Categorie: toekomst

  • De stad als palimpsest

    Wat is een stad? Deze vraag staat centraal in het nieuwste themanummer van het literatuurwetenschappelijke tijdschrift Vooys. Met bijdragen van o.a. Daan Wesselman, Bram Caers en Rona Loeffen. In onze bijdrage aan dit themanummer belichten Marjolein van Herten en ik het bloeiende onderzoeksveld van de literary urban studies en analyseren we vanuit die hoek twee toekomstromans die reflecteren over het einde van de stad: De eerste hond in de ruimte (2010), de debuutroman van Jeroen van Rooij over een grote Europese stad waarvan de laatste dagen zijn geteld en het met de Boekenbon literatuurprijs bekroonde Gebied 19 (2023) van Esther Gerritsen waarin het grootste (én vitaalste) deel van de bevolking is getransporteerd naar planeet T01-700 D, een ruimere en schonere versie van de oorspronkelijke aarde die zo goed als opgebruikt is.

    In onze analyse hanteren we het metaforische begrip palimpsest als leidraad om na te gaan hoe de stedelijke ruimte van de toekomst in beide romans wordt verbeeld, zowel op inhoudelijk niveau (the material city as palimpsest) als op het niveau van de representatie (the represented city as palimpsest) en het niveau van de geschiedenis (urban literary history as palimpsest): hoe verhoudt de verbeelding van de toekomstige stad zich tot de stadsbeelden die in het verhaalheden tot het verleden behoren? En wat staat er met het verbeelde naderende einde van de stad op het spel: het einde van de wereld – zoals een bekend cli-fi motief wil – of het einde van ‘een’ wereld, en welke wereld dan?

    Lees het in de nieuwste Vooys!

    Marieke Winkler & Marjolein van Herten, ‘Gelaagde toekomst. De stad als palimpsest in De eerste hond in de ruimte (2010) en Gebied 19 (2023)’, in: Vooys 43.1, 2025.

  • Verschenen: Utopia, Equity and Ideology in Urban Texts – Fair and Unfair Cities

    Deze zomer verscheen Utopia, Equity and Ideology in Urban Texts. Fair and Unfair Cities, het nieuwste deel in de Literary Urban Studies (LIURS)-serie van Palgrave MacMillan. Het boek volgt op het congres (Un)Fair Cities. Equity, Ideology and Utopia in Urban Texts dat in december 2019 in Limerick georganiseerd werd door de Association for Literary Urban Studies en het Ralahine Centre for Utopian Studies.

    In ‘Imaginaries of the Future City: Envisioning Climate Change and Technological Cityscapes through Dutch Contemporary Speculative Fiction’ dat als hoofdstuk is opgenomen in dit boek, beschrijven Marjolein van Herten en ik de opkomst en ontwikkeling van de toekomstliteratuur (future novel) en speculatieve fictie in Nederland, en de recente opleving daarvan in boekhandel én academische literatuurstudie.

    In het hoofdstuk bespreken we acht Nederlandse teksten die verschenen tussen 2014 en 2021: Weerwater (2015) van Renate Dorrestein; Kop uit het zand (2016) van Jan Terlouw; In alle steden (2017) van Aukelien Weverling; Klont (2017) van Maxim Februari; De goede zoon (2018) van Rob van Essen; Concept M. (2018) van Aafke Romeijn; Het boek van alle angsten (2020) van Emy Koopman; en KliFi. Woede in de Republiek Nederland (2021) van Adriaan van Dis.

    De focus ligt daarbij enerzijds op de manier waarop de stedelijke en natuurlijke leefomgeving wordt verbeeld. In hoeverre wagen Nederlandse auteurs zich aan de verbeelding van fantastische nieuwe werelden of blijven zij toch liever ‘dicht bij huis’ (en waarom dan)?

    Anderzijds zijn we benieuwd hoe de nieuwe interesse in extrapolatie (het verlengen, intensiveren of uitbreiden van elementen uit het heden naar een toekomst of alternatief heden) wordt verbonden aan het recente debat over Nederlandse klimaatfictie. Daarin gaan we, thematisch en formeel, op zoek naar elementen van ‘utopian hope’. Welke elementen van ‘utopian hope’ vallen te herkennen naast de duidelijke dystopische impuls in Nederlandse speculatieve (kilmaat)fictie?

