Categorie: wetenschap

  • Het gebruik van literatuur in andere vakgebieden

    Hoe worden literaire bronnen gelezen in vakgebieden buiten de literatuurwetenschappen? Met die vraag stelden we voor Nederlandse Letterkunde een dubbeldik themanummer samen. Het resultaat van deze spannende zoektocht naar de academische “passionate reader” is nu verschenen. Met bijdragen uit de biologie en levenswetenschappen, humanistiek, medical humanities en deugdethiek, theologie, rechtswetenschappen, stadsgeschiedenis, psycholinguïstiek en artificiële intelligentie.

    Het nummer demonstreert hoe literatuur niet alleen fungeert als kennisinstrument om bijvoorbeeld complexe, abstracte theorieën aanschouwelijk te maken of om aanvullende historische kennis te vergaren, maar ook hoe literaire verbeeldingen werken als creatieve spiegel en katalysator in onderzoeksgebieden buiten de geesteswetenschappen of in crossovers tussen verschillende wetenschappelijke disciplines.

    Lees de inleiding op het nummer nu online via de website van Amsterdam University Press.

    Aan het nummer werkten mee: Johannes Müller, Amber Helmes, Anne-Fleur van der Meer & Jos Kole, Sabine Wolsink, Carinne Elion-Valter, Matthijs Degraeve, Carel van Wijk, en Siebe Bluijs, Emiel van Miltenburg & David Peeters.

    Redactie: Carlijn Cober, Esther Op de Beek, Tom Sintobin & Marieke Winkler.

  • 25 jaar Nederlandse letterkunde

    Het wetenschappelijke tijdschrift Nederlandse letterkunde werd in 1996 opgericht met de doelstelling een podium te bieden voor de bestudering van de Nederlandse letterkunde ‘in al haar vormen en facetten.’ Daarmee bedoelde de redactie dat het tijdschrift niet alleen ruimte wilde bieden aan diverse methoden en onderzoekstradities, maar ook aan de verschillende periodespecialisaties ‘van middeleeuwen tot heden’.

    De oprichting was een uitkomst van een ‘herverkaveling’ – zoals het toen genoemd werd – van het neerlandistische tijdschriftenlandschap. Tot 1995 vonden artikelen op het gebied van de Nederlandse taal- en letterkunde elkaar gebroederlijk in tijdschriften als De nieuwe taalgids (1907-1995), Forum der Letteren (1960-1995) en Spektator (1971-1995). Begin jaren negentig waren de verschillende deelgebieden echter zodanig uit elkaar gegroeid, dat behoefte ontstond aan een eigen wetenschappelijk forum, net zoals Queeste (1994) even daarvoor al opgericht was vanuit de behoefte aan een apart platform voor de middeleeuwse letterkunde in de Nederlanden. Naast Nederlandse letterkunde werden rond deze tijd de tijdschriften Nederlandse Taalkunde, TvL. Tijdschrift voor Literatuurwetenschap en Armada. Tijdschrift voor Wereldliteratuur opgericht.

    Het 25-jarige jubileum van Nederlandse letterkunde vormde aanleiding tot het samenstellen van een dubbeldik themanummer over 25 jaar vakbeoefening. We vroegen verschillende auteurs om zich, met de eerste jaargang van Nederlandse letterkunde in de hand, te buigen over de ontwikkelingen in het vak. Vanuit hun eigen expertise gaan zij in op wat er sinds 1996 is veranderd en wat niet: welke genres of werken werden bestudeerd? Welke benaderingen werden gehanteerd? Hoe keken vakgenoten in 1996 naar de toekomst van het vak? Zijn die richtingen daadwerkelijk ingeslagen of heeft het onderzoek en onderwijs zich een heel andere kant op ontwikkeld? En welke kant zou het in de toekomst op moeten gaan?

