2022: het nieuwe normaal (2)

Geschreven door

in

, ,

In zijn essay Werelden van tijd (2003) staat Hans Achterhuis stil bij het veranderende tijdsbesef van de moderne mens. Hij beschrijft hoe aan het einde van de Middeleeuwen, ergens tussen 1270 en 1500, een cyclisch tijdsbegrip plaats gaat maken voor een lineaire opvatting waarin onze tijdsbeleving is gericht op een toekomst. Met dit toekomststreven is, aldus Achterhuis, de bodem gelegd voor het moderne, utopische vooruitgangsdenken.

In zijn essay, dat is gericht op het begrijpen van dit moderne tijdsbesef tegen de achtergrond van de verregaande globalisering, vermeldt Achterhuis vrij terloops de studie Das Leben als letzte Gelegenheit (1993) van de Duitse pedagogisch onderzoeker Marianne Gronemeyer. Hij noemt de studie omdat Gronemeyer, anders dan Achterhuis zelf, een veel exacter moment aanwijst waarop het lineaire tijdsbegrip het cyclische vervangt. Volgens Gronemeyer namelijk valt de ommekeer te situeren in de catastrofe van de pestepidemie, die tussen 1348 en 1351 de Europese bevolking decimeerde. Het is in deze jaren die werden getekend door de ontredderde ervaringen met de Zwarte Dood, dat volgens haar het besef opkomt dat we goed of ‘nuttig’ gebruik van onze tijd moeten maken. Hieronder rekent zij bijvoorbeeld ook het opkomende streven naar levensverlenging en naar tijdsbesparing.

Achterhuis gaat verder niet in op het verband tussen de pestepidemie en de mogelijke ommekeer in tijdsbeleving (het is duidelijk dat hij het wat vergezocht vindt en dat hij liever van een langzame ontwikkeling spreekt dan van een ommekeer), maar wie al twee jaar zit opgescheept met de coronapandemie, veert op bij deze passage. Dat gebeurde mij althans. De gedachte dat ook de huidige pandemie wel eens een diepgravende invloed kan hebben op ons tijdsbesef lijkt mij behoorlijk voorstelbaar, heeft corona immers niet een stevige stok gestoken tussen de spaken van het toekomstdenken?

De ‘stip op de horizon ontbreekt’ klonk het afgelopen maanden geregeld in de berichten over de impact van de coronamaatregelen. In de eerste plaats vanuit de sectoren die het langst gesloten bleven (cultuur, horeca, evenementenbranche) of die nu nog steeds niet open kunnen (de nachthoreca). Maar ook vanuit jongeren en studenten klinkt dit geluid al sinds de eerste lock down. In zijn eerste persconferentie van 14 januari jl. besteedde Ernst Kuipers expliciet aandacht aan de jongeren. Hij benadrukte dat 1 op de 3 mensen tussen 16 en 24 jaar last heeft van gevoelens van eenzaamheid en uitzichtloosheid. Uit de Monitor Mentale Gezondheid en Middelengebruik Studenten kwam vorig jaar al naar voren dat een groot deel van de studenten kampt met psychische problemen ten gevolge van de beperkende maatregelen. In plaats van hun vormende jaren te leven, hebben ze het gevoel in de wachtkamer te zitten om er vervolgens achter te komen dat ze de boot hebben gemist.

De behoefte aan een lange termijnplan is groot, maar hoe legitiem ook, na twee jaar is het tevens duidelijk dat ieder stappenplan of iedere routekaart verkruimelt bij de grilligheid van het virus. Die mooie maar wijkende toekomst waar ons lineaire tijdsbegrip op is gericht, lijkt simpelweg verdwenen. De coronacrisis laat zodoende zien wat we al langer wisten, namelijk dat de lineaire tijd en het utopisch vooruitgangsdenken tegen zijn grenzen loopt. We kunnen dit zien als een gemis, maar ook als een kans, zeker voor het hoger onderwijs zo betoogt Wim Kremer in de bundel Nooit meer dansen? De veilige stad in tijden van pandemie (2021). In zijn essay ‘Coronacrisis in perspectief. Academisch onderwijs op zoek naar het ‘nieuwe normaal” stelt hij onder meer dat

…juist deze uitzonderlijke situatie waarin corona ons heeft gebracht en die onvergelijkbaar is met iedere andere situatie die jonge mensen hebben meegemaakt, aanleiding zou kunnen zijn om aandacht te vragen voor de vraag hoe het onderwijs, juist nu, mensen moet vormen en toerusten om nieuwe dingen te bedenken en nieuwe wegen te ontdekken. (p.165)

Misschien moeten we, om deze opdracht echt goed uit te kunnen voeren, in analogie met Gronemeyers hypothese, meteen ook uitkijken naar de contouren van een nieuw tijdsbegrip. Niet een lineair begrip van tijd, maar een tijdsbegrip dat uitdrukking geeft aan het gevoel continu in het turbulente heden te leven zonder duidelijke stip op de horizon, een heden dat zich kenmerkt door parallelle stromingen, analoog en digitaal, door gelijktijdigheid (in professionele sferen opmerkelijk genoeg juist aangeduid als ‘a-synchroniciteit’, zie ook mijn vorige blog).

Het vaststellen van een eindpunt heeft dan niet zoveel zin, beter is het misschien, zoals onlangs in de Volkskrant werd geopperd, om ‘mee te surfen op de golven van corona’ en de bezigheden meer aan te passen aan het verloop van de (griep)seizoenen. Voor het onderwijs lijkt mij dat alvast een heel hoopgevend – ja, toch weer dat utopisch denken! – uitgangspunt waar we ook goed handen en voeten aan kunnen geven, zoals de auteurs voorstellen: zorg dat de perioden waarin het virus zich mogelijk koest houdt in het teken staan van analoog werken en socialiseren, wanneer de herfst zich aandient en de winter op komst is, kan er effectief overgeschakeld worden naar volledig online. Ik houd er alvast rekening mee voor het plannen van mijn onderwijs na de zomer. Tegelijkertijd lijkt het mij belangrijk om met studenten en docenten het gesprek te voeren over hoe het nieuwe onderwijs – of beter: het nieuwe leren – eruit kan zien en is het van belang daarin ook te durven experimenteren. Willen we uit de wachtkamer komen dan moet het ‘nieuwe normaal’ tenslotte meer zijn dan een online versie van het oude normaal, geen vervanging maar een alternatief.