    Benieuwd naar onze bevindingen? Lees dan het hoofdstuk:

    Marieke Winkler and Marjolein van Herten (2023). ‘Imaginaries of the Future City: Envisioning Climate Change and Technological Cityscapes through Dutch Contemporary Speculative Fiction’, in: Michael G. Kelly and Mariano Paz (eds.) Utopia, Equity and Ideology in Urban Texts. Fair and Unfair Cities. Palgrave Macmillan Cham. ISBN 978-3-031-25854-1. https://doi.org/10.1007/978-3-031-25855-8

    In this chapter, we address the flourishing and fast-growing production of future novels within contemporary Dutch literature since 2014. We analyse the ways in which Dutch authors use the technique of extrapolation to envision the urban/natural environment of the future, focused on a corpus of eight future novels from the period 2015–2021. First, we argue that, by indicating and comparing both spatial and temporal ‘reality markers’, speculation in contemporary Dutch literature tends to stay ‘close to home’. Second, we demonstrate that, overall, the themes of climate change and technologization are represented as highly intertwined in diverse constellations. In addition, we try to determine in what way the stories under investigation give both formally and thematically expression to a utopian impulse: Overall, do they show utopian elements or is the urban experience predominantly dystopian?

  • 2022: het nieuwe normaal (2)

    In zijn essay Werelden van tijd (2003) staat Hans Achterhuis stil bij het veranderende tijdsbesef van de moderne mens. Hij beschrijft hoe aan het einde van de Middeleeuwen, ergens tussen 1270 en 1500, een cyclisch tijdsbegrip plaats gaat maken voor een lineaire opvatting waarin onze tijdsbeleving is gericht op een toekomst. Met dit toekomststreven is, aldus Achterhuis, de bodem gelegd voor het moderne, utopische vooruitgangsdenken.

    In zijn essay, dat is gericht op het begrijpen van dit moderne tijdsbesef tegen de achtergrond van de verregaande globalisering, vermeldt Achterhuis vrij terloops de studie Das Leben als letzte Gelegenheit (1993) van de Duitse pedagogisch onderzoeker Marianne Gronemeyer. Hij noemt de studie omdat Gronemeyer, anders dan Achterhuis zelf, een veel exacter moment aanwijst waarop het lineaire tijdsbegrip het cyclische vervangt. Volgens Gronemeyer namelijk valt de ommekeer te situeren in de catastrofe van de pestepidemie, die tussen 1348 en 1351 de Europese bevolking decimeerde. Het is in deze jaren die werden getekend door de ontredderde ervaringen met de Zwarte Dood, dat volgens haar het besef opkomt dat we goed of ‘nuttig’ gebruik van onze tijd moeten maken. Hieronder rekent zij bijvoorbeeld ook het opkomende streven naar levensverlenging en naar tijdsbesparing.

    Achterhuis gaat verder niet in op het verband tussen de pestepidemie en de mogelijke ommekeer in tijdsbeleving (het is duidelijk dat hij het wat vergezocht vindt en dat hij liever van een langzame ontwikkeling spreekt dan van een ommekeer), maar wie al twee jaar zit opgescheept met de coronapandemie, veert op bij deze passage. Dat gebeurde mij althans. De gedachte dat ook de huidige pandemie wel eens een diepgravende invloed kan hebben op ons tijdsbesef lijkt mij behoorlijk voorstelbaar, heeft corona immers niet een stevige stok gestoken tussen de spaken van het toekomstdenken?

    De ‘stip op de horizon ontbreekt’ klonk het afgelopen maanden geregeld in de berichten over de impact van de coronamaatregelen. In de eerste plaats vanuit de sectoren die het langst gesloten bleven (cultuur, horeca, evenementenbranche) of die nu nog steeds niet open kunnen (de nachthoreca). Maar ook vanuit jongeren en studenten klinkt dit geluid al sinds de eerste lock down. In zijn eerste persconferentie van 14 januari jl. besteedde Ernst Kuipers expliciet aandacht aan de jongeren. Hij benadrukte dat 1 op de 3 mensen tussen 16 en 24 jaar last heeft van gevoelens van eenzaamheid en uitzichtloosheid. Uit de Monitor Mentale Gezondheid en Middelengebruik Studenten kwam vorig jaar al naar voren dat een groot deel van de studenten kampt met psychische problemen ten gevolge van de beperkende maatregelen. In plaats van hun vormende jaren te leven, hebben ze het gevoel in de wachtkamer te zitten om er vervolgens achter te komen dat ze de boot hebben gemist.

    De behoefte aan een lange termijnplan is groot, maar hoe legitiem ook, na twee jaar is het tevens duidelijk dat ieder stappenplan of iedere routekaart verkruimelt bij de grilligheid van het virus. Die mooie maar wijkende toekomst waar ons lineaire tijdsbegrip op is gericht, lijkt simpelweg verdwenen. De coronacrisis laat zodoende zien wat we al langer wisten, namelijk dat de lineaire tijd en het utopisch vooruitgangsdenken tegen zijn grenzen loopt. We kunnen dit zien als een gemis, maar ook als een kans, zeker voor het hoger onderwijs zo betoogt Wim Kremer in de bundel Nooit meer dansen? De veilige stad in tijden van pandemie (2021). In zijn essay ‘Coronacrisis in perspectief. Academisch onderwijs op zoek naar het ‘nieuwe normaal” stelt hij onder meer dat