    Een van de opmerkelijkste ontwikkelingen die Nina Geerdink en ik in onze inleiding hebben kunnen constateren, is dat het vakgebied cijfermatig weliswaar een stuk kleiner is geworden (minder studenten, minder onderzoekers) maar inhoudelijk een stuk breder is georiënteerd. Zo vallen de toenaderingspogingen op tussen verschillende periodespecialisten (het zogenaamde diachrone onderzoek) en worden de banden met het middelbaar onderwijs weer sterker aangehaald. In vergelijking met 1996 zien we in toenemende mate een breed, open begrip van wat ‘letterkunde’ is, én wat ‘Nederlands’ is. Het domein van de Nederlandse letterkunde is een heel stuk ruimer geworden en uitgebreid richting onder andere middlebrow- en Young Adult-literatuur, richting non-fictie en boekencultuur in brede zin. Analoog hieraan zijn ook de onderzoekers naar Nederlandse letterkunde niet meer persé alleen ‘Nederlands letterkundigen’: zij zijn net zo goed cultuurwetenschappers, literatuursociologen, of onderzoekers van gender- of mediastudies. Het vakgebied beperkt zich nauwelijks nog tot taal- of discipline grenzen. Wat dat betreft is Nederlandse letterkunde nog maar net begonnen om een podium te zijn voor de studie van de Nederlandse letterkunde ‘in de volle breedte’.

    Het gehele jubileumnummer is tot 1 juni voor iedereen gratis toegankelijk via de website van AUP: https://www.aup-online.com/content/journals/13845829/browse

  • Campusficties

    De universitaire wereld spreekt al sinds vroegmoderne tijden tot de verbeelding van literaire auteurs. Vooral in de Anglo-Amerikaanse literatuur vierde de ‘campus novel’ hoogtij als een satirische ontleding van de microkosmos op de campus. Maar ook in andere taalgebieden is campusfictie te vinden, die bovendien vaak expliciet op de populaire Anglo-Amerikaanse voorbeelden reageert. Voor de zomer verscheen bij Academia Press de meertalige bundel Campus Fictions. Literary and intermedial constructions of the university world waarin dit curieuze en vermakelijke genre onder de loep wordt genomen.

    Esther Op de Beek (Universiteit Leiden) en ik droegen een hoofdstuk bij over nieuwe (digitale) vormen van Nederlandstalige campusfictie. Het hoofdstuk bespreekt Omerta van Wouter Oudemans dat zijn oorsprong heeft in digitale nieuwsbrieven die Oudemans aan zijn studenten en andere geïnteresseerden stuurde, het als ‘weblogroman’ aangekondigde Breukvlak van Eelco Runia en het online ‘managersfeuilleton’ De verleden tijd van lijken van Marc van Oostendorp. Welk beeld van het genre en, daarmee samenhangend, welk beeld van de universiteit treedt naar voren in deze markante nieuwe voorbeelden van universiteitsliteratuur? Je leest het in de mooie bundel Campus Fictions / Campusfictie!

    ***

    Op neerlandistiek.nl verscheen een eerste bespreking van het boek. 

  • ‘Scientific’ Literary Studies

    Matthew_Arnold_Waddy_1872

    On December 20th, literary scholar Angus Nicholls (Queen Mary University London) will deliver a lecture on the ‘science’ of literary studies for the national research school literary studies (OSL). After his lecture – entitled ”Scientific’ Literary Studies During the Late Nineteenth Century and Today: a Critical Overview’ – there will be time for discussion on the question of literary studies’ scientific state and status, then and now, in and outside the Netherlands.

    Everybody is warmly invited to attend the lecture and discussion!

    The event takes place in Amsterdam from 15:00 to 17:00 (PCHoofthuis, room 5.59). See also the website of OSL for the details.

     

    Short summary of the lecture:

    The late nineteenth century was a period in which academic disciplines began to form and professionalize themselves in modern research universities. Like many disciplines during this period, literary studies (Literaturwissenschaft) attempted to establish itself by arguing that its methods were ‘scientific’ or wissenschaftlich. But here the key term in the debate – that of ‘science’ (Wissenschaft) – was a contested one, and was defined in different ways, in different cultural contexts, by different protagonists in the field. In this paper, I will attempt to show that these nineteenth-century debates on the ‘scientific’ nature of literary studies bear a striking similarity to present day discussions. This is so because – especially in the UK system – the humanities continue to be assessed and funded according to models predominantly derived from research in the natural sciences; models which favour a linear conception of objective scientific progress and which valorise quantifiable impact upon society. This paper will offer an overview of this subject in relation to British and German intellectual history, as part of an introduction to a larger monograph project. Some of the better-known thinkers treated will include Matthew Arnold, Thomas Henry Huxley, Wilhelm Dilthey and Wilhelm Scherer.

