Blog

  • The Literary Scholar as Literary Critic? (lecture)

    The Literary Scholar as Literary Critic? (lecture)

    DSC_0192-1On the 30th of August I presented my research at the IRUN Graduate Conference (Peter Pasmany Katholic University) to an international public of PhD’s in Social Sciences, Psychology and the Humanities. I took the opportunity to present my latest case study that deals with the infamous Huizinga-lezing  ‘Literatuurwetenschap: het raadsel der onleesbaarheid‘ (Literary Studies: the Riddle of Unreadability). The lecture was delivered in december 1978 by Dutch Professor of Slavic Literary Studies Karel van het Reve and meant a frontal attack on the work of contemporary Dutch literary scholars and the way Literary Studies was practiced at that moment. What arguments did Van het Reve use to legitimate the profession of the literary scholar? What were the intertextual scientific traditions he placed himself in? And what normative statements did he make in respect to the scholarly enterprise of Literary Studies in general?

    The preposition of my paper is that the study of the competition between the public and the academic discourse on literature can contribute to our understanding of the underlying norms and values that define the academic study of literature itself (at a given historical moment). The paper -with full title  ‘The Literary Scholar as Literary Critic? How the study of the relation between the academic and the public discourse on literature can help to understand the function and value of Literary Studies’- will be, most likely, published in the Conference Proceedings.

    Also, I wrote a personal impression (in Dutch) of the conference itself that I found eyeopening because of the extreme diversity of disciplines and subjects. As a literary scholar of Dutch literature the question how to present your research to people working in totally different fields of study is not just challenging, it is also essential for our self understanding.

  • Schrijverslogboek of kleine filosofie? (recensie)

    Schrijverslogboek of kleine filosofie? (recensie)

    Mijn-leven-is-mooier-dan-literatuur-detailEssayistisch schrijven over literatuur is booming businessOver Jannah Loontjens’ Mijn leven is mooier dan literatuur. Een kleine filosofie van het schrijverschap (2013)

     

    1. Leven met literatuur 

    Jannah Loontjens debuteerde als dichter in 2001 met de bundel Spectroscoop. Een jaar later volgde de dichtbundel Varianten van nu  en in 2006 verscheen Het ongelooflijk krimpen. Naast gedichten schreef zij twee romans: Veel geluk (2007) en Hoe laat eigenlijk (2011). Oorspronkelijk opgeleid in de filosofie koos Loontjens voor een promotietraject in de literatuurwetenschap. In 2012 promoveerde zij aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift Popular Modernism.

    Afgelopen jaar verscheen er niet alleen een volgende dichtbundel (Dat ben jij toch) maar ook de essaybundel Mijn leven is mooier dan literatuur,  volgens de ondertitel een ‘kleine filosofie van het schrijverschap’. Mijn leven is mooier dan literatuur  bevat, zo schrijft Loontjens in het nawoord, ‘juist datgene wat ik niet in mijn proefschrift kwijt kon, maar dat in feite toch de onderliggende voedingsbodem van mijn literatuurwetenschappelijk onderzoek vormde.’ (172) In dit boek is –anders dan in haar proefschrift– ruimte voor haar eigen ervaringen als lezer en schrijver, voor jeugdherinneringen en voor perosonlijke interpretaties van literaire werken en films. In het ‘Woord vooraf’ wordt de onderliggende voedingsbodem meteen duidelijk, de overtuiging dat leven en literatuur intrinsiek met elkaar verbonden zijn: ‘Leven zonder literatuur is voor mij ondenkbaar; hoe we met en in literatuur leven, daar gaat dit boek over.’ (8) Het is een overtuiging die Loontjens herkent bij grote modernistische auteurs als Proust en Kafka.

