Blog

  • Uniek

    DSZ no. 23-24-028
    Nieuwe aandacht voor het uniekste tijdschrift uit de Nederlandse literatuur

    Het tijdschrift De Schone Zakdoek waart als een mythe door de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Niet alleen omdat De Schone Zakdoek het enige Nederlandse surrealistische tijdschrift was, maar ook, of eigenlijk vooral, omdat een nummer van het tijdschrift schaars goed was. Het verscheen namelijk tussen 1941 en 1944 in de bijzondere oplage van één exemplaar.

     

    De keuze voor de minimale oplage was een manier van de oprichters Gertrude Pape en Theo van Baaren om de tijdens de bezetting ingestelde censuur te omzeilen: omdat het verscheen in één exemplaar kon het simpelweg niet als officiële publicatie genoteerd worden. De Schone Zakdoek ontweek daarmee de verplichte registratie bij de Kultuurkamer, het door de bezetters ingestelde controle-instituut. De oplage van één exemplaar bracht echter nog een ander, inhoudelijk voordeel met zich mee. Het werd namelijk mogelijk om uniek beeldmateriaal zoals handgemaakte collages, foto’s en tekeningen op te nemen. Ondanks de beperkte omstandigheden en middelen konden Pape en Van Baaren op deze manier een zeer gevarieerd, fullcolour tijdschrift aanbieden, waarbij woord en beeld naast elkaar op de pagina stonden.

     

    Gedurende het driejarige bestaan van het tijdschrift hebben bijna veertig verschillende mensen meegewerkt. De belangrijkste medewerkers die ook na de oorlog nog zouden publiceren, naast de harde kern van Van Baaren en Pape, waren: dichter Ad den Besten, dichter-schrijver C. Buddingh’, dichter-tekenaar Chris J. van Geel, dichter-schrijver L. Th. Lehmann en schrijver-fotograaf-filmmaker E. van Moerkerken (pseudoniem Eric Terduyn).

    De enige exemplaren liggen tot de dag van vandaag veilig opgeborgen in de klimaatkasten van het Letterkundig Museum.

     

    Begin jaren ’50 had Cees Buddingh’, oud-medewerker van het tijdschrift, het plan opgevat om een bloemlezing van De Schone Zakdoek uit te brengen. Het bleef echter bij een plan. Het lukte hem niet de financiën rond te krijgen. “En misschien is dat ook maar het beste,” schrijft hij later in Buddingh’ van A tot Z. Ontmoetingen met Nederlandse en Vlaamse letterkundigen (1990), “legenden moet je niet tot werkelijkheid proberen te maken. Er zijn er al zo weinig.”

     

    In 1981 kon een breder publiek uiteindelijk toch een indruk krijgen van het tijdschrift. In dit jaar verscheen een bescheiden zwart-wit bloemlezing uit de verschillende jaargangen van de hand van oprichter Theo van Baaren. De bloemlezing was een dankbetuiging aan de literaire vrienden van Van Baren en Pape die tijdens de oorlog samenkwamen en die het maken van De Schone Zakdoek mogelijk maakten.

     

    Vorige week zaterdag 22 maart werd in de Nicolaikerk te Utrecht nummer 36/37 van De Schone Zakdoek gepresenteerd. Dit nummer werd gemaakt door vijfentwintig (voornamelijk Utrechtse) tekenaars. Hiermee geven zij – zeventig jaar na dato – een eerbetoon het uniekste tijdschrift uit de Nederlandse literatuur en wel op een manier die recht wil doen aan het kleurige en veelzijdige materiaal dat ieder nummer van De Schone Zakdoek rijk was. Ook dit nummer verscheen namelijk, jawel, in één exemplaar. Dit ene exemplaar is inmiddels alweer onderweg naar een klimaatkast in het Letterkundig Museum, maar niet voordat het volledig gedigitaliseerd werd. U kunt het nieuwe nummer van De Schone Zakdoek bekijken op de weblog:

    http://schonezakdoek.blogspot.nl

     

    Kijkt u vooral ook eens naar de eerdere stukken die verschenen op deze weblog waaronder foto’s van de omslagen van De Schone Zakdoek uit de eerste twee jaren, collages van Theo van Baaren, tekeningen van Gertrude Pape en één van de zeer jonge Gerdi Wagenaar, dochter van de kunstenaar Willy Wagenaar.