    …juist deze uitzonderlijke situatie waarin corona ons heeft gebracht en die onvergelijkbaar is met iedere andere situatie die jonge mensen hebben meegemaakt, aanleiding zou kunnen zijn om aandacht te vragen voor de vraag hoe het onderwijs, juist nu, mensen moet vormen en toerusten om nieuwe dingen te bedenken en nieuwe wegen te ontdekken. (p.165)

    Misschien moeten we, om deze opdracht echt goed uit te kunnen voeren, in analogie met Gronemeyers hypothese, meteen ook uitkijken naar de contouren van een nieuw tijdsbegrip. Niet een lineair begrip van tijd, maar een tijdsbegrip dat uitdrukking geeft aan het gevoel continu in het turbulente heden te leven zonder duidelijke stip op de horizon, een heden dat zich kenmerkt door parallelle stromingen, analoog en digitaal, door gelijktijdigheid (in professionele sferen opmerkelijk genoeg juist aangeduid als ‘a-synchroniciteit’, zie ook mijn vorige blog).

    Het vaststellen van een eindpunt heeft dan niet zoveel zin, beter is het misschien, zoals onlangs in de Volkskrant werd geopperd, om ‘mee te surfen op de golven van corona’ en de bezigheden meer aan te passen aan het verloop van de (griep)seizoenen. Voor het onderwijs lijkt mij dat alvast een heel hoopgevend – ja, toch weer dat utopisch denken! – uitgangspunt waar we ook goed handen en voeten aan kunnen geven, zoals de auteurs voorstellen: zorg dat de perioden waarin het virus zich mogelijk koest houdt in het teken staan van analoog werken en socialiseren, wanneer de herfst zich aandient en de winter op komst is, kan er effectief overgeschakeld worden naar volledig online. Ik houd er alvast rekening mee voor het plannen van mijn onderwijs na de zomer. Tegelijkertijd lijkt het mij belangrijk om met studenten en docenten het gesprek te voeren over hoe het nieuwe onderwijs – of beter: het nieuwe leren – eruit kan zien en is het van belang daarin ook te durven experimenteren. Willen we uit de wachtkamer komen dan moet het ‘nieuwe normaal’ tenslotte meer zijn dan een online versie van het oude normaal, geen vervanging maar een alternatief.

  • CfP special issue ‘Narratives & Climate Change’

    Following up on our workshop ‘Narratives & Climate Change’ of June 2020 we are composing a special issue together with the peer-reviewed, international and multilingual online journal Interférences litteraires/literaire interferenties.

    Thematic focus and key questions:

    Within the current debate on the societal and environmental impact of climate change scientists and policymakers as well as artists stress the importance of producing compelling narratives to envision a safe future society. Especially speculative fiction – the genre that explores possible futures – plays an important, integrating role in imagining and engaging with the implications of climate change: not only do fictional narratives offer a great opportunity to engage readers on a personal level with the complexities and scale of climate change, they also prove to be productive in policy making practices and in mediating calculated, data-driven climate scenarios (Hajer 2005; Hulme 2009; Thomas 2013; Moezzi a.o. 2017; Johns-Putra 2016 and 2019).

    This special issue sets out to investigate the integrative power of speculative fiction, focusing in particular on the intersection between literature and environmental sciences by focusing on the following key questions:

    1. How to conceptualize the role that narratives play in bringing the global scale of climate change into the realm of the personal?
    2. How do fictional narratives co-produce reality and contribute to the public debate, to governance or vice versa to (environmental) science? Are narratives indeed to be understood as means (‘productive fictions’) to encourage awareness and even foster behavioral change (‘risk related affect’, learning)?
    3. What narrative techniques (e.g., the use of metaphors, allusion or extrapolation) are used in both scientific and artistic discourse to envision the consequences of climate change? How do they differ in use, where do they overlap? How do both utopian and dystopian storylines relate to ‘eco-anxiety’ and the wish to go beyond eco-paralysis? How and why do utopian or dystopian future scenario’s manifest themselves within approaches from the different fields of study?

    Practicalities:

    Interférences litteraires/literaire interferenties (ISSN 2031-2970) is a peer-reviewed, international and multilingual online journal (DOAJ) devoted to the interaction between literature and cultural and societal practices. For more information see: http://www.interferenceslitteraires.be/index.php/illi/index.

    Researchers from literary and cultural studies with a focus on environmental humanities and sciences are invited to contribute full-length articles of approximately 8-10.000 words incl. footnotes and references. We particularly promote diversity in terms of theoretical frameworks and geographical contexts. We especially encourage non-English contributions (e.g. French, German, Spanish).  