    Waar ik benieuwd naar was voordat ik dit boek ging lezen was hoe Loontjens in Mijn leven is mooier dan literatuur  de middenweg bewandelt tussen wetenschappelijk en niet-wetenschappelijk schrijven. Is dit boek misschien te beschouwen als een andere manier van ‘populair wetenschappelijk’ schrijven, in die zin dat Loontjens tracht het werk dat zij heeft verricht voor haar promotieonderzoek voor een breder dan strikt-wetenschappelijk publiek bereikbaar te maken? Lukt het haar om een symbiose te vinden of blijven de literaire schrijver en de wetenschapper in haar toch twee verschillende talen spreken? Die laatste vraag werd direct ingegeven door de titel van het boek. Mijn leven is mooier dan literatuur  doet namelijk vermoeden dat het hier om een zeer persoonlijk verslag gaat, een schrijverslogboek misschien, maar de ‘kleine filosofie’ uit de ondertitel wekt daarentegen de suggestie dat er uiteindelijk toch wordt gestreefd naar het doen van algemene uitspraken over het schrijverschap.

    2. In gesprek met de vorigen

    Mijn leven is mooier dan literatuur behandelt ontzettend veel onderwerpen die alle cirkelen rond de thema’s literair schrijven en schrijverschap. Het onderzoekt niet alleen het standaardbeeld van de schrijver in modernistische literatuur of in recente films als Adaptation en The Hours, maar ook het schrijfproces zelf, het aura van Oprah’s bookclub, het fenomeen ‘vrouwenliteratuur’, het effect van ingrijpende leeservaringen, het belang van branding  van een ‘authentieke’ auteur en het onderscheid tussen populaire en hoge literatuur.

    Het eerste deel ‘Begin van een begin’ lijkt gericht op de beginnende schrijver omdat het een eerlijk inkijkje geeft in het schrijfproces. Mooi beschrijft Loontjens hoe de eerste zin van een boek allerminst de eerste zin is:

    ‘Beginnen is een samenspel tussen vooruitkijken en met een lus vanuit de toekomstverwachting alvast terugkijken naar hoe het begin erbij zal staan als de rest er is. Het is een vooruitlopen op het terugblikken.’ (15)

    Zij verduidelijkt dit aan de hand van eigen ervaringen met het schrijven van haar eerste roman Veel geluk  wat de algemene beschrijving van schrijfangst en schrijftwijfel op concrete wijze verheldert. De strekking van dit hoofdstuk doet erg denken aan wat Menno ter Braak schreef over het begin van het schrijfproces, zoals verwoord in de opening van ‘Een schrijver na zijn dertigste jaar’:

    ‘Wie een boek begint legt zich met de eerste regel vast voor het gehele boek. Ieder schrijver met een schrijvers geweten aarzelt daarom lang voor hij zich op een regenachtige morgen neerzet om die eerste regel te formuleren; hij weet, dat hij niet meer terug kan, dat hij gewetenloos en opzettelijk barok zou moeten zijn om de toon van zijn begin te herroepen.’ (9)

    Het is de modernistische twijfel bij uitstek die in deze zin van Ter Braak en in Loontjens hoofdstuk ‘Begin van een begin’ wordt onderzocht en ontleed.

    Ook in haar tweede hoofdstuk ‘Invloedrijke leeservaringen’ is de vergelijking met het gedachtegoed van Ter Braak opvallend. Hierin omschrijft Loontjens een goed boek als ‘een goede vriend’ :  ‘omdat ik een goed boek als een goed gesprek kan ervaren’. (60) Het lijkt een herformulering van het Forum-criterium dat de tekst een ontmoeting is met een sterke persoonlijkheid.

    Het boek is echter niet alleen een gesprek met de ander die uit de tekst spreekt, maar tevens een gesprek met jezelf. Loontjes laat dit zien aan de hand van een interpretatie van Kafka’s verhaal ‘Huwelijksvoorbereidingen op het land’. De hoofdpersoon Eduard Raban verklaart dat je in een boek juist leest ‘wat je zelf al dacht’. (60) Je herkent in de tekst wat je reeds in gedachten had. Liefde voor boeken blijkt uiteindelijk niets dan eigen liefde. Door het lezen van literatuur, èn door het schrijven lijkt Loontjens te willen zeggen, leren we onszelf beter kennen.