     

    Afbeelding: Matthew Arnold (1822-1888) balancing between poetry and philosophy by Frederick Waddy, 1872

     

     

     

  • Toekomst

    football2

    Een voetnoot bij de toekomst van de letterkundige neerlandistiek

    ‘we gaan vooruit. We ontwennen, spelen vroegertje’
    uit: Anne Vegter, Wat helpt is een wonder (2017)

     

    Wat is toekomst anders dan de uitdrukking van een verlangen naar een nieuw begin, het uitproberen van een andere loop der dingen? ‘De moderne tijd zet zijn kaarten (…) uitdrukkelijk op vernieuwing in plaats van herhaling’, schrijft Rüdiger Safranski in Tijd (2014), ‘dit is de tijd van beginnen.’ Aan die tijd is volgens Hans Ulrich Gumbrecht (en hij bouwt daarbij voort op Kosellecks historisering van het historisch bewustzijn) een einde gekomen. ‘For us the future no longer presents itself as an open horizon of possibilities; instead it is a dimension increasingly closed to all prognoses – and which, at the same time, seems to draw near as a menace’. Tussen het verleden dat ons overspoelt, en dat we als een malle proberen te conserveren en annexeren, en de bedreigende toekomst (het ijs op Antarctica smelt nú), is het heden getransformeerd tot een (in beide richtingen) uitdijend landschap, tot iets wat Gumbrecht our broad present noemt. Hoe in dit expansieve heden iets over de toekomst te zeggen zonder al te naïef een nieuw begin af te roepen? Misschien dat het graven in het niet al te verre verleden mij daarom zo vruchtbaar overkomt, namelijk als een handeling die wel degelijk nieuwe scenario’s mogelijk maakt…

    Welke kant de letterkundige neerlandistiek in de komende 25 jaar op zal gaan weet ik niet, maar wat een blik op de ontwikkeling van de discipline laat zien is dat er een duidelijke cyclische beweging is. Een periode van polarisatie wordt afgelost door een periode van verbinding, waarna volgende polarisatie volgt. Een dergelijke observatie valt tevens te herkennen in de slotbijdrage van J.J.A. Mooij voor de bundel Vormen van literatuurwetenschap. Moderne richtingen en hun mogelijkheden voor tekstinterpretatie (1985). In voetnoot 9 van zijn artikel ‘Eenheid en veelheid in de literatuurwetenschap’ geeft Mooij een ultrakorte schets van de ontwikkeling van de literatuurstudie. Dat is op zich al interessant (de geschiedenis van de discipline kan blijkbaar worden samengevat in een voetnoot), maar hier in het bijzonder omdat Mooij er een uitspraak over de toekomst aan verbindt. Na in de lopende tekst te hebben opgemerkt dat de literatuurstudie perioden van openlijke twist kent, stel hij in de voetnoot:

    Werpt men een terugblik op de laatste honderd jaar, dan gaat het vooral om 3 perioden: de jaren omstreeks 1900/1910, omstreeks 1930 en omstreeks 1960/1970. De eerste periode werd gekenmerkt door de wending van positivisme naar Geistesgeschichte en door de invloed van Dilthey. De tweede door de wending naar analyse en nauwgezette interpretatie (New Criticism: werkinterpretatie), door het vroege structuralisme én door de invloed van de politieke ontwikkelingen in Duitsland. De derde door de discussies rond neo-positivisme, kritisch rationalisme, neo-hermeneutiek en neo-marxisme, alsmede door de botsing tussen de (al dan niet structuralistische) autonomiegedachte en de opkomende receptie-esthetica. Rekenkundig zou men zeggen dat er over ongeveer een jaar of 10 een nieuwe methodenstrijd te verwachten is.

    Zou deze logica gelden, dan zou dat inhouden dat wij nu langzaam afsteven op een nieuwe ‘twistrijke periode’, die zo rond 2030 op een hoogtepunt zal zijn. Om wat voor twist zou het kunnen gaan? En welke verbindingen zijn er na die polarisatiepiek voorstelbaar?

    Het zou allicht kunnen gaan om een twist tussen degenen die aan ‘de kant van de literatuur’ staan en hen die aan ‘de kant van de wetenschap’ staan, waarbij wetenschap hier staat voor het wetenschapsbeeld dat de bètawetenschappen representeren, een wetenschap die, aldus Willem Otterspeer in zijn pamflet Weg met de wetenschap (2015) gestoeld is op het idee van kennis als ‘zekerheid’ (tegenover de opvatting van kennis die ‘waarschijnlijkheid’ als norm hanteert). De twist zal met andere woorden een nieuwe ronde in het debat tussen hermeneutici en positivisten zijn, of om het in meer contemporaine termen te vatten: tussen degenen die erkennen dat zij deel van het literaire veld (en bij uitbreiding het culturele veld) uitmaken en degenen die trachten dat veld van een afstandje te observeren.