     

    Mocht u geïnteresseerd zijn geraakt in dit unieke tijdschrift en meer willen zien: op het moment loopt in het centraal museum de expositie ‘Surreële Werelden’ waarin tevens aandacht wordt besteed aan De Schone Zakdoek.

     

     

    Voor uw lichamelijke verkoudheid

    een schone zakdoek

    Voor uw geestelijke verkoudheid

    DE SCHONE ZAKDOEK

    (motto uit De Schone Zakdoek, nr.3)

     

    ***

    Afbeelding: collage van Theo van Baaren uit De Schone Zakdoek 23-24.

    Deze column verscheen eerder op Neder-L. 

  • kleine archiefcampagnes

    Verheugend nieuws! Het online literaire tijdschrift Samplekanon publiceerde gisteren vier van mijn ‘kleine archiefcampagnes’. Hoe het schrijven van een proefschrift niet alleen tot een proefschrift leidt…

    De gedichten zijn hier te lezen:

    samplekanon_logo_centered3

  • Wat er gebeurt tussen de verhalen

    DSC_0857~2Op woensdag 12 maart verzorg ik in het kader van de post-academische cursus ‘Recente Nederlandse en Vlaamse literatuur’ een lezing over K. Schippers’ laatste verhalenbundel Voor jou (2013).

    In de verhalen uit Voor jou gaat Schippers op zoek naar het model van de schilder Balthus, volgt hij de gang van de jonge Rudy Kousbroek door het centrum van Amsterdam naar school, snuffelt hij in de aantekeningen van de operateur van het Hallen Theater en bladert hij in het boek Reflections and Shadows van de tekenaar Saul Steinberg. De verhalen van zijn zoektochten probeert hij tot een geheel te componeren tijdens een verblijf als gastdocent in Brussel. Er is echter iets dat zich tussen de verhalen wringt, iets wat zich opdringt, iets wat het ritme van de verhalen verstoort… Op pagina 64 van de bundel wordt duidelijk wat dat ‘iets’ is:

    “Twee vrienden van me zijn ziek, Henk en Gerard, het voelt alsof ik ze in Nederland heb achtergelaten. Ik wilde het eerst buiten de verhalen houden, maar dat lukt me niet.”

    In mijn lezing, getiteld ‘Wat er gebeurt tussen de verhalen’, probeer ik uit te pluizen hoe de twee overleden vrienden van de schrijver (Gerard Brands en J. Bernlef) zich precies in de verhalen nestelen, hoe het spel met heden en verleden gespeeld wordt en of we Voor jou misschien moeten begrijpen als een ‘herinneringsroman’.

    IMG_20140305_125151

  • Allegro

    computer

    Het is verleidelijk om de sluiting van de Polare-winkels te zien als nekslag voor de Nederlandse boekenbranche en om vervolgens bij het bericht dat de Volkskrant het aparte katern ‘Boeken’ opheft en het nieuws dat Het Financieele Dagblad fictie-recensente Fleur Speet de laan uitstuurt, te vervallen in absoluut cultuurpessimisme. Toch kan ik niet anders dan dit soort berichten en de reacties daarop met vrolijke gulzigheid verzamelen. Het vormt de actuele achtergrond voor mijn onderzoek over de verhouding tussen literatuurkritiek en literatuurwetenschap. De literatuurwetenschap is immers, net zo zeer als de literaire kritiek op dit moment, aan grote veranderingen onderhevig (al voltrekken die academische veranderingen zich misschien iets trager dan die in het publieke veld). Door te kijken wat er op het gebied van de literatuurkritiek gebeurt, kunnen we ook de literatuurwetenschap beter begrijpen.