    If you are interested in contributing, please send an email to ClimateNarratives@ou.nl by April 16th, 2021 including an abstract (ca. 250-500 words) and a short bio (max. 200 words). The outcome of the selection process will be communicated before May 9th, 2021. We are expecting completed contributions by December 1st, 2021 after which the journal’s peer review procedure will start. The issue is planned for Spring 2022.

    Editorial note:

    The proposal for this issue follows up on the international workshop ‘Narratives & Climate Change’ held online on June 25th-26th, 2020 (Open University). The workshop is part of the research network project ‘Imaginaries of the Future City: Envisioning Climate Change and Technological Cityscapes through Contemporary Speculative Fiction’. More information on the network project is to be found on our webpage: https://www.ou.nl/en/the-safe-city-imaginaries-of-the-future-city

    References:

    Hajer, M.A. (2005). ‘Rebuilding ground zero. The politics of performance’. Planning theory & practice, 6(4), 445-464.

    Hulme, Mike. (2009). Why we disagree about climate change. Cambridge University Press. 

    Johns-Putra, A. (ed.) (2016). Climate and Literature. Cambridge Critical Concepts Series. Cambridge University Press.

    Johns-Putra, A. (2019). Climate Change and the Contemporary Novel. Cambridge University Press.

    Moezzi, Mithra, Kathryn B. Janda, Sea Rotmann. (2017). ‘Using stories, narratives, and storytelling in energy and climate change research’. Energy Research & Social Sciences, Vol.31, 1-10.

    Thomas, P.L. (ed.) (2013) Science Fiction and Speculative Fiction. Challenging genres. Sense Publishers, Rotterdam/Boston. 

  • Burgers, buurt en toekomstbeelden

    Op donderdagochtend 22 oktober liep ik door een uitgestorven Utrecht, van Springweg via de Oude Gracht naar Paushuize waar het symposium ‘Burgers, buurt en toekomstbeelden‘ om 10:00 zou beginnen. De dag stond in het teken van ‘De Veilige Stad’, het interfacultaire onderzoeksprogramma dat sinds twee jaar loopt aan de Open Universiteit.

    Verschillende onderzoekers binnen het project gingen in gesprek met mensen uit het werkveld, zo spraken collega’s Frank Inklaar en Imke Smulders met coördinator buurtbemiddeling Marianne Grooten, ging collega Jasper Bongers in gesprek met Hans Spekman (PvdA, Jeugdeducatiefonds) over Hoog Catharijne en drugsproblematiek en nodigde collega Jilt Jorritsma, Sophie Moinier van Deltares uit om te spreken over de terugkeer van de natuur in de stad. Zelf had ik een leuk en boeiend gesprek met Sonja van der Arend, auteur van o.a. de waterkwaliteitsroman Een otter in Brussel (2013).

    Van der Arend gebruikt fictieschrijven als een manier om meer inzicht te krijgen in complexe (beleids)vraagstukken zoals – in het geval van Een otter in Brussel – de implementatie van de Europese Kaderrichtlijn Water. Fictie past, volgens haar, veel beter bij de beweeglijkheid en complexiteit van beleid dan de formats van academisch proza. Bovendien is het uitermate geschikt om de inzichten verkregen uit onderzoek toegankelijk te maken voor een breder publiek. Het fictieschrijven is daarbij allerminst een solipsistische aangelegenheid; het verhaal ontstaat in samenspraak met anderen, betrokken burgers, beleidsmakers, gemeenteraadslieden, eventueel Haagse of Brusselse politici. ‘Samen bedenken we de hoofdpersonages, hoe zien die eruit, wat zijn hun werkomstandigheden, wat is hun thuissituatie, maar ook de plotwendingen, welke tegenspelers kom je tegen, welke bezwaren en obstakels, welke openingen’.

    Het levert herkenbare protagonisten op (althans voor milieubeleidsmedewerkers) en (voor iedereen) herkenbare en vaak komische kantoorsituaties. Ook brengen haar romans zeer gespecialiseerde kennis, zoals bijvoorbeeld over de aquatische ecologie, op een toegankelijke manier voor het voetlicht.

    Vanuit literatuurwetenschappelijk perspectief biedt haar werk een totaal nieuw want andersoortig voorbeeld van wat we doorgaans onder ‘klimaatfictie’ verstaan, veelal dystopische romans bevolkt door piekerende hoofdpersonages die zich een wereld voorbij de mens proberen voor te stellen. Van die dystopische tendens moet Van der Arend niet zoveel hebben. Het brengt ons niet veel verder, want versterkt alleen maar gevoelens van schaamte en schuld, vanuit die gevoelens wordt handelen erg moeilijk.

    Het symposium was de wandeling door de veilige ‘onveilige’ stad meer dan waard. Ik hoop dat we nog eens spreken.