    Maar wat moet de letterkundige als het literaire veld, en die kans is aanzienlijk, over 25 jaar helemaal niet meer bestaat? Wat als hij moet constateren dat ‘het literaire veld’ behoort tot een bepaald tijdsgewricht en inmiddels niet meer is dan een construct van de wetenschap zelf, misschien wel een uiterste consequentie van de autonomiegedachte (impliceert de metafoor van het veld immers niet duidelijke grenslijnen)? Gelukkig hoeft het failliet van het veld nog niet te betekenen dat de literatuur niet bestaat of opgehouden is te bestaan. Literatuur, C. Buddingh’ zei het al met betrekking tot poëzie, ‘is er gewoon, zoals het voetbalspel (…), de Oude Maas of het weerbericht’. Ook buiten het stadion wordt volop gevoetbald.

    Welke verbindingen zijn er voor te stellen in de gelukzalige, rustige jaren na de storm?

    (meer…)

  • Brom

    berard-brom-e1441614391916

    In december 1941 houdt de Nijmeegse hoogleraar Gerard Brom een voordracht voor de jaarvergadering van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden. Onderwerp van de voordracht is de geschiedschrijving van de Nederlandse literatuur. Of preciezer, de geschiedenis van de geschiedschrijving van de Nederlandse literatuur. Brom werkt de lezing uit tot een boek dat in 1944 verschijnt onder de titel Geschiedschrijvers van onze letterkundeHet is één van de vroegste vakhistorische overzichten en is alleen daarom al interessant voor iedere letterkundige om eens in te zien.

    Daarnaast is het – als je een beetje door het ouderwetse taalgebruik heen leest – ook heel vermakelijk. Brom geeft namelijk allerminst een neutrale beschrijving van de ontwikkeling van het vak. Zijn doel lijkt vooral te zijn geweest de beperkingen aan te wijzen in de literatuurgeschiedschrijving tot dan toe. Die betreffen niet alleen de fundamentele discussie over de selectie van letterkundige werken (welke wel, welke niet?), maar zijn vaak ook gericht op de persoon van de literatuurhistoricus.

    Deze laat zich volgens Brom bijvoorbeeld te veel beïnvloeden door nog levende schrijvers (zo buigt Prinsen al te ‘slaafs voor de literatoren’ wat hem niets anders oplevert dan ‘dat het publiek hem ernstiger nam dan het gilde van vakgenoten’); of hij mist een werkelijk inzicht (Kalff bijvoorbeeld is weliswaar vervuld van nationaal gevoel, maar heeft volgens Brom ‘de diepste kracht in het volksleven het minst begrepen’). Ook ‘geleerddoenerij’ en al te grote zelfverheffing worden bekritiseerd, laatst genoemd aspect vooral met betrekking tot Albert Verwey (waarbij meteen ook de onvermoeibare feitenverzamelaar Te Winkel een veeg uit de pan krijgt): ‘Verschrompelde Jan te Winkel onder de berg notities tot een ijverig kaboutertje, Verwey stond op elke bladzij zijn figuur profetisch te verheffen.’ Een ander verwijt, eveneens gemaakt aan het adres van Verwey maar ook aan dat van Bilderdijk, is het gemis aan humor: ‘Verwey deelde met Bilderdijk, van wie hij zo weinig weten wou, een tekort aan humor en vooral aan zelfironie’.

    Hoewel ik Brom zelf ook niet echt kan betrappen op veel humor, presenteert Geschiedschrijvers van onze letterkunde wel een hoop komische letterkundige types:  de publieksgeile letterkundige, de ijverige kabouter, de zelfbenoemde profeet… Daarmee vormt Geschiedschrijvers van onze letterkunde een hele mooie bron voor het in kaart brengen van prototypische functies van academische letterkundigen, zoals dat bijvoorbeeld gebeurt voor schrijvers in het zojuist verschenen boek Schrijverstypen. De moderne auteur tussen individu en collectief (2016). Aan de hand van auteurs als Frederik van Eeden, Marnix Gijsen en Frans Kellendonk worden in dit boek verschillende auteursrollen onder de loep genomen zoals de romantische schrijver, de socialistische schrijver, de schrijver-reiziger, de grootauteur en de schrijver-criticus. Het gaat daarbij niet zozeer om de individuele auteurs — laat staan om hun ‘karaktertrekken’ —  maar om de ‘modellen’ die deze auteurs aanwenden om hun schrijverschap vorm te geven.