    ‘We leven in een kosmos van lawaai, op een zeer, zeer nieuwe wijze. (…) We begijpen niet zo goed waarom’ (12) schreef George Steiner in De toekomst van het boek (1990). We staan er middenin, hoe kunnen we het ook begrijpen? We kunnen niet eens ‘een intelligente verwachting uitspreken over dat wat ons te wachten staat’ (22). Niemand zal ontkennen dat het literaire bestel in razend tempo aan het veranderen is, nationaal en internationaal, en dat  we eigenlijk geen idee hebben wat er precies aan de hand is. Op zo’n moment hebben we een historicus nodig, stelt Steiner, of een zeer zorgvuldige sociologische studie. Steiner heeft de reputatie van cultuurpessimist (zijn ‘toekomst van het boek’ gaat eigenlijk over ‘het einde van geletterdheid’ aldus Cyrille Offermans) maar in zijn suggestie om ons te wenden tot de historicus kan ik me wel vinden. Al is het alleen al omdat het eventueel pessimisme  meteen relativeert.

    Zo stuitte ik vandaag op een artikel van Morris Dickstein getiteld ‘Journalism and Criticism’ uit 1985 waarin hij de verhouding journalistiek en literaire kritiek bekijkt in de naoorlogse periode. Het volgende citaat laat zien, dat de veranderingen die nu toegeschreven worden aan de digitale media – het e-book en bol.com maken de fysieke boekwinkel overbodig, literaire kritiek kan onbetaald bestaan op het internet of in Steiners meer visionaire termen: ‘De computer is geen apparaat, geen technisch stuk gereedschap: het is een nieuwe wereld.’ (22) – niet uniek zijn voor deze tijd of de huidige digitale ontwikkelingen:

    Reviewers have declined because reviewing outlets – newpapers especially – have disapeared and the producers of culture have develloped high-powered forms of publicity, notably television, which involve no risk of criticism what so ever. (148)

    Televisie heeft er niet toe geleid dat de kritiek verdween, net zo min zal internet de kritiek om zeep helpen. Wat de technische vernieuwingen wel doen is het krantenlandschap veranderen, toen en nu. De kritiek past zich daaraan aan. De geschiedenis herhaalt zich keer op keer en ondanks dat denken we toch steeds weer dat we in een nieuwe tijd leven. Het werk van de (literatuur)historicus is nooit af. En dat stemt vrolijk.

    ***

    Afbeelding: uit het boek Toen digitale media nog nieuw waren (2011) van Jak Boumans.

    Morris Dickstein. ‘Journalism and Criticism’. In: Gerald Graff and Reginals Gibbons. Criticism in the University. TriQuartely Series on Criticism and Culture. Northwestern University Press. 1985. pp.147-158.

    George Steiner. De toekomst van het boek. Een voordracht van George Steiner gevolgd door een beschouwing van Cyrille Offermans. Stichting CPNB: Amsterdam. 1990.

  • The Riddle of Unreadability

    ReveThis month I received the Conference Proceedings of the IRUN Graduate Conference (Peter Pasmany Katholic University). It contains a wide variety of lectures held by PhD’s in Social Sciences, Psychology and the Humanities.

    In my lecture entitled ‘The Literary Scholar as Literary Critic’ I took the opportunity to present my latest case study that deals with the infamous Huizinga-lezing of the Dutch scholar and critic Karel van het Reve ‘Literatuurwetenschap: het raadsel der onleesbaarheid’ (Literary Studies: the Riddle of Unreadability) (1978). It meant a frontal attack on the works of contemporary Dutch literary scholars and the way Literary Studies was practiced at that moment.

