
Tussen 1961 en 1968 verscheen onder redactie van Rob van Gennep, Johan Polak en Th.A. Sontrop de paperback reeks Kartons. De serie bracht naast werk van debuterende dichters waaronder Rein Bloem, Jacques Hamelink en H.C. ten Berge en vertalingen van buitenlandse schrijvers zoals K.P. Kaváfis en Lius de Camoëns, een aanzienlijk aantal bundelingen van literair- en cultuurhistorische essays. Vaak ging het om heruitgaven van oudere teksten, zoals de Schrijfsels en schrifturen van historicus J. Presser of de kritisch-historische opstellen van de comperatist J. Kamerbeek. Maar ook nieuwe studies zoals Wisselend getij (1964) van Jenne Clinge Doorenbos over de dichterlijke en politieke activiteiten van Herman Gorter en N.A. Donkersloots Lotgevallen van een dichterschap (1965) over de receptie van Leopold vonden er een onderkomen.

Waar paperbackseries als de Ooievaarpockets (Bert Bakker) en de Stoareeks (Van Oorschot) inmiddels een plaats hebben verworven in de literatuurhistorische en boekwetenschappelijke overzichten daar blijven de Kartons ongenoemd. Dit terwijl het aan contemporaine waardering niet ontbrak. Kees Fens noemde de Kartons in 1964 ‘een mooie reeks (…) die het waagt boven het gegons van de actualiteit uit te gaan’. Fens had bedenkingen bij ‘de macht der paperbacks’, maar prees de kwaliteit van deze serie. Ook Pierre H. Dubois schreef positief over de reeks, in het bijzonder over de keuze van de titels. Het ging volgens hem om ‘literaire curiosa’: ’teksten (…) welke men anders niet zo gauw of niet zo gemakkelijk onder ogen krijgt’.
Hoe functioneerde de Kartons als instrument om moeilijk toegankelijke teksten beschikbaar te maken voor een breder publiek? Welke functies vervulde de reeks in relatie tot het fonds van de jonge uitgeverij Polak & Van Gennep en het door diezelfde uitgeverij uitgebrachte tijdschrift Merlyn (1962-1966)? En wat levert bestudering van deze door de literatuurgeschiedenis vergeten boekenreeks op als we haar begrijpen in de context van de literaire cultuur in de jaren zestig? Deze vragen komen aan bod in het artikel ‘Paperbacks met pretentie’ dat Mathijs Sanders en ik schreven voor Uit de marge. Kanttekeningen bij de cultuurhistorische canon (2018).

Uit de marge verscheen vorige maand bij uitgeverij Verloren ter ere van het afscheid van Erica van Boven als hoogleraar Letterkunde aan de Open Universiteit. Leidmotieven zijn de spanning tussen high, middle en lowbrow, de argwaan jegens bestsellers, het grillige verloop van reputaties en de tijdloosheid van de culturele omnivoor.
De bijdragen zijn geïnspireerd door Erica van Bovens pleidooi voor onderzoek naar populaire cultuuruitingen en vormen samen een kleine geschiedenis van de smaak van het brede publiek.
***
Afbeelding: Johan Polak en Rob van Gennep in het kantoor van uitgeversmaatschappij Polak & Van Gennep, april 1967.