    3. Dit is goede literatuur! Misschien..

    Minder gestaafd aan de hand van eigen ervaringen, behandelt Loontjens in het derde deel van Mijn leven is mooier dan literatuur de vraag ‘wat is literatuur?’. Hier ontkomt de literatuurwetenschapper Loontjens niet aan het gangbare antwoord binnen die wetenschap: literatuur is dat wat anderen zeggen dat literatuur is. Spannender dan in iedere alinea weer een nieuwe naam te noemen (de referenties lopen van Arie Storm, Ilja Leonard Pfeiffer en Saskia Noort tot Slavoj Zizek, Coen Simon en Andreas Huyssen) was het geweest als Loontjens hier was vertrokken vanuit haar eigen idee van wat literatuur is. Het blijft wat wijfelachtig geformuleerd: literatuur moet geëngageerd zijn maar alleen engagement is niet voldoende, het werk moet niet te particulier zijn maar sommige schrijvers die over kleine strubbelingen schrijven vindt ze wel weer wel interessant. Het gebruik van ‘wellicht’ en ‘misschien’ ontkracht de durf om de grote vraag naar wat goede literatuur is (want dat lijkt de eigenlijke vraag) te stellen:

    Wil het intrigeren [dan] is er wellicht enige distantie nodig, een zekere eigenheid, een gevoel voor ironie en misschien een onderzoekende wijze van de werkelijkheid observeren, waardoor er nieuwe onverwachte inzichten worden ontdekt.’ (108)

    Voor de literatuurwetenschapper bevat het boek iets te veel verwijzingen naar bekende namen uit de inleidingen literatuurwetenschap zonder echt dieper op de theorieën en visies in te gaan. Wat dat betreft blijft Mijn leven is mooier dan literatuur stoelen op twee gedachten: het schrijverslogboek enerzijds en het proefschrift over modernistische literatuur anderzijds. Maar dit betekent niet dat Mijn leven is mooier dan literatuur de lezer die geïnteresseerd is in literair schrijven en literair auteurschap niet veel te bieden heeft. Integendeel.

    Moeilijke vragen die Loontjens bezighouden worden niet geweerd en nodigen uit tot meedenken. De verdienste van Loontjens’ boek is dat ze in zeer heldere taal de dialoog aangaat met de modernistische schrijvers van weleer en hun werk juist betrekt op contemporaine fenomenen die haar als literaire schrijver bezighouden en als lezer interesseren.

    4. Een nieuwe ruimte voor het letterkundig essay

    Voor de literatuurwetenschapper kan Mijn leven is mooier dan literatuur  tot slot nog op een andere manier de moeite waard zijn. Volgens Loontjens –en hierin staat zij niet alleen– is er op het moment veel vraag naar het delen van schrijf- en leeservaringen, in de vorm van leesclubs of literaire avonden maar ook in de vorm van boeken:

    ‘Het is opvallend dat in deze tijd waarin cultuurscepticisme lijkt te overheersen en er veel kritiek is op zogenaamde elitaire kunstliefhebbers, de aandacht voor literatuur en literair schrijven in populaire media toeneemt. Boeken- en leesclubs vermenigvuldigen zich en er is een groeiende aandacht voor het literaire schrijven als ‘bezigheid’: zelfhulp-boeken over het schrijven van poëzie, memoires, proza of scenario’s zijn booming business.’ (104)

    Die tendens heeft de ruimte voor het essay over lezen en schrijven vergroot, zoals de publicatie van Mijn leven is mooier dan literatuur  eigenlijk zelf al bewijst, maar zoals ook blijkt uit de aankondiging van een schrijver als Joost de Vries die in een recent interview vertelde aan een essaybundel te werken die specifiek gaat over schrijvers en schrijven nu.

    Deze recentelijk toegenomen interesse voor literair schrijven en lezen is iets om in de gaten te houden voor de jonge letterkundige of literatuurwetenschappelijke onderzoeker die bezig is met zijn proefschrift. Het kan een verrassend antwoord bieden op de vraag hoe je je als jonge onderzoeker zichtbaar kunt maken én kunt onderscheiden. Iedere promovendus in de letteren ziet zich geconfronteerd met de opdracht om enerzijds het beste proefschrift ooit te moeten schrijven en anderzijds om zich daarbij volledig te conformeren aan de wetenschappelijke etiquette. Als junior-onderzoeker in de academische arena kun je je het simpelweg niet veroorloven hier al te zeer van af te wijken.