    What arguments does Van het Reve use to legitimate the profession of the literary scholar? What are the intertextual scientific traditions he places himself in? What normative statements does he make in respect to the scholarly enterprise of Literary Studies? And how can an analysis of a text like this help us to better understand the underlying norms and values that define the academic study of literature in general?

    The Conference Proceedings are published open access. The article ‘The Literary Scholar as Literary Critic’ can be read here (scroll to page 45).

  • Sprekers bekend Ravenstein 2014

    new materialismOp donderdag 6 en vrijdag 7 februari 2014 vindt het jaarlijkse Ravenstein Seminar plaats voor promovendi en research-masterstudenten met belangstelling voor literatuur en literatuurwetenschap.

    Zoals eerder aangekondigd is het thema dit jaar ‘Materiality of Literature’, waarmee we de vraag centraal stellen hoe literatuur bestudeerd kan worden in een veranderend medialandschap.  Met dit thema sluiten we aan bij debatten over de materialiteit van cultuur in het algemeen en de verwante vraag naar de functie van cultuur als herinnerings-medium.

    De sprekers van Ravenstein 2014 benaderen het onderwerp ‘Materiality of Literature’ vanuit verschillende perspectieven. Aan bod komen o.a. de invloed van nieuwe technologieën op het literaire medium, intermedialiteit, post-humanisme, digitalisering, veranderende leeservaringen en adaptaties.

    Erg verheugd zijn we met de toezegging van Iris van der Tuin en Rick Dolphijn (Universiteit Utrecht) die de Key Note lecture getiteld ‘The Subject of New Materialism’ zullen verzorgen. Van der Tuin en Dolphijn voerden de redactie over het mooie boek New Materialism (2012) waarin interviews zijn opgenomen met de belangrijkste wetenschappers werkzaam op het gebied van ‘New Materialism’: Rosi Braidotti, Emanual DeLanda, Karan Barad en Quentin Meillassoux. Daarnaast wordt in het tweede deel ‘Cartographies’  verkend hoe ‘New Materialism’ als een nieuwe denktraditie kan worden beschouwd. Thema’s die daarbij aan bod komen zijn o.a. transversality, sexual differing en posthumanism. Het boek is open access gepubliceerd bij de Open Humanities Press en hier te lezen.

    De overige sprekers van het Ravenstein Seminar 2014 zijn:

    • Jan Baetens (Katholieke Universiteit Leuven)
    • Kiene Brillenburg Wurth (Universiteit Utrecht)
    • Yra van Dijk (Universiteit Leiden)
    • Joyce Goggin (Universiteit van Amsterdam)
    • Jan Hein Hoogstad (Universiteit van Amsterdam)
    • Liedeke Plate (Radboud Universiteit Nijmegen)
    • Jessica Pressman (UCSD, San Diego)
    • Jan Rock (Universiteit van Amsterdam)

    Het Ravenstein Seminar is gratis toegankelijk voor alle PhD’s en  RMA-studenten die geïnteresseerd zijn in literatuurwetenschap. Ravenstein 2014 wordt georganiseerd door de Onderzoekschool Literatuurwetenschap in samenwerking met de Universiteit Utrecht.

    Meer informatie over Ravenstein is te vinden op de website: http://ravensteinseminar.wordpress.com/

    Of volg Ravenstein Seminar op facebook: https://www.facebook.com/RavensteinSeminar

  • Nieuwe kritiek

    n30

    ‘Hier geen wetenschappelijke verhandelingen of moeilijkdoenerij’ schreef Jeroen Mettes (1978-2006) op zijn blog Poëzienotities.