    Wordt vervolgd…

    Jilt Jorritsma in gesprek met Sophie Moinier, 22 oktober 2020

  • Vondsten en vergezichten

    nieuwe wegen

    De 136ste jaargang van het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (TNTL) bevat de eerste aflevering van een nieuwe rubriek, ‘Vondsten en vergezichten’, waarin ruimte wordt geboden aan kortere bijdragen die bijvoorbeeld een interessante ontdekking presenteren of die meer opiniërend of essayerend van aard zijn. Mathijs Sanders (Rijksuniversiteit Groningen) en ik schreven voor deze eerste aflevering een reviewartikel. Naar aanleiding van recente Engelstalige publicaties van o.a. Rita Felski en Joseph North gaan we op zoek naar nieuwe wegen voor de academische literatuurstudie in Nederland.

    Op neerlandistiek.nl verscheen een voorpublicatie.

     

     

  • Nachtegalen op hopen van compost

    De stad van de toekomst in Niemandslandnacht (2018) van Annemarie Estor.

    Changi

    De stad Orb is een lichtend middelpunt in een smoezelig, composterend landschap. Een stad van kristal. Helder, schoon, zuiver. Zo lezen we in Niemandslandnacht (2018), de jongste dichtbundel van Annemarie Estor:

     

    Orb ligt in het landschap
    als een lichtende kroon
    een roemrijke koepel, mythisch rijk.
    Men zegt
    dat de mensen er glanzen.
    Dat de duiven worden geruimd
    en de wind er wordt geweerd.
    Dat er garanties bestaan.

     

    Naast alle guirlandes in de lucht en nanodeeltjes goud in de bloedbanen van de bewoners, wordt ook meteen duidelijk dat voor alle schitterende perfectie een prijs moet worden betaald. Onder de koepel van Orb wordt het oog gecontroleerd en de mensen weten het. Althans, Pili, een zestienjarige inwoner van Orb, weet het:

    Ik scherm mijn ogen af met mijn hand
    en draai mij om, kijk recht een spiegel in.
    Een gezicht heb ik niet. Ik ben perfect,
    als iedereen.

    Pili heeft niets te verbergen en dat geldt voor alle inwoners: ‘…niets achter me, / zoals wij allen hier / niets achter ons hebben.’ Daarmee vormt de samenleving in Orb een letterlijke uitbeelding van een veelgehoorde reactie op berichten over de verregaande controle van instanties als de NSA of bedrijven als Facebook: zorgen omtrent privacy wuiven we vaak weg onder het mom dat we ‘toch niets te verbergen’ hebben. De surveillancemaatschappij van de toekomst is in Niemandslandnacht een griezelige werkelijkheid geworden. De Orbeanen hebben geen keus; er valt niets te verbergen. Op het hebben van vuile gedachten staan straffen, net als op verzinsels. ‘Onze ogen zijn gestut / opdat wij focussen op waardige horizonten’. Zelfs witte duiven worden uit de lucht geschoten om het zicht helder te houden. Pili stopt stiekem zo’n geschoten witte duif in haar tas.

     

    Grout

    Om de koepelstad Orb ligt een niemandsland omringd door een muur. Het niemandsland onttrekt de blik aan al het afval dat de prachtstad afstoot. Achter de muur, zo wordt al snel duidelijk, liggen de resten van het leven in Orb onverschillig te ruften.

    Manila slum

    Dit is het domein van de donkere, mistige sloppen van Grout, waar het rommelt, dampt en broeit. Het is echter niet enkel een wereld van ontbinding. Op de composthopen van Grout hebben de bewoners scharminkelige tuinhuizen opgetrokken en wonderwel manieren gevonden om voedsel te verbouwen op de stinkende grond.

    Systeembeheerders telen tijm en steranijs,
    beleggers kruisen cox’s orange pippins met elstars,
    bewakers worden gladiolenboeren,
    gevallen yuppen worden imkers:
    ze slaan de stropdas over de schouder
    en beginnen verwoed te slingeren,
    achter onooglijke vensters,
    boven hooiwagenmassagraven, bij peertjeslicht.

     

    Duiven worden in Grout niet uit de lucht geschoten, maar gemolken.

     

    Achter het uiterlijk van de sloppenwijk schemert gaandeweg een meer exotische wereld van kraampjes, kleuren en etensdampen. Wanneer Pili in Grout op zoek gaat naar haar biologische moeder, betreedt zij, samen met haar gids, juffrouw Valeria, een tent die flonkerend vol slingers en lampionnen hangt, ‘een India op kousen’. Hier bezoeken zij het duo Fakir Rafraf en Douz, een oudere dame met neusbel, sari en hangbuik, dat Pili meer weet te vertellen over haar afkomst en familie. Een enorme schok voor het meisje, dat tot het moment dat zij een duif in haar tas stopte en haar juffrouw daarmee confronteerde, van niets wist, want: ‘Niemand heeft een moeder’ in Orb.