    In een tijd waarin de geesteswetenschappen het moeilijk hebben hun maatschappelijke positie te verantwoorden en er geregeld gesproken wordt over een vervreemding tussen universiteit en maatschappij (zie bijvoorbeeld Dorsman & Knegtmans 2012 en Boomkens 2008) werpt een zoektocht als Mijn leven is mooier dan literatuur  een verrassend perspectief op de vraag hoe die vervreemding tegen te gaan. In een uitgeefklimaat waarin men zeer pessimistisch is over publicatiemogelijkheden voor letterkundige proefschriften kan het volgens mij allerminst kwaad de mogelijkheid te overwegen juist die zaken die geen plek kunnen krijgen in het proefschrift te gebruiken voor een publiekseditie. Dat hoeft dan overigens niet met de prestigieuze genre-aanduiding ‘een kleine filosofie’, dat kunnen we dan gewoon een essaybundel noemen.

    cover JL

    ***

    Deze recensie over Jannah Loontjens. Mijn leven is mooier dan literatuur. Een kleine filosofie van het schrijverschap (2013, Ambo Anthos) verscheen eerder op Neder-L.

  • Niet voor de winst! Maar waarvoor dan wel?

    Niet voor de winst! Maar waarvoor dan wel?

    Martha Nussbaum komt naar Nederland. Haar boek Not for profit: Why Democracy needs the Humanities  (2010) staat centraal tijdens het congres ‘Arts and Humantities: Of(f) Course’ dat wordt gehouden rond haar bezoek aan de universiteit van Groningen op 25 en 26 juni. Ik gebruikte haar pleidooi voor de geesteswetenschappen bij een lezing over mijn onderzoeksproject Critics Reviewing Criticism. Literary Criticism and Literary Reviewing in the Netherlands, 1900-present.  De lezing vond op 28 april plaats aan de Karelsuniversiteit te Praag voor Tsjechische studenten Nederlands en studenten Nederlands van de Radboud Universiteit Nijmegen:

    kaftnussbaum

    Literatuurwetenschap: niet voor de winst! Maar waarvoor dan wel?

    De geesteswetenschappen verkeren in zwaar weer. In een maatschappij waarin het gaat om het behalen van maximale winst scoren zij beneden de maat.* Iedereen die een letterenstudie gaat doen weet het; je doet dat immers niet omdat je er rijk van gaat worden.

    In de 19e eeuw stonden de geesteswetenschappen in hoog aanzien en vormden zij zelfs een voorbeeld voor andere wetenschappelijke disciplines, met name de filosofie en de geschiedwetenschap vervulden een voorbeeldfunctie. Zij hadden hun eigen methode ontwikkeld, de methode van het ‘verstehen’ (begrijpen, of inleven) tegenover de methode van de natuurwetenschappen die gericht was op verklaren en het blootleggen van universele wetten en patronen. De methode van het verstehen  had de geesteswetenschap een eigen identiteit en bestaansrecht gegeven.

    Dat oorspronkelijke aanzien is tegenwoordig flink gedaald. Kleine letterenstudies, zoals Romaanse talen, theologie, kunstgeschiedenis, maar inmiddels ook de neerlandistiek zien hun studentenaantallen teruglopen en ook op de middelbare school is het profiel ‘cultuur en maatschappij’ niet erg gewild.

    De geesteswetenschappen moeten zich dan ook voortdurend rechtvaardigen, de vraag wat het nut is van de geesteswetenschappen wordt keer op keer gesteld. Reden voor de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum om een pamflet te schrijven: Niet voor de winst  (2010, vertaling 2011). Hierin is zij zeer kritisch op de ontwikkeling in onderwijs en onderzoek aan de universiteit die het meetbare en winstgevende tot leidraad maakt van haar praktijk:

    ‘Dorstend naar nationaal gewin ontdoen vele landen en de daarin bestaande onderwijsstelsels zich achteloos van allerlei competenties die noodzakelijk zijn voor het levend houden van democratieën. Als deze trend zich voortzet, zullen landen overal ter wereld binnenkort generaties nuttige machines afleveren in plaats van volwaardige burgers die instaat zijn om zelfstandig te denken en zich kritisch op te stellen ten aanzien van de traditie’. (16)

    Het aanzien en de positie van de geesteswetenschappen mag in vergelijking met de 19e eeuw zijn veranderd, de vraag naar het nut van de geesteswetenschappen is echter allerminst nieuw. Al sinds haar ontstaan moeten menswetenschappen zich verantwoorden ten opzichte van de natuurwetenschappen. En dat niet alleen: ook ten opzichte van het publieke veld moeten zij zich keer op keer legitimeren.

    Het onderzoeksproject Critics Reviewing Criticism. Literary Criticism and Literary Reviewing in the Netherlands, 1900-present  komt voort uit de vraag hoe literatuurwetenschappers zich legitimeren ten aanzien van dit publieke veld, dat zijn: de niet-academische literatuurbeschouwers, de literaire critici die werkzaam zijn in publieke media zoals kranten en tijdschriften. In het onderzoek wordt gekeken hoe de literatuurwetenschap zich door de tijd heen positioneert ten aanzien van dit publieke veld: waarom hebben we eigenlijk een literatuurwetenschap nodig als er ook een literaire kritiek is, die werken bestudeert, ze in historische context plaatst en analyseert op belangwekkende motieven en thema’s én ze bovendien ook nog beoordeeld?

    De relatie tussen literatuurwetenschappers en literaire critici is in Nederland altijd precair gebleken. Dit is anders dan in andere Europese landen waarbij de twee praktijken veel meer in elkaar overlopen (denk aan de Engelse term ‘criticism’  die zowel voor wetenschapper als voor criticus van toepassing is). In Nederland vliegen de wetenschapper en de criticus elkaar eens in de zoveel tijd in de haren.

    Het standaardbeeld van de wetenschapper is dat hij objectief, neutraal en onbevooroordeeld is, tegelijkertijd lijkt dit beeld niet helemaal te passen in een wetenschap die unieke kunstwerken bestudeert en te maken heeft met kwesties van smaak. In de keuze voor een bepaald werk of een bepaalde auteur zit immers al een zekere voorkeur besloten. Zelden komt het voor dat een studie wordt geweid aan een werk of auteur waarvan de beschouwer het niet de moeite waard vindt er tijd in te steken. Vanwege deze normatieve houding is er altijd een zekere mate van subjectiviteit aanwezig in de literatuurwetenschap.

    Het is interessant om te zien dat die normatieve houding in de 19e eeuw juist werd gewaardeerd en, sterker nog, zij bepaalde deels de kracht van de geesteswetenschappen. Zo stelde de eerste hoogleraar Nederlandse letterkunde Jonckbloet in 1877 toen de letterkundige neerlandistiek net bestond, dat de letterkundige twee taken had. Allereerst was dat causale relaties in kaart brengen: het bestuderen en analyseren van de literatuurgeschiedenis naar oorzaak en gevolg en ten tweede betrof dit het geven van kritiek: is het werk goed of niet? Voor Jonckbloet hield dit in dat het werk moest bijdragen aan nationaliteitszin.

    Tegenwoordig lijkt het innemen van een normatieve houding bijna een doodzonde, zie bijvoorbeeld de discussies die ontstonden naar aanleiding van De revanche van de roman  (Vaessens 2009) en Staande receptie  (Joosten 2012). Wetenschappers en critici benadrukken hierin dat wetenschap objectief, controleerbaar en herhaalbaar dient te zijn. Het adagium “meten is weten” bepaalt de wetenschappelijke arbeid op dit moment, of in Nussbaums woorden: wetenschappers moeten allemaal identieke machines zijn. Toch is het juist die kleine subjectieve ruimte die de geesteswetenschap spannend en levendig maakt, om maar niet te zeggen creatief.

    Het project Critics Reviewing Criticism. Literary Criticism and Literary Reviewing in the Netherlands, 1900-present  kijkt naar een aantal Nederlandse letterkundigen die juist die subjectieve ruimte in de literatuurwetenschap benadrukten. Het zijn niet toevallig wetenschappers die zich verdienstelijk hebben gemaakt in het publieke veld, als criticus, als dichter of als essayist. Denk daarbij aan Albert Verwey (1865-1937), bekende dichter en criticus van de beweging van Tachtig, die op latere leeftijd hoogleraar werd in Leiden. Hij presenteerde zichzelf als ‘artist-historicus’, iemand die het persoonlijk ‘kritizeren’  en het algemene ‘karakterizeren’  in zich verenigd. Of Hans Gomperts (1915-1998), de belangrijkste criticus van de jaren ’50 die in 1965 hoogleraar werd. De vraag wat de ideale verhouding is tussen kritiek en wetenschap heeft hem zowel als criticus als wetenschapper beziggehouden. Wat dreef hen in hun wetenschappelijke arbeid en in het werk dat zij buiten de academie afleverden? Hoe bakenen zij hun wetenschappelijke werk af van hun kritische activiteiten? En welke normen en waarden ten aanzien van de literatuurwetenschap liggen daaraan ten grondslag? De focus van het project ligt bij het onderzoeken van die vragen op een analyse van meta-kritische uitspraken, die uitspraken die iets zeggen over de eigen praktijk.

    De uitdaging van mijn onderzoeksproject is om de verschillende case studies  die ieder in hun eigen tijd en eigen context begrepen moeten worden uiteindelijk met elkaar te vergelijken en grote lijnen zichtbaar te maken in de ontwikkeling van de literatuurwetenschap in Nederland en de status van de geesteswetenschappelijke kennis in het algemeen. Die lijnen lijken op dit moment twee kanten op te wijzen.

    Enerzijds is sprake van een steeds groter wordende kloof tussen het publieke en academische veld. De oprukkende verwetenschappelijking of ‘sciëntisme’  (term overgenomen uit Verhaeghe 2012) marginaliseert de geesteswetenschappen. De literatuurwetenschapper houdt zich, niet tot ieders genoegen overigens, met totaal andere aspecten van de literatuur bezig dan de criticus. Niet het werk zelf, maar de manier waarop zij gebruikt wordt vormt de primaire focus van de hedendaagse literatuurwetenschap.

    Anderzijds is er een ontwikkeling zichtbaar die een brug probeert te slaan tussen de maatschappij en geesteswetenschappen. Er klinkt een roep om de zogenaamde ‘vergeten wetenschappen’ (Bod 2010) weer op de agenda te zetten en mensen als Martha Nussbaum stellen dat de kritische reflectie van de letteren onmisbaar is voor een democratische en menselijke samenleving. Literatuurstudie helpt ‘verwondering, empathie, verbeeldingskracht en inlevingsvermogen ontwikkelen’ stelt Martha Nussbaum in Niet voor de winst.  Verwondering of verbeeldingskracht zijn lastig te meten, en er zijn ook geen formules voor op te stellen, dit maakt de literatuurwetenschap misschien minder nuttig  dan de bedrijfskunde maar maakt het haar ook minder waard?

    *zie bijvoorbeeld Boomkens ‘Topkitch en Slow Science: Kritiek van de academische rede’ (2008); Lorenz ‘If You’re So Smart, Why Aren’t You Rich?’  (2008) en Dorsman & Knegtmans ‘Universiteit, publiek en politiek. Het aanzien van de Nederlandse universiteiten 1800-2010′ (2012).

     

  • Artistieke geloofwaardigheid bij De Winter en Dautzenberg

    Artistieke geloofwaardigheid bij De Winter en Dautzenberg

    Extra-tijd-e1350808031625Deze maand verscheen het nieuwe nummer van Dietsche Warande & Belfort. Het dossier ‘Je tikt er tegen en het zingt’ verkent het grensverkeer tussen woord en klank, met bijdragen van o.a. Bart Vervaeck, Hans Demeyer, Katherina Lindekens, Jeroen van Rooij en Geert Beulens.

    Jeroen Dera en ik schreven voor de Jonge Wolven-rubriek over authenticiteit en artistieke geloofwaardigheid in de auto-fictionele romans Extra tijd van A.H.J. Dautzenberg enVSV of daden van onbaatzuchtigheid van Leon de Winter. Hoe moet de lezer de ‘authenticiteit’ die dit werk poogt te bieden begrijpen? En wat zegt het over ons, als wij vinden dat de figuur van de schrijver authentieker is in de fictieve ruimte – de schrijver laat zijn ware zelf zien in de gemaaktheid van de roman – dan in de publieke ruimte?

  • Over tijdschrift Barbarber en het festival ‘De geest moet waaien’

    Over tijdschrift Barbarber en het festival ‘De geest moet waaien’

    632-687In november 1958 verscheen, in eigen beheer, het eerste nummer van het literaire tijdschrift Barbarber. De oplage bestond uit 100 gestencilde nummers en de redactie had het goedkoopste en dunste papier gebruikt om de kosten tot een minimum te beperken. De omslag werd gesierd door allerhande gemeenplaatsen zoals ‘zeg dat wel’, ‘zo is dat’, ‘de kop is er af’ en ‘wie zal het zeggen’ waarmee de relativerende houding van het tijdschrift duidelijk werd. Barbarber had niet de behoefte om de ‘oude lyriek’ van de Vijftigers met veel lawaai af te schaffen, zij negeerde haar gewoon.

    De drie redacteuren G. Brands, K. Schippers en J. Bernlef besloten het eerste nummer rond te sturen naar verschillende prominente literatoren en kunstenaars, maar ondanks deze publiciteitsstunt vond het eerste nummer nauwelijks weerklank. Wanneer men het eerste nummer van Barbarber nu in handen heeft, is dit goed voor te stellen: de onbenulligheid van de uitvoering doet meer denken aan het uiterlijk van een plaatselijk schoolkrantje dan aan een tijdschrift met een vaste plek in ieder Nederlandse literatuurgeschiedenis. Het is dan ook vanaf het verschijnen van het tweede nummer geweest, wanneer Barbarber zijn kenmerkende formaat van een in de lengte gevouwen foliovel krijgt, dat het de aandacht begint te trekken.

    Oud-Barbarber-redacteur K. Schippers is te gast tijdens het festival voor het gesproken woord De geest moet waaien dat van 23 tot en met 26 mei plaatsvindt in Arnhem. Een van de rode lijnen in deze editie van het festival is de vraag hoe het nieuwe te herkennen. Over deze vraag zal Schippers met Peter Verhelst op vrijdag 24 mei spreken. Opvallend is de manier waarop de organisatie de vraag naar het nieuwe benadert. Het lijkt niet alleen een vraag die wordt gericht aan de auteurs op het podium maar die ook direct –in een soort zelfhulp-jargon– aan het publiek wordt gesteld. Zo lezen we in de aankondigingstekst:

    Waar moeten we ons tegen afzetten. Het nieuwe dwong altijd het oude ten onder te gaan, maar is dat nog wel zo? Is symbolische vadermoord nog wel mogelijk?’

    Een manier om het nieuwe te begrijpen is door het te bezien in tegenstelling tot het oude. Een schrijver kan zich afzetten tegen zijn voorganger en hem symbolisch vermoorden door middel van een ronkend manifest bijvoorbeeld, of, zoals het tijdschrift Gard Sivik deed in de jaren ’60, een afbeelding op de omslag plaatsen van een verkeersbord waarop het getal 50 is doorgestreept. De ontstaansgeschiedenis van Barbarber laat een andere manier zien: je kunt ook om de dominante vader heen manouvreren, hem simpelweg negeren. Die negatie maakt het onderscheid tussen nieuw en oud minder programmatisch. Het onderwerp waarover K. Schippers, als fervent ready made kunstenaar, ongetwijfeld nog andere interessante ideeën heeft. Juist in de experimentele omgang met bestaande (‘oude’) materialen zit voor de ready made kunstenaar immers het nieuwe verborgen.

    Op dit punt zou het verschil tussen oudere en nieuwere schrijvers nog wel eens zichtbaar kunnen worden. Waar bij Schippers de zoektocht naar het nieuwe leidde tot experiment en nieuwe uitdrukkingsvormen, lijkt de huidige zoektocht naar het nieuwe vooral gelegen in de manier waarop iemand zichzelf als auteur onderscheidend presenteert. Een opvatting die doorklinkt in de volgende vraag van de festival-organisatie:

    De grote rol die de historische avant garde en De Stijl hebben gekregen in de Nederlandse kunsthistorie hebben zij vooral te danken aan hun eigen publiciteitscampagnes.

    Hoe val je op?’

    Het idee van de Barbarber-redactie om het eerste nummer gratis te verspreiden onder literatuur- en kunstliefhebbers klinkt meer dan vijftig jaar later nog steeds als een goede publiciteitsactie (overigens wordt zij door de redactie nog eens aangehaald in Barbarber  6 waarin een lijst is opgenomen van ‘diegenen die WEL het eerste nummer van Barbarber ontvingen doch die tot nu toe GEEN abonnement namen’). Maar publiciteit alleen was niet genoeg. Er moest een experimentele vorm aan te pas komen om het blad ook daadwerkelijk te laten opvallen.

    De vraag naar het nieuwe blijkt uiteindelijk vooral een vraag naar het experiment en waar dat tegenwoordig gezocht en gevonden kan worden. Misschien wel in het ‘oude’ tijdschrift Barbarber?

    De geest moet waaien

    Festival voor het gesproken woord
    van 23 t/m 26 mei in Arnhem
    Gesprek tussen K. Schippers en Peter Verhelst over avant-garde en hoe het nieuwe te herkennen, onder leiding van Jannah Loontjes op vrijdag 24 mei. Meer informatie over het programma op http://www.wintertuin.nl/festivals/de-geest-moet-waaien/
    Deze blog verscheen eerder op Neder-L.
  • Nieuwe vragen

    Nieuwe vragen

    sote001stru01_01_tpg

    Hoe nieuw zijn de nieuwe vragen van de computationele literatuurwetenschap?

    Rens Bod reageerde op zijn weblog De vergeten wetenschappen op mijn artikel ‘Interpretatie en/of patroon? Over Het einde van de geesteswetenschappen 1.0 en het onderscheid tussen kritiek en wetenschap’ waarin ik zijn afschaffing van de geesteswetenschappen à la Wilhelm Dilthey in historische context plaats en me afvraag of een heroverweging van de ‘oude’ geesteswetenschappelijke vraag niet beter zou zijn. Bod schrijft in zijn reactie onder andere:

    “Dankzij het patroonzoeken en de digitale analyse van enorme hoeveelheden “big data” (bv. miljoenen boeken, kunstwerken of muziekstukken) worden vragen opgeroepen die zonder de computer niet eens gesteld hadden kunnen worden, laat staan beantwoord.

    Wat betekent het bijvoorbeeld als we menselijke oordelen over literaire kwaliteit met de computer kunnen modelleren? En wat betekent het als we universele patronen in muziek hebben gevonden? Deze “big patterns” hebben we ondertussen weliswaar gedetecteerd, maar inzicht in de betekenis van dit soort patronen wordt nog node gemist. Hier is sprake van een onontgonnen terrein dat, in weerwil van wat Marieke Winkler stelt, in niets lijkt op het vakgebied der letterkundige neerlandistiek van een eeuw geleden.”

    Bod stelt hier dat de nieuwe digitale technieken ertoe hebben geleid dat de computationele geesteswetenschappen totaal nieuwe vragen opwerpt. De vraag naar literaire kwaliteit bijvoorbeeld wordt op dit moment onderzocht in het project ‘The riddle of literary quality‘. Dit project hoopt met behulp van de computer antwoord te kunnen geven op de vraag welke eigenschappen een roman moet hebben om als literatuur te worden beoordeeld. De beschrijving van het project poneert dat deze vraag nog nauwelijks onderzocht is, een twijfelachtige uitspraak. Sinds New Criticism in de jaren ’60 grote invloed ging uitoefenen op de Nederlandse literatuurwetenschap wordt onderzocht wat literatuur tot literatuur maakt. Men hoort in de projectomschrijving van ‘The riddle of literary quality’ de echo van een structuralist als Sötemann, die in De structuur van Max Havelaar (1973) schrijft ‘dat het in beginsel mogelijk is (…) in een literair kunstwerk objectief de aanwezigheid aan te tonen van de grondslagen van een waarde-oordeel’. (11)

    Een ander voorbeeld dat me te binnen schiet: in haar oratie De stijl van R‘ neemt Karina van Dalen-Oskam letterlijk een oude vraag op. Er is al veel gespeculeerd over welk aandeel Betje