    Op het moment dat Mettes zijn blog begon in 2005 was hij bezig met het schrijven van een proefschrift over poëtisch ritme (The Poetry of the Formless). Poëzienotities werd een plek waar hij zijn gedachten over de recente Nederlandse poëzie publiceerde, niet in de bedachtzame, afstandelijke stijl van de literatuurwetenschapper (‘op mijn blog wil ik eigenlijk niet zo technisch en streng conceptueel zijn als ik denk dat een wetenschapper moet zijn’), maar in een stijl die ‘principieel bevooroordeeld’ is. Op Poëzienotities neemt Mettes met andere woorden stelling. Zijn inzet is daarbij hoog. In de Nederlandse poëzie ziet hij alles gesublimeerd wat hij afschuwelijk vindt aan Nederland, tegelijk verwacht hij juist van de poëzie een verzet tegen de holle woorden en oppervlakkige waarden van de (Nederlandse) neoliberale maatschappij: ‘Poëzie doet ertoe, niet zodra ze beter geïntegreerd is in de markteconomie en de ouwehoerindustrie, maar zodra ze zich daar effectief tegen weet te verzetten.’

    Door Mettes’ dood in september 2006 kwam er een vroegtijdig einde aan de blog.

     *

    In 2011 bracht uitgeverij De Wereldbibliotheek het nagelaten werk in boekvorm uit. Onder de titel Weerstandsbeleid werd een uitgebreide selectie uit de blogposts en enkele essays gebundeld. In een tweede deel N30+ werd Mettes’ lange, gelijknamige gedicht gepubliceerd.

    *

     Sinds november jongstleden is de website n30.nl online. De site is gewijd aan de nalatenschap en de receptie van het werk van Jeroen Mettes. Meer dan een online documentatiecentrum, biedt de site ook ruimte aan nieuwe bijdragen van dichters, essayisten en literatuurwetenschappers uit Nederland en Vlaanderen die zich door Mettes’ vernieuwende werk aangesproken voelen.

    De aanzet voor het Lexicon werd gegeven door de Amsterdamse Stichting Perdu in haar reeks ‘De Nederlandse poëzie in een wurggreep: Mettes-Lexicon I en II’. Dat Lexicon wordt op n30.nl gaandeweg aangevuld met nieuwe bijdragen, terwijl ook (on)gepubliceerde fragmenten uit Mettes’ nalatenschap en uit het onvoltooide, Engelstalige proefschrift The Poetry of the Formless digitaal beschikbaar worden gemaakt. Ten slotte biedt de website een zo volledig mogelijk overzicht van de ontvangst van de postume publicatie Nagelaten werk.

    Het werken aan n30.nl (onder redactie van Siebe Bluijs, Piet Joostens, Frank Keizer, Frans-Willem Korsten, Daniël Rovers en Marieke Winkler) gaat komende jaren door. Verschillende auteurs zijn gevraagd nieuwe lemma’s te schrijven. Recent toegevoegde lemma’s zijn van de hand van Dennis Gaens, Astrid Lampe en Cin Windey.

    *

    Naar aanleiding van de lancering verschenen berichten op o.a. de site van

    NRC (‘Website over dichter en criticus Jeroen Mettes gelanceerd’)

    VPRO boeken (‘Mettes de website’)

    en –gisteren nog– de Standaard (‘Mettes militant’).

  • Terug naar de tekst II.

    Social_network

    In het handboek Het leven van teksten (2006) stellen Brillenburg Wurth & Rigney dat sinds de jaren ’70 het besef steeds sterker is geworden dat literatuur bestaat bij gratie van de lezer. De literatuur-wetenschapper is niet alleen geïnteresseerd in de bijzondere structuur van het literaire werk maar vooral ook in wat mensen doen met literatuur. De literatuurwetenschapper houdt zich bezig met méér dan de literaire tekst: hij richt de aandacht op ‘het leven van teksten in de samenleving’ (11) en de manier waarop mensen door middel van verhalen betekenis geven aan de wereld om hen heen.

    Deze uitgesproken aandacht voor de cultureel-sociale context van literatuur maakt dat de literatuurwetenschapper (ook als hij het woord niet wil gebruiken) deels socioloog is. Dat was althans de prikkelende openingsstelling van de eerste OSL-bijeenkomst over ‘New Sociologies of Literature’. Als dit waar is, als de literatuurwetenschapper deels socioloog is, wat is dan precies het object van zijn studie? Kunnen we dan nog zeggen dat het studieobject van de literatuurwetenschap ‘de tekst’ is?

    De terugkeer naar de tekst impliceert dat we de tekst kwijtgeraakt zijn. Wanneer is dat gebeurt? Een mogelijk antwoord kan gevonden worden in het artikel ‘Everywhere and Nowhere: The Sociology of Literature After ‘the Sociology of Literature’’ (2010). Hierin geeft James F. English een historisch overzicht van de relatie tussen literatuurwetenschap en sociologie vanaf het begin van de jaren ’80, het moment waarop ‘the sociology of literature’ de literatuurwetenschap verovert. Onder invloed van het werk van o.a. Raymond Williams en Stuart Hall wordt literatuur niet langer op zichzelf beschouwd maar geplaatst binnen een breder cultureel veld.

    Door literatuur als onderdeel van de cultuur te zien, ging de literatuurwetenschap zich meer en meer richten op de sociologische effecten van literatuur. Benaderingen als het New Historicism en nieuwe onderzoeksgebieden als Queer Studies, Gender Studies en Postcolonial Studies kwamen in deze jaren tot bloei en hadden, volgens English, een duidelijke gemeenschappelijke, sociale missie:

    ‘to provide an account of literary texts an practices by reference to the social forces of their production, the social meanings of their formal particulars, and the social effects of their circulation and reception.’ (viii) 

    English wijst op het markante feit dat het verband met de sociologie als vrij snel niet meer werd geëxpliciteerd, ondanks de wijd verspreide opvatting dat literatuur bestudeert diende te worden als sociaal medium. Geen enkele literatuurwetenschapper zou zich na de jaren ’80 nog literatuursocioloog noemen: the sociology of literature was ‘everywhere and nowhere’.  Het weren van de term ‘sociologie’ uit de literatuurwetenschap schrijft English toe aan ‘the triumph of critical theory and the paradigm of “critique”’ (vii-viii) die de aandacht vestigden op close reading en esthetic ideology. De blik verbreedde zich, maar wat niet veranderde, was de primaire focus van de onderzoeker, die lag allereerst bij de interpretatie van de literaire tekst. Dit gold voor zowel de New Critics als het onderzoek dat zich ontwikkelde in lijn van de kritische (Marxistische) literatuurtheorie.

    Sinds enkele jaren echter wordt het traditionele paradigma van de kritiek volgens English effectief beconcurreerd door benaderingen die meer ‘beschrijvend’ willen zijn. Dit geldt overigens niet alleen voor de literatuurwetenschap maar voor de geesteswetenschappen in het algemeen. Onder andere het werk van de wetenschapssocioloog Bruno Latour (dat ook op de agenda stond van de eerste OSL-bijeenkomst van ‘New Sociologies of Literature’) past in deze tendens van meer beschrijvende wetenschappelijke benaderingen.

    In zijn Reassembling the Social (2005) gebruikt Latour de term ‘actant’ (ontleend aan de literatuurwetenschap) als alternatief voor de trem ‘agency’. De term ‘actant’ is volgens hem adequater, omdat het impliceert dat het bestudeerde gedrag afkomstig is van actieve betekenisgevers, niet van poppetjes in een onzichtbare machtsstructuur. We bestuderen geen ‘victims of social structure’ (55) maar willen de actant begrijpen in al zijn (on)berekende complexiteit. Onze taak is niet perse een kritische. Het getuigt niet alleen van een zekere verwaandheid om als wetenschapper te zeggen dat jij de mechanismen van een onderdrukkende sociale structuur (ideologie) bloot gaat leggen, het begrijpen van het subject als effect van een systeem doet ook het onderzoeksobject tekort, stelt Latour, omdat het de actant in een kader dwingt. Voor de literatuurwetenschapper zou dit concreet kunnen betekenen dat we ons rekenschap geven van alle verschillende rollen die een auteur vervult: hij is niet alleen dichter of romancier, maar ook journalist, redacteur of criticus, leraar of copywriter, hij beweegt zich in het politieke of kerkelijke circuit, maar is ook vader, vriend of echtgenoot. ‘[T]o follow the actants themselves’ (12) is volgens Latour dan ook voldoende:

    ‘Recording not filtering out, describing not disciplining, these are the Laws and Prohets.’ (55)  

     

    De constatering van English dat er op dit moment een verschuiving plaatsvindt van een kritische naar een meer beschrijvende literatuurwetenschap werkt verhelderend voor een antwoord op de vraag wanneer we de tekst zijn kwijtgeraakt. Het vermoeden rijst dat dit samenvalt met de verschuiving van een zogenaamde kritische naar een beschrijvende literatuurwetenschap. Het zou dan niet zozeer gaan om een verlies van de literaire tekst als centraal onderzoeksobject, maar om een behoud van het kritische programma.

    In het licht van deze observatie is de afkeer van sociologische benaderingen (inclusief kwantitatieve benaderingen) in de literatuurwetenschap te begrijpen als een noodzakelijke verdedigingsstrategie, aldus English:

    ‘As the largest discipline in the humanities, and the centre of its interdisciplinary formations, literary studies has shouldered much of the burden of critique and resistance to this encroachment, defending qualitative models and strategies against the naive or cynical quantitative paradigm that has become the doxa to higher eduction managment. Under these institutional circumstances, antagonism towards counting has begun to feel like an urgent struggle for survival.’ (xiii)

    De wens om terug te keren naar de tekst is in lijn met deze observatie niet alleen een vraag naar ons object (waar blijft de literaire tekst in het sociologisch georiënteerde literatuuronderzoek?) maar vooral ook een vraag naar de methode (als we alleen maar beschrijven en tellen, waarom zouden we dan literatuur bestuderen? Dan kunnen we het net zo goed hebben over wasmachines en hoe die betekenis aan ons leven geven), de aloude vraag dus of de bestudering van literatuur een eigen, kwalitatieve methodiek dient te hebben.

    Maar hoe zit het dan met de literatuurwetenschapper die zich bedient van methodes die, door een gerichtheid op het bijzondere en unieke van een tekst, probleemloos aansluiten bij een kritisch-hermeneutische traditie, maar die zich verder niet bezighoudt met primaire, literaire teksten? Als ik, met andere woorden, achttien dozen ongeordend archiefmateriaal van H.A. Gomperts voorgeschoteld krijg in het Letterkundig Museum en daar dag na dag doorheen ga, voel ik mij zeer sterk ‘teruggaan naar de tekst’. Wat ik echter óók tracht te doen is wat Latour noemt: to follow the actant himself. Het gaat mij om het begrijpen van de manier waarop critici en literatuurwetenschappers zich door de tijd heen gedragen –in deze formulering een typisch sociologische vraag­– en hoe zij het wetenschappelijk onderzoek naar literatuur verantwoorden. Mijn object is zondermeer de tekst en mijn benadering is tekstgericht. Wat wordt er in de roep om een ’terugkeer naar de tekst’ dan eigenlijk onder ‘de tekst’ verstaan?

    *

    Brillenburg Wurth, Kiene & Ann Rigney. Het leven van teksten. Een inleiding in de literatuurwetenschap. Amsterdam University Press: Amsterdam 2006.

    English, James F. ‘Everywhere and Nowhere: The Sociology of Literature After ‘the Sociology of Literature’’. In: New Literary History, Volume 41, Number 2. Spring 2010. pp. v-xxiii.

    Latour, Bruno. Reassembling the Social. An Introduction to Actor-Network Theory. Oxford University Press: Oxford 2005.

    Deze tekst is een vervolg op Terug naar de tekst I.

  • Materialiteit

    paper4‘If the book no longer exists as a carrier of information, it may exist to distribute something else.’

    Irma Boom (bookdesigner/artist)

     

    De voorbereiding voor het jaarlijkse Ravenstein Seminar voor promovendi en research master studenten literatuurwetenschap zijn in volle gang. Deze week hebben we een datum geprikt en de themaomschrijving afgerond. Op 5, 6 en 7 februari praten en discussiëren we samen met gevestigde én jonge wetenschappers over:

     

    ‘MATERIALITY OF LITERATURE’ 

    With the digitization of society, the form and function of the book as the central carrier of cultural information is changing rapidly. Nowadays literature and the literary experience have to compete with other media experiences and forms of cultural transmission, such as social media. How do new forms of media influence the structure of our perception? And in relation to literature, how are processes of reading and writing affected by these medial changes? These questions draw our attention to the materiality of literature: the differences (and similarities) between the works of print culture and electronic culture, between the experience of the physical book and the digital artwork and the different ways in which the book can be perceived as a concrete and tangible carrier of information. 

    The theme ‘Materiality of Literature’ wishes to place literature within a broader media field and emerging debates on the materiality of culture by focussing on this central question: how can and should literature and its effects be studied in a changing media landscape? With this theme Ravenstein 2014 wishes to address fundamental questions about media history, media specificity and the current form and function of literature.

     

    Het Ravenstein Seminar 2014 wordt georganiseerd in samenwerking met de Universiteit Utrecht. Het Ravenstein Seminar is een initiatief van de landelijke Onderzoeksschool Literatuurwetenschap (OSL).

     

     

     

  • Rabbit hole

    Hoi-feest hirsch

     

     

     

     

     

     

     

     

    Voor het nieuwste nummer van Dietsche Warande & Belfort dat deze maand verscheen schreef ik een essay over de dichtbundels Hoi feest (2012) van Ellen Deckwitz en Dolhuis. Natura Naturata (2012) van Lucas Hirsch. Twee heel verschillende bundels waarvan ik in eerste instantie dacht dat het zeer geforceerd zou zijn om ze op elkaar te betrekken maar die, wanneer naast elkaar gelezen, een mooie dialoog aangaan. De opening van het essay (ook hier te lezen op de site van DW B) geeft een eerste aanwijzing in welke richting het tweegesprek gaat:

     

    “Wanneer je de trein vanuit Utrecht naar het zuiden neemt en aan de linkerzijde naar buiten kijkt, zie je even voorbij het stationsgebouw een kleine grijze fietsenstalling passeren. Op de achterkant is met witte letters de volgende graffitileus geschreven: ‘Alles komt goed.’ De ‘G’ van ‘goed’ is niet alleen op zijn kop gezet, maar ook gespiegeld. Elke keer als ik de slogan lees, zie ik in de omkering van die ene letter een eigenwijs verzet: al zou de wereld op zijn kop staan en zou het spiegelbeeld van het goede worden getoond, dan nog komt alles goed. Zij het dat dit nieuwe ‘goede’ iets vervreemdends heeft. Het tekstverwerkingsprogramma op mijn computer herkent geen omgekeerde en gespiegelde ‘G’, er moet handwerk aan te pas komen om de leus weer te geven zoals de graffiti op de muur. Ik las in die trein naar het zuiden de jongste bundels van Ellen Deckwitz en Lucas Hirsch en vond in het eigenwijze verzet van de graffiti het element dat beide uiteenlopende bundels met elkaar verbindt.”

     

     

    Het vervolg van het essay ‘Down the rabbit hole (dan komt alles goed). Over Hoi Feest van Ellen Deckwitz en Dolhuis. Natura Naturata’ is te vinden in de papieren versie van DW B 2013 4. De integrale versie komt later online op de site van DW B.

     

    Het nummer wordt op vrijdag 11 oktober gepresenteerd in Perdu, Amsterdam.

    Zie hier voor het programma.