     

    De zoektocht van Pili naar haar afkomst en de ontrafeling van de relatie tussen haar moeder Roza uit Orb en haar vader Radu uit Grout vormen de rode draad in de wervelende toekomstwereld van Niemandslandnacht. Er valt nog veel meer te zeggen over de plotontwikkeling, thematiek en motieven in deze uitgesproken narratieve bundel, over de aanduiding crime-poem op de omslag bijvoorbeeld, of over de vorm, zoals het typografisch contrast tussen de handgeschreven gedichten van Roza in de bundel en de staccato computertekens van de ‘sensoren’ die waken over het niemandsland. Ondanks de spanning en overweldigende beeldenregen bleven mijn ogen steeds haken achter de schematische weergave van Orb en Grout. Waarom is het beeld van de stad in toekomstnarratieven toch zo statisch en weinig gevoelig voor verandering?

     

    Orb-e-Grout

    Met de tegenstelling tussen het smetteloze en technologisch geavanceerde Orb enerzijds en het donkere, smützige Grout anderzijds toont Niemandslandnacht zich schatplichtig aan de dominante iconografie van steden in toekomstscenario’s en -vertellingen. Waar Orb grote gelijkenis toont met de smart city van de toekomst zoals die valt te herkennen in huidige trends in architectuur en stadsplanning (denk aan public green spaces zoals op de afbeelding van Jewel Changi Airport bovenaan dit stuk), daar schurkt Grout dicht aan tegen de prototypische representatie van de stad in science fiction en (post)apocalyptische romans en films. Van Metropolis tot Blade Runner 2049: de stad van de toekomst, is altijd donker, rokerig en meestal ronduit smerig. De strikte verdeling tussen diverse bevolkingsgroepen, weerspiegeld in de indeling van de stad vormt eveneens een terugkerend element in dit soort verhalen. Indringend is de manier waarop de segregatieproblematiek bijvoorbeeld wordt uitgewerkt in de sci-fi mocumentary District 9. Garnaalachtige buitenaardse wezens hangen verzwakt in een ruimteschip boven Johannesburg en worden, onder het mom van (non)’humanitaire hulp’, door mensen naar de aarde gehaald en ondergebracht in een vluchtelingenkamp. In het kamp steken conflicten en criminaliteit al snel de kop op. Omheiningen en prikkeldraad worden aangebracht, de bewaking wordt verzwaard. De grens tussen vluchtelingenopvang, sloppenwijk en gevangenkamp vervloeit.

    District 9

    In recente Nederlandse toekomstromans als Slaap zacht Johhny Idaho (2015) van Auke Hulst en In alle steden (2017) van Aukelien Weverling wordt tevens nagedacht over de verdeling van privileges en kapitaal, en hoe die bestendigd ligt in de organisatie en structuur van de stad. Overigens is een fascinatie voor cartografie ook in Niemandslandnacht aan te treffen: de bundel opent met een getekend plan van Orb en sluit met die van Grout.

     

    Anders dan een werk als District 9 lijkt het in Niemandslandnacht niet primair te gaan om het fileren van of kritisch reflecteren op de grote ongelijkheid in complexe stedelijke samenlevingen. Bekende tegenstellingen worden juist nog dikker aangezet. Hoe smeriger Orb, hoe glanzender Grout. Hoe weelderiger en wulpser Grout, hoe gepolijster en gemanipuleerder de kristalstad. Esthetisering van de vuiligheid dient met andere woorden vooral een literair doel ­– overeenkomstig met de blik van Roza die op de kluiten aarde nachtegalen ‘ziet glanzen van geluk’. Hoe hoopvol deze boodschap ook is, soms leidt de neiging het mooie in de vuiligheid te zien tot nogal ongelukkige montages. Bijvoorbeeld wanneer tussen de tentenkampen, uitlaatgassen en golfplaten een weelderige groentekraam opduikt met een grote luifel tegen de zon. De winkel toont ‘Waanzinnig groen, / een doos vol vers geoogste munt’. De kleurige groentekraam in combinatie met het invalide hulpje van de groenteboer die rare liedjes rijmt, lijkt een allusie op de kraam van groenteboer Collignon uit de film Amélie.

    Amelie groentekraam

    Montmartre op de puinhoop van bewoonde vuilnisbelten à la Manila?

     

    Dit soort collages wijzen erop dat de stedelijke setting in Niemandslandnacht slechts een futuristisch – zij het uitermate spectaculair! – decor vormt voor het verhaal van afkomst en verwantschap. Het verhaal van Pili, maar ook van Roza en haar geheime, vurige liefde voor Radu, haar zwangerschap en gedwongen abortus. ‘Ze zullen komen en waarschijnlijk gauw. Heet ik Roza, of heet ik nu Anomalie?’ In Orb wordt voor de vruchtbare vrouw bepaald wie haar man is, ‘Begin en eind van uw betrekking moet u melden’. De bewoners in het vieze Grout blijken uiteindelijk een stuk beter af dan in het perfecte Orb, juist omdat zij de verbeelding de vrije loop mogen laten, verzinsels mogen spinnen, nachtegalen zien en nog kunnen schrijven met de hand, iets wat verboden is in Orb.