    Zou het na Kneppelhouts Studenten-Typen (1841) en het net verschenen Schrijverstypen niet aardig zijn om een staalkaart van academische types op te stellen?

    We kunnen meteen beginnen bij Gerard Brom, waarover vorig jaar een lijvige biografie is verschenen getiteld Heraut van de katholieke herleving. Ook Brom stond een duidelijk ‘model’ voor ogen, namelijk Johannes de Doper (de titel van de biografie wijst er al op). In navolging van deze ‘Heraut van de Koning’ zag Brom zichzelf graag als de verkondiger van de christelijke leer in katholieke gedaante. Biograaf Paul Luykx beschrijft uitvoerig hoe Brom deze rol invult als wetenschapper én als publieke intellectueel. Met zijn biografie wil Luykx een bijdrage leveren aan ‘de geschiedenis van de katholieken en hun bijdrage aan de Nederlandse samenleving en cultuur’. Daarnaast hoopt Luykx het werk van Brom uit de vergetelheid te halen. Inderdaad worden Broms historische studies op het gebied van literatuur en beeldende kunst amper nog gelezen. Dit hoeft echter niet het lot te zijn van Geschiedschrijvers van onze letterkunde, allicht anders dan Luykx voor ogen heeft, maar ik voorzie een run op dit boekje mocht het ooit tot die typologie van de academische letterkunde komen.

     

    3d_heraut_klein-1024x924

     

    In de jongste aflevering van Spiegel der letteren verscheen een recensie van mijn hand over de biografie Heraut van de katholieke herleving: Gerard Brom (1882-1959). 

  • Veldwerk II

    veldwerk

    Onder de titel ‘Wintertuin heeft een verhaal’ is literair productiehuis Wintertuin vorig jaar een blog begonnen. Hierop verschijnen meer inhoudelijke stukken over de Wintertuin-producties en registraties van die producties. Verder tref je er columns aan van schrijvers uit het Wintertuin-agentschap en van Wintertuin-medewerkers (o.a. met leestips). In de rubriek ‘Veldwerk’ ten slotte worden ontwikkelingen in het literaire veld belicht.

    Voor mijn tweede Veldwerk-column schreef ik over het congres Achter de Verhalen dat van 6 t/m 8 april plaatsvond aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ondanks dat het thema (‘het belang van de literaire cultuur’) in de call for papers nogal onheilspellend werd aangekondigd –’de literatuur verkeert in crisis en haar einde zou nakende zijn’– viel het mij op dat het crisis-thema amper werd geëxpliciteerd:

    ‘Veeleer werd het ‘belang van de literaire cultuur’ als een gegeven aangenomen. Daarmee werden de symptomen van de crisis niet ontkend, maar werd gekozen voor een positieve insteek. Het belang werd niet verdedigd, maar getoond.’

     

    Benieuwd hoe dat gebeurde? Lees de hele column hier.

    Zie hier voor de eerste Veldwerk-column getiteld ‘De schrijver van de toekomt kent zijn verleden’.

     

  • Bewust subjectivisme

    ‘Hoe kan een criticus of essayist een zo goed mogelijke criticus of essayist worden?’

    Deze vraag stelt Huug Kaleis zich in zijn ‘Credo voor eenzame wolven’, de inleiding bij zijn essaybundel Schrijvers binnenste buiten uit 1969. Vanuit het inzicht dat men de wereld niet goed kan waarnemen, zonder dat men eerst de blik op zichzelf heeft gericht, zoekt hij het antwoord in de zelfreflectie. Met instemming citeert hij psycholoog Alexander Mitscherlich (1908-1982) die schreef: ‘Onze kijk op de wereld buiten ons hangt nauw samen met de wijze waarop wij onszelf zien, de scherpte van onze blik voor onze medemenselijke omgeving is afhankelijk van de scherpte waarmee wij onszelf waarnemen.’ De moed tot genadeloze zelfkennis ofwel ‘bewust subjectivisme’ is volgens Kaleis een allereerste voorwaarde voor een essayistische én kritische benadering van literatuur:

    ‘Men benadert een stuk letterkunde zoals men zichzelf te lijf gaat, met dezelfde doezeligheid of leugenachtigheid, maar ook met dezelfde eerlijkheid, scherpzinnigheid en agressiviteit: men keert schrijvers binnenste buiten met de grondigheid waarmee men eerst zichzelf binnenste buiten heeft gekeerd. Daar liggen de factoren die beslissen over de mate van objectiviteit die men bereikt. De kunst is niet hoe zichzelf er zoveel mogelijk buiten te houden, de grote kunst is zich op de juiste wijze in te zetten.’ (p.12-13)

    Deze passage uit Schrijvers binnenste buiten noteerde ik al een tijd geleden en kwam ik vandaag weer tegen bij het opruimen van een stapel papieren. Het is één van die passages die geen plek zal krijgen in mijn proefschrift, zo’n zijweg die je even inslaat, maar waarvan je direct weet dat je niet te ver moet doorwandelen. Dit wist ik vooral omdat deze passage niet zoveel toevoegt aan wat ik reeds had gevonden.

    kale001schr01_01_tpg

    Kaleis, een toegewijde leerling van de essayist, criticus en latere hoogleraar Hans Gomperts (één van de protagonisten in mijn proefschrift), herhaalt hier de kritiek die zijn leermeester uitte op de literatuurbenadering van de redacteuren van Merlyn. Het ‘bewust subjectivisme’ wordt in stelling gebracht tegenover een benadering die het niet langer over ‘schrijvers’ en over ‘persoonlijkheden’ heeft, maar over ‘teksten’ en ‘structuurelementen’. De ‘mate van objectiviteit’ waar Kaleis in bovenstaand citaat over rept, valt te begrijpen als een directe reactie op de objectiviteitsclaim van redacteur J.J. Oversteegen die met de gerichtheid op de structuur de literatuurbeschouwer (of preciezer, diens persoonlijke opvattingen die niets met de te behandelen tekst te maken hebben) buiten het onderzoek wenste te houden. Waar ‘objectiviteit’ voor Kaleis vooral lijkt samen te hangen met ‘eerlijkheid’, de openheid van de lezer over zijn eigen achtergrond en voorkeuren, daar lijkt het voor iemand als Oversteegen in de eerste plaats te staan voor een gerichtheid op het object, de literaire tekst zelf. Beide literatuurbeschouwers blijken een hele andere opvatting van objectiviteit te hanteren. Hanteren zij misschien ook een andere opvatting van subjectiveit?

    Nu ik de passage van Kaleis nog eens lees, en de historische context terzijde schuif, vraag ik mij af: in hoeverre geldt zijn beschrijving enkel de essayistische werkwijze? Noteerde ik zijn citaat misschien omdat ik het zo treffend vond voor het werk van iedere literatuurbeschouwer, ongeacht het genre waarin hij of zij werkt, academisch, essayistisch, literairkritisch. Zoals Oversteegen veel later schrijft in het toch wel vreemde want hybridische boek Anastasio en de schaal van Richter (1985): ‘Iedere onderzoeker is naar mijn oordeel tevens lezer.’ (p.19) Kaleis’ citaat nodigt uit deze constatering verder te trekken, want wat zijn de implicaties van het gegeven dat de onderzoeker tevens lezer is? Wat is de juiste onderzoekende houding of wat is ‘de grote kunst’ van zich ‘op de juiste wijze in te zetten’?

    Deze vraag riep bij mij het prikkelende artikel ‘Revanche of conflict?’ (Spiegel der Letteren 56 (4), 2014) in herinnering waarin Sven Vitse en Hans Demeyer pleiten voor een ‘agonistische literatuurstudie’. In dit artikel stellen de auteurs onder andere dat ‘wat niet waardevrij is niet waardevrij beschreven kan worden.’ (p.531) Elk literair verschijnsel verhoudt zich expliciet of impliciet tot de heersende maatschappelijke en literaire normen. Voor de beschrijving van dat verschijnsel geldt hetzelfde, want ook die dient zich te verhouden tot wat de auteurs in navolging van Chantal Mouffe de ‘hegemonie’ noemen. Het poëticale karakter van de literatuurstudie – waarmee wordt verwezen naar het gegeven dat de (literatuur)opvattingen van de onderzoeker altijd meespelen in diens onderzoek – kan met andere woorden niet worden ontkend. Vitse en Demeyer stellen dan ook voor dat de literatuurbeschouwer het inherente verband tussen onderzoeker en onderzoeksobject niet tracht te verdoezelen of probeert te overkomen, maar juist expliciteert. Een nieuw pleidooi voor bewust subjectivisme?