. The new normal is already here’, schrijft The Economist op de drempel van het nieuwe jaar. Daarom is het zaak om met elkaar te bespreken en ontdekken hoe we willen dat ons educatieve of professionele online samenzijn er uit gaat zien, hoe we van isolatie naar nieuwe connectie gaan, van synchroon naar ‘asynchroon’ werken, van klassikaal naar ‘hybride’ leren of hoe we het ook zullen noemen over een tijdje. Die vraag is moeilijk, zoals ieder voorspellen moeilijk en eigenlijk onmogelijk is, maar ook spannend en het maakt de blik even los van alles wat op dit moment niet kan. Nog niet.

  • CfP special issue ‘Narratives & Climate Change’

    Following up on our workshop ‘Narratives & Climate Change’ of June 2020 we are composing a special issue together with the peer-reviewed, international and multilingual online journal Interférences litteraires/literaire interferenties.

    Thematic focus and key questions:

    Within the current debate on the societal and environmental impact of climate change scientists and policymakers as well as artists stress the importance of producing compelling narratives to envision a safe future society. Especially speculative fiction – the genre that explores possible futures – plays an important, integrating role in imagining and engaging with the implications of climate change: not only do fictional narratives offer a great opportunity to engage readers on a personal level with the complexities and scale of climate change, they also prove to be productive in policy making practices and in mediating calculated, data-driven climate scenarios (Hajer 2005; Hulme 2009; Thomas 2013; Moezzi a.o. 2017; Johns-Putra 2016 and 2019).

    This special issue sets out to investigate the integrative power of speculative fiction, focusing in particular on the intersection between literature and environmental sciences by focusing on the following key questions:

    1. How to conceptualize the role that narratives play in bringing the global scale of climate change into the realm of the personal?
    2. How do fictional narratives co-produce reality and contribute to the public debate, to governance or vice versa to (environmental) science? Are narratives indeed to be understood as means (‘productive fictions’) to encourage awareness and even foster behavioral change (‘risk related affect’, learning)?
    3. What narrative techniques (e.g., the use of metaphors, allusion or extrapolation) are used in both scientific and artistic discourse to envision the consequences of climate change? How do they differ in use, where do they overlap? How do both utopian and dystopian storylines relate to ‘eco-anxiety’ and the wish to go beyond eco-paralysis? How and why do utopian or dystopian future scenario’s manifest themselves within approaches from the different fields of study?

    Practicalities:

    Interférences litteraires/literaire interferenties (ISSN 2031-2970) is a peer-reviewed, international and multilingual online journal (DOAJ) devoted to the interaction between literature and cultural and societal practices. For more information see: http://www.interferenceslitteraires.be/index.php/illi/index.

    Researchers from literary and cultural studies with a focus on environmental humanities and sciences are invited to contribute full-length articles of approximately 8-10.000 words incl. footnotes and references. We particularly promote diversity in terms of theoretical frameworks and geographical contexts. We especially encourage non-English contributions (e.g. French, German, Spanish).  

    If you are interested in contributing, please send an email to ClimateNarratives@ou.nl by April 16th, 2021 including an abstract (ca. 250-500 words) and a short bio (max. 200 words). The outcome of the selection process will be communicated before May 9th, 2021. We are expecting completed contributions by December 1st, 2021 after which the journal’s peer review procedure will start. The issue is planned for Spring 2022.

    Editorial note:

    The proposal for this issue follows up on the international workshop ‘Narratives & Climate Change’ held online on June 25th-26th, 2020 (Open University). The workshop is part of the research network project ‘Imaginaries of the Future City: Envisioning Climate Change and Technological Cityscapes through Contemporary Speculative Fiction’. More information on the network project is to be found on our webpage: https://www.ou.nl/en/the-safe-city-imaginaries-of-the-future-city

    References:

    Hajer, M.A. (2005). ‘Rebuilding ground zero. The politics of performance’. Planning theory & practice, 6(4), 445-464.

    Hulme, Mike. (2009). Why we disagree about climate change. Cambridge University Press. 

    Johns-Putra, A. (ed.) (2016). Climate and Literature. Cambridge Critical Concepts Series. Cambridge University Press.

    Johns-Putra, A. (2019). Climate Change and the Contemporary Novel. Cambridge University Press.

    Moezzi, Mithra, Kathryn B. Janda, Sea Rotmann. (2017). ‘Using stories, narratives, and storytelling in energy and climate change research’. Energy Research & Social Sciences, Vol.31, 1-10.

    Thomas, P.L. (ed.) (2013) Science Fiction and Speculative Fiction. Challenging genres. Sense Publishers, Rotterdam/Boston. 

  • terugkijken

    De avond over klimaatfictie in Spui25 is nu terug te zien op YouTube:

    En ook het interview met serious fiction auteur Sonja van der Arend van 22 oktober jl. staat online:

  • Burgers, buurt en toekomstbeelden

    Op donderdagochtend 22 oktober liep ik door een uitgestorven Utrecht, van Springweg via de Oude Gracht naar Paushuize waar het symposium ‘Burgers, buurt en toekomstbeelden‘ om 10:00 zou beginnen. De dag stond in het teken van ‘De Veilige Stad’, het interfacultaire onderzoeksprogramma dat sinds twee jaar loopt aan de Open Universiteit.

    Verschillende onderzoekers binnen het project gingen in gesprek met mensen uit het werkveld, zo spraken collega’s Frank Inklaar en Imke Smulders met coördinator buurtbemiddeling Marianne Grooten, ging collega Jasper Bongers in gesprek met Hans Spekman (PvdA, Jeugdeducatiefonds) over Hoog Catharijne en drugsproblematiek en nodigde collega Jilt Jorritsma, Sophie Moinier van Deltares uit om te spreken over de terugkeer van de natuur in de stad. Zelf had ik een leuk en boeiend gesprek met Sonja van der Arend, auteur van o.a. de waterkwaliteitsroman Een otter in Brussel (2013).

    Van der Arend gebruikt fictieschrijven als een manier om meer inzicht te krijgen in complexe (beleids)vraagstukken zoals – in het geval van Een otter in Brussel – de implementatie van de Europese Kaderrichtlijn Water. Fictie past, volgens haar, veel beter bij de beweeglijkheid en complexiteit van beleid dan de formats van academisch proza. Bovendien is het uitermate geschikt om de inzichten verkregen uit onderzoek toegankelijk te maken voor een breder publiek. Het fictieschrijven is daarbij allerminst een solipsistische aangelegenheid; het verhaal ontstaat in samenspraak met anderen, betrokken burgers, beleidsmakers, gemeenteraadslieden, eventueel Haagse of Brusselse politici. ‘Samen bedenken we de hoofdpersonages, hoe zien die eruit, wat zijn hun werkomstandigheden, wat is hun thuissituatie, maar ook de plotwendingen, welke tegenspelers kom je tegen, welke bezwaren en obstakels, welke openingen’.

    Het levert herkenbare protagonisten op (althans voor milieubeleidsmedewerkers) en (voor iedereen) herkenbare en vaak komische kantoorsituaties. Ook brengen haar romans zeer gespecialiseerde kennis, zoals bijvoorbeeld over de aquatische ecologie, op een toegankelijke manier voor het voetlicht.

    Vanuit literatuurwetenschappelijk perspectief biedt haar werk een totaal nieuw want andersoortig voorbeeld van wat we doorgaans onder ‘klimaatfictie’ verstaan, veelal dystopische romans bevolkt door piekerende hoofdpersonages die zich een wereld voorbij de mens proberen voor te stellen. Van die dystopische tendens moet Van der Arend niet zoveel hebben. Het brengt ons niet veel verder, want versterkt alleen maar gevoelens van schaamte en schuld, vanuit die gevoelens wordt handelen erg moeilijk.

    Het symposium was de wandeling door de veilige ‘onveilige’ stad meer dan waard. Ik hoop dat we nog eens spreken.

    Wordt vervolgd…

    Jilt Jorritsma in gesprek met Sophie Moinier, 22 oktober 2020

  • Nachtegalen op hopen van compost

    De stad van de toekomst in Niemandslandnacht (2018) van Annemarie Estor.

    Changi

    De stad Orb is een lichtend middelpunt in een smoezelig, composterend landschap. Een stad van kristal. Helder, schoon, zuiver. Zo lezen we in Niemandslandnacht (2018), de jongste dichtbundel van Annemarie Estor:

     

    Orb ligt in het landschap
    als een lichtende kroon
    een roemrijke koepel, mythisch rijk.
    Men zegt
    dat de mensen er glanzen.
    Dat de duiven worden geruimd
    en de wind er wordt geweerd.
    Dat er garanties bestaan.

     

    Naast alle guirlandes in de lucht en nanodeeltjes goud in de bloedbanen van de bewoners, wordt ook meteen duidelijk dat voor alle schitterende perfectie een prijs moet worden betaald. Onder de koepel van Orb wordt het oog gecontroleerd en de mensen weten het. Althans, Pili, een zestienjarige inwoner van Orb, weet het:

    Ik scherm mijn ogen af met mijn hand
    en draai mij om, kijk recht een spiegel in.
    Een gezicht heb ik niet. Ik ben perfect,
    als iedereen.

    Pili heeft niets te verbergen en dat geldt voor alle inwoners: ‘…niets achter me, / zoals wij allen hier / niets achter ons hebben.’ Daarmee vormt de samenleving in Orb een letterlijke uitbeelding van een veelgehoorde reactie op berichten over de verregaande controle van instanties als de NSA of bedrijven als Facebook: zorgen omtrent privacy wuiven we vaak weg onder het mom dat we ‘toch niets te verbergen’ hebben. De surveillancemaatschappij van de toekomst is in Niemandslandnacht een griezelige werkelijkheid geworden. De Orbeanen hebben geen keus; er valt niets te verbergen. Op het hebben van vuile gedachten staan straffen, net als op verzinsels. ‘Onze ogen zijn gestut / opdat wij focussen op waardige horizonten’. Zelfs witte duiven worden uit de lucht geschoten om het zicht helder te houden. Pili stopt stiekem zo’n geschoten witte duif in haar tas.

     

    Grout

    Om de koepelstad Orb ligt een niemandsland omringd door een muur. Het niemandsland onttrekt de blik aan al het afval dat de prachtstad afstoot. Achter de muur, zo wordt al snel duidelijk, liggen de resten van het leven in Orb onverschillig te ruften.

    Manila slum

    Dit is het domein van de donkere, mistige sloppen van Grout, waar het rommelt, dampt en broeit. Het is echter niet enkel een wereld van ontbinding. Op de composthopen van Grout hebben de bewoners scharminkelige tuinhuizen opgetrokken en wonderwel manieren gevonden om voedsel te verbouwen op de stinkende grond.

    Systeembeheerders telen tijm en steranijs,
    beleggers kruisen cox’s orange pippins met elstars,
    bewakers worden gladiolenboeren,
    gevallen yuppen worden imkers:
    ze slaan de stropdas over de schouder
    en beginnen verwoed te slingeren,
    achter onooglijke vensters,
    boven hooiwagenmassagraven, bij peertjeslicht.

     

    Duiven worden in Grout niet uit de lucht geschoten, maar gemolken.

     

    Achter het uiterlijk van de sloppenwijk schemert gaandeweg een meer exotische wereld van kraampjes, kleuren en etensdampen. Wanneer Pili in Grout op zoek gaat naar haar biologische moeder, betreedt zij, samen met haar gids, juffrouw Valeria, een tent die flonkerend vol slingers en lampionnen hangt, ‘een India op kousen’. Hier bezoeken zij het duo Fakir Rafraf en Douz, een oudere dame met neusbel, sari en hangbuik, dat Pili meer weet te vertellen over haar afkomst en familie. Een enorme schok voor het meisje, dat tot het moment dat zij een duif in haar tas stopte en haar juffrouw daarmee confronteerde, van niets wist, want: ‘Niemand heeft een moeder’ in Orb.

     

    De zoektocht van Pili naar haar afkomst en de ontrafeling van de relatie tussen haar moeder Roza uit Orb en haar vader Radu uit Grout vormen de rode draad in de wervelende toekomstwereld van Niemandslandnacht. Er valt nog veel meer te zeggen over de plotontwikkeling, thematiek en motieven in deze uitgesproken narratieve bundel, over de aanduiding crime-poem op de omslag bijvoorbeeld, of over de vorm, zoals het typografisch contrast tussen de handgeschreven gedichten van Roza in de bundel en de staccato computertekens van de ‘sensoren’ die waken over het niemandsland. Ondanks de spanning en overweldigende beeldenregen bleven mijn ogen steeds haken achter de schematische weergave van Orb en Grout. Waarom is het beeld van de stad in toekomstnarratieven toch zo statisch en weinig gevoelig voor verandering?

     

    Orb-e-Grout

    Met de tegenstelling tussen het smetteloze en technologisch geavanceerde Orb enerzijds en het donkere, smützige Grout anderzijds toont Niemandslandnacht zich schatplichtig aan de dominante iconografie van steden in toekomstscenario’s en -vertellingen. Waar Orb grote gelijkenis toont met de smart city van de toekomst zoals die valt te herkennen in huidige trends in architectuur en stadsplanning (denk aan public green spaces zoals op de afbeelding van Jewel Changi Airport bovenaan dit stuk), daar schurkt Grout dicht aan tegen de prototypische representatie van de stad in science fiction en (post)apocalyptische romans en films. Van Metropolis tot Blade Runner 2049: de stad van de toekomst, is altijd donker, rokerig en meestal ronduit smerig. De strikte verdeling tussen diverse bevolkingsgroepen, weerspiegeld in de indeling van de stad vormt eveneens een terugkerend element in dit soort verhalen. Indringend is de manier waarop de segregatieproblematiek bijvoorbeeld wordt uitgewerkt in de sci-fi mocumentary District 9. Garnaalachtige buitenaardse wezens hangen verzwakt in een ruimteschip boven Johannesburg en worden, onder het mom van (non)’humanitaire hulp’, door mensen naar de aarde gehaald en ondergebracht in een vluchtelingenkamp. In het kamp steken conflicten en criminaliteit al snel de kop op. Omheiningen en prikkeldraad worden aangebracht, de bewaking wordt verzwaard. De grens tussen vluchtelingenopvang, sloppenwijk en gevangenkamp vervloeit.

    District 9

    In recente Nederlandse toekomstromans als Slaap zacht Johhny Idaho (2015) van Auke Hulst en In alle steden (2017) van Aukelien Weverling wordt tevens nagedacht over de verdeling van privileges en kapitaal, en hoe die bestendigd ligt in de organisatie en structuur van de stad. Overigens is een fascinatie voor cartografie ook in Niemandslandnacht aan te treffen: de bundel opent met een getekend plan van Orb en sluit met die van Grout.

     

    Anders dan een werk als District 9 lijkt het in Niemandslandnacht niet primair te gaan om het fileren van of kritisch reflecteren op de grote ongelijkheid in complexe stedelijke samenlevingen. Bekende tegenstellingen worden juist nog dikker aangezet. Hoe smeriger Orb, hoe glanzender Grout. Hoe weelderiger en wulpser Grout, hoe gepolijster en gemanipuleerder de kristalstad. Esthetisering van de vuiligheid dient met andere woorden vooral een literair doel ­– overeenkomstig met de blik van Roza die op de kluiten aarde nachtegalen ‘ziet glanzen van geluk’. Hoe hoopvol deze boodschap ook is, soms leidt de neiging het mooie in de vuiligheid te zien tot nogal ongelukkige montages. Bijvoorbeeld wanneer tussen de tentenkampen, uitlaatgassen en golfplaten een weelderige groentekraam opduikt met een grote luifel tegen de zon. De winkel toont ‘Waanzinnig groen, / een doos vol vers geoogste munt’. De kleurige groentekraam in combinatie met het invalide hulpje van de groenteboer die rare liedjes rijmt, lijkt een allusie op de kraam van groenteboer Collignon uit de film Amélie.

    Amelie groentekraam

    Montmartre op de puinhoop van bewoonde vuilnisbelten à la Manila?

     

    Dit soort collages wijzen erop dat de stedelijke setting in Niemandslandnacht slechts een futuristisch – zij het uitermate spectaculair! – decor vormt voor het verhaal van afkomst en verwantschap. Het verhaal van Pili, maar ook van Roza en haar geheime, vurige liefde voor Radu, haar zwangerschap en gedwongen abortus. ‘Ze zullen komen en waarschijnlijk gauw. Heet ik Roza, of heet ik nu Anomalie?’ In Orb wordt voor de vruchtbare vrouw bepaald wie haar man is, ‘Begin en eind van uw betrekking moet u melden’. De bewoners in het vieze Grout blijken uiteindelijk een stuk beter af dan in het perfecte Orb, juist omdat zij de verbeelding de vrije loop mogen laten, verzinsels mogen spinnen, nachtegalen zien en nog kunnen schrijven met de hand, iets wat verboden is in Orb.

     

    Nieuwe verbeeldingen

    Niemandslandnacht valt te lezen als een uitbundige lofzang op het durven dromen en onderstreept het belang van verbeelding en fantasie, misschien juist als de wereld om je heen in vele opzichten onooglijk is. Zelfs op afval valt te zaaien en te oogsten. Na lezing moet je even bijkomen. Maar als het sterrenstof is neergedaald vraag je je toch af of er grenzen zijn aan de esthetisering van afval en vuil. Hoe kan een werkelijk nieuwe verbeelding van de stad van de toekomst er uitzien? Is het mogelijk om buiten de dominante beeldvorming van glazen koepels en sloppenwijken te denken, of: hoe breken wij uit Orb-e-Grout?

     

    ***
    Afbeeldingen
    Afb. 1 Artist’s impression van Jewel Changi Airport (Singapore)
    Afb. 2 Slum in Metro Manila, Filipijnen
    Afb. 3 Filmaffiche van District 9
    Afb. 4 De groentekraam van Collignon uit Amélie

     

    Deze column verscheen in het kader van de Poëzieweek 2020 op www.ou.nl en op neerlandistiek.nl

  • CfP Narratives & Climate Change

    future city

    Imaginaries of the Future City: Envisioning Climate Change through Contemporary Speculative Fiction Call for Proposals – International workshop 25-26 June 2020 in Utrecht, The Netherlands and a subsequent special issue on Narratives & Climate Change

     

    Narratives & Climate Change

    Within the current debate on the societal consequences of climate change, environmental scientists, cultural scholars and artists from different scientific disciplines stress the importance of producing compelling narratives and scenario’s to envision the safe city of the future. Especially speculative fiction – the genre that explores possible futures – is considered a powerful tool that plays an important, integrating role in imagining and engaging with the implications of climate change.

    Not only do narratives offer a great opportunity to engage readers on a personal level with the complexities of climate change, they also play a productive role in policy making practices as well as in mediating calculated, data-driven climate scenarios.

    Connected by the productive power of speculative fiction and narratives, this workshop brings together some 20-25 scholars from different fields of study, such as environmental sciences, psychology and literary studies in order to foster a better and more integrated analytical discussion on the role of narratives in envisioning the societal, psychological and cultural consequences of climate change.

    We invite researchers from environmental sciences, psychology and literary studies working in multidisciplinary teams to present a draft paper in June and discuss theoretical, methodological or empirical standpoints on the specific nature, functioning or effect of climate change narratives. Both existing multi-disciplinary teams are invited to participate, as well as individual scientists who are open to work in such a team. Based on research field and expertise, and research ideas, the aim of the organizing committee is to bring together individual participants in order to enhance multi-disciplinary research teams. The aim of the workshop in June is to publish the draft papers, subject to normal review procedure, as a special issue in a highly ranked scientific journal or edited book on ‘Narratives & Climate Change’.

     

    Topical Themes 

    The workshop is open to a broad variety of interpretations of the relationship between narratives and climate change, but we strongly encourage submissions on the following themes:

    • How to conceptualize of and empirically understand the role that narratives play in bringing the global scale of the climate crisis into the realm of the personal, and what narrative techniques (e.g., the use of metaphors, allusion or extrapolation) are used to grasp the complexity of the climate debate? How do these narrative techniques function within lived experiences of climate change? How do they influence daily routines and practices (for instance individual, household, company, community but also government decision making)? How do narratives co-produce reality and contribute to the public debate, to governance or vice versa to (environmental) science?
    • Which narrative techniques can be discerned and which ones are used to grasp the complexity of the climate debate? How and why do either utopian or dystopian future scenario’s manifest themselves within approaches from the different fields of study? How do both utopian and dystopian schemes relate to ‘eco-anxiety’ and the wish to go beyond eco-paralysis?
    • Are narratives to be understood as means (‘productive fictions’) to encourage awareness and even foster behavioral change (‘risk related affect’, learning), and if so how can this be understood and what is empirically known about the way this affect is accomplished? Concomitantly, how do narratives co-produce reality and contribute to the public debate? What is the relation between fictional elements and non-fictional or realistic data in future scenario’s?

     

    Practicalities and submission deadlines

    Interested participants (individually or already teamed up) are encouraged to submit 500 word proposals plus bibliography, accompanied by a short biography (max. 200 words) by January 31, 2020. Please send your proposal to FutureCities[a]ou.nl.

    Participants will be notified of acceptance/rejection by February 28, 2020.

    Those selected to contribute are expected to submit a draft paper by June 1, 2020 as these will be distributed to all workshop participants beforehand.

    The draft papers will be intensively debated at the workshop and full papers should tentatively be submitted by November 2020.

    Authors with questions are encouraged to contact FutureCities[a]ou.nl.

     

    Organisation

    Prof. Dr. Brigitte Adriaensen, Dr. ir. Raoul Beunen, Prof. Dr. Stefan Dekker, Dr. Marjolein van Herten (coordination), Dr. Andries Hof, Prof. Dr. Dave Huitema, Jilt Jorritsma MA, Prof. Dr. Lilian Lechner, Evelien van Nieuwenhoven MA (coordination), Prof. Dr. Paquita Perez Salgado, Dr. Marieke Winkler (coordination).

     

    Website

    https://www.ou.nl/the-safe-city-imaginaries-of-the-future-city

     

    ***

    Afbeelding: Alexis Rockman, Manifest Destiny (2004)
  • Imaginaries of the Future City

    Amsterdam onder water

    In september is het onderzoeksproject ‘Imaginaries of the Future City: Envisioning Climate Change and Technological Cityscapes through Contemporary Speculative Fiction’ van start gegaan. Speculatieve fictie vormt hierin het uitgangspunt om samen met milieuwetenschappers en psychologen na te denken over de verschillende manieren waarop fictieve verhalen de verbeelding van de toekomstige stad vormgeven.

    Op 13 december presenteerden Marjolein van Herten en ik de eerste bevindingen tijdens het congres ‘(Un)Fair Cities: Equity, Ideology, Utopia in Urban Texts‘ (Limerick).

    Abstract

    How does narrative fiction function as an integrating discourse in constructing and shaping (collective) imaginations of a safe future city? This is the departing question of the interdisciplinary research project ‘Imaginaries of the Future City. Envisioning Climate Change and Technological Cityscapes Through Contemporary Speculative Fiction’ of the Open University of the Netherlands. In this project, researchers of different fields of study – literary studies, environmental studies and psychology – cooperate to investigate their use of narratives in thinking about and conceptualizing the future city. Our focus lies with the impact of climate change and technological developments on future city-life. In this paper we would like to share the first findings of our interdisciplinary research group, focusing in particular on the field of literary studies. The notion of ‘speculative fiction’ links to literary narratives that shape and constitute imaginations of the future city and society. In these narratives, cityscapes play a central role: they represent nodal points in which the anxiety surrounding contemporary urban problems and their impact on individuals, societal groups and their environment, are projected. For example, in the Dutch speculative novel De goede zoon (2018) the predominantly grey cityscape has infiltrated ruthlessly into rural areas; even when the protagonist finds himself ‘in nature’ the landscape is highly artificial (the dears in the forest turn out to be robots). Hence, the author confronts the reader with the question of the impact of urban planning in a globalizing world just by imaginatively ‘extrapolating’ present day developments. Even when not explicitly moralizing, the narratives produced within the framework of contemporary speculative fiction show a profound dystopian point of view raising the question to what extend they contribute to productive awareness. By analysing the way speculative fiction represents the future city this paper addresses the question to what extent speculative fiction can contribute to productive awareness of the impact of climate change and technology. Also, it offers reflection on the importance of narrative analysis in contemplating and conceptualizing the future safe city in other fields of study such as environmental studies and psychology.

     

    Het project ‘Imaginaries of the Future City’ wordt gefinancierd door het universiteitsbrede onderzoeksprogramma De Veilige Stad van de Open Universiteit.

     

    ***

    Afbeelding: Waterlicht, installatie door Daan Roosegaarde.