     

    Nieuwe verbeeldingen

    Niemandslandnacht valt te lezen als een uitbundige lofzang op het durven dromen en onderstreept het belang van verbeelding en fantasie, misschien juist als de wereld om je heen in vele opzichten onooglijk is. Zelfs op afval valt te zaaien en te oogsten. Na lezing moet je even bijkomen. Maar als het sterrenstof is neergedaald vraag je je toch af of er grenzen zijn aan de esthetisering van afval en vuil. Hoe kan een werkelijk nieuwe verbeelding van de stad van de toekomst er uitzien? Is het mogelijk om buiten de dominante beeldvorming van glazen koepels en sloppenwijken te denken, of: hoe breken wij uit Orb-e-Grout?

     

    ***
    Afbeeldingen
    Afb. 1 Artist’s impression van Jewel Changi Airport (Singapore)
    Afb. 2 Slum in Metro Manila, Filipijnen
    Afb. 3 Filmaffiche van District 9
    Afb. 4 De groentekraam van Collignon uit Amélie

     

    Deze column verscheen in het kader van de Poëzieweek 2020 op www.ou.nl en op neerlandistiek.nl. 

  • CfP Narratives & Climate Change

    future city

    Imaginaries of the Future City: Envisioning Climate Change through Contemporary Speculative Fiction Call for Proposals – International workshop 25-26 June 2020 in Utrecht, The Netherlands and a subsequent special issue on Narratives & Climate Change

     

    Narratives & Climate Change

    Within the current debate on the societal consequences of climate change, environmental scientists, cultural scholars and artists from different scientific disciplines stress the importance of producing compelling narratives and scenario’s to envision the safe city of the future. Especially speculative fiction – the genre that explores possible futures – is considered a powerful tool that plays an important, integrating role in imagining and engaging with the implications of climate change.

    Not only do narratives offer a great opportunity to engage readers on a personal level with the complexities of climate change, they also play a productive role in policy making practices as well as in mediating calculated, data-driven climate scenarios.

    Connected by the productive power of speculative fiction and narratives, this workshop brings together some 20-25 scholars from different fields of study, such as environmental sciences, psychology and literary studies in order to foster a better and more integrated analytical discussion on the role of narratives in envisioning the societal, psychological and cultural consequences of climate change.

    We invite researchers from environmental sciences, psychology and literary studies working in multidisciplinary teams to present a draft paper in June and discuss theoretical, methodological or empirical standpoints on the specific nature, functioning or effect of climate change narratives. Both existing multi-disciplinary teams are invited to participate, as well as individual scientists who are open to work in such a team. Based on research field and expertise, and research ideas, the aim of the organizing committee is to bring together individual participants in order to enhance multi-disciplinary research teams. The aim of the workshop in June is to publish the draft papers, subject to normal review procedure, as a special issue in a highly ranked scientific journal or edited book on ‘Narratives & Climate Change’.

     

    Topical Themes 

    The workshop is open to a broad variety of interpretations of the relationship between narratives and climate change, but we strongly encourage submissions on the following themes:

    • How to conceptualize of and empirically understand the role that narratives play in bringing the global scale of the climate crisis into the realm of the personal, and what narrative techniques (e.g., the use of metaphors, allusion or extrapolation) are used to grasp the complexity of the climate debate? How do these narrative techniques function within lived experiences of climate change? How do they influence daily routines and practices (for instance individual, household, company, community but also government decision making)? How do narratives co-produce reality and contribute to the public debate, to governance or vice versa to (environmental) science?
    • Which narrative techniques can be discerned and which ones are used to grasp the complexity of the climate debate? How and why do either utopian or dystopian future scenario’s manifest themselves within approaches from the different fields of study? How do both utopian and dystopian schemes relate to ‘eco-anxiety’ and the wish to go beyond eco-paralysis?
    • Are narratives to be understood as means (‘productive fictions’) to encourage awareness and even foster behavioral change (‘risk related affect’, learning), and if so how can this be understood and what is empirically known about the way this affect is accomplished? Concomitantly, how do narratives co-produce reality and contribute to the public debate? What is the relation between fictional elements and non-fictional or realistic data in future scenario’s?

     

    Practicalities and submission deadlines

    Interested participants (individually or already teamed up) are encouraged to submit 500 word proposals plus bibliography, accompanied by a short biography (max. 200 words) by January 31, 2020. Please send your proposal to FutureCities[a]ou.nl.

    Participants will be notified of acceptance/rejection by February 28, 2020.

    Those selected to contribute are expected to submit a draft paper by June 1, 2020 as these will be distributed to all workshop participants beforehand.

    The draft papers will be intensively debated at the workshop and full papers should tentatively be submitted by November 2020.

    Authors with questions are encouraged to contact FutureCities[a]ou.nl.

     

    Organisation

    Prof. Dr. Brigitte Adriaensen, Dr. ir. Raoul Beunen, Prof. Dr. Stefan Dekker, Dr. Marjolein van Herten (coordination), Dr. Andries Hof, Prof. Dr. Dave Huitema, Jilt Jorritsma MA, Prof. Dr. Lilian Lechner, Evelien van Nieuwenhoven MA (coordination), Prof. Dr. Paquita Perez Salgado, Dr. Marieke Winkler (coordination).

     

    Website

    https://www.ou.nl/the-safe-city-imaginaries-of-the-future-city

     

    ***

    Afbeelding: Alexis Rockman, Manifest Destiny (2004)
  • Imaginaries of the Future City

    Amsterdam onder water

    In september is het onderzoeksproject ‘Imaginaries of the Future City: Envisioning Climate Change and Technological Cityscapes through Contemporary Speculative Fiction’ van start gegaan. Speculatieve fictie vormt hierin het uitgangspunt om samen met milieuwetenschappers en psychologen na te denken over de verschillende manieren waarop fictieve verhalen de verbeelding van de toekomstige stad vormgeven.

    Op 13 december presenteerden Marjolein van Herten en ik de eerste bevindingen tijdens het congres ‘(Un)Fair Cities: Equity, Ideology, Utopia in Urban Texts‘ (Limerick).

    Abstract

    How does narrative fiction function as an integrating discourse in constructing and shaping (collective) imaginations of a safe future city? This is the departing question of the interdisciplinary research project ‘Imaginaries of the Future City. Envisioning Climate Change and Technological Cityscapes Through Contemporary Speculative Fiction’ of the Open University of the Netherlands. In this project, researchers of different fields of study – literary studies, environmental studies and psychology – cooperate to investigate their use of narratives in thinking about and conceptualizing the future city. Our focus lies with the impact of climate change and technological developments on future city-life. In this paper we would like to share the first findings of our interdisciplinary research group, focusing in particular on the field of literary studies. The notion of ‘speculative fiction’ links to literary narratives that shape and constitute imaginations of the future city and society. In these narratives, cityscapes play a central role: they represent nodal points in which the anxiety surrounding contemporary urban problems and their impact on individuals, societal groups and their environment, are projected. For example, in the Dutch speculative novel De goede zoon (2018) the predominantly grey cityscape has infiltrated ruthlessly into rural areas; even when the protagonist finds himself ‘in nature’ the landscape is highly artificial (the dears in the forest turn out to be robots). Hence, the author confronts the reader with the question of the impact of urban planning in a globalizing world just by imaginatively ‘extrapolating’ present day developments. Even when not explicitly moralizing, the narratives produced within the framework of contemporary speculative fiction show a profound dystopian point of view raising the question to what extend they contribute to productive awareness. By analysing the way speculative fiction represents the future city this paper addresses the question to what extent speculative fiction can contribute to productive awareness of the impact of climate change and technology. Also, it offers reflection on the importance of narrative analysis in contemplating and conceptualizing the future safe city in other fields of study such as environmental studies and psychology.

     

    Het project ‘Imaginaries of the Future City’ wordt gefinancierd door het universiteitsbrede onderzoeksprogramma De Veilige Stad van de Open Universiteit.

     

    ***

    Afbeelding: Waterlicht, installatie door Daan Roosegaarde.
  • Toekomstliteratuur

    toekomstliteratuur

    Hoe geven auteurs narratieve vorm aan het beeld van de toekomst en hoe kunnen wij die verhalen bestuderen? Deze vraag staat centraal tijdens het seminar ‘Toekomstbeelden in de literatuur’ dat op 17 mei a.s plaatsvindt in Utrecht, met gastlezingen van prof. Rein de Wilde, auteur van De voorspellers: een kritiek op de toekomstindustrie (2000) en Thomas Pierrart (KU Leuven) over zijn onderzoek naar Nederlandstalige toekomstromans.

    Deelnemende studenten werken met speciaal voor dit thema ontwikkeld studiemateriaal in het digitaal laboratorium voor literatuuronderzoek LitLab. Dit materiaal, dat ik ontwikkelde in samenwerking met student-assistenten Tessa van de Warenburg en Evelien van Nieuwenhoven van de Universiteit Utrecht, is nu voor iedereen online te vinden op https://litlab.nl/veld/toekomstliteratuur/.

    Meer informatie over het seminar is hier te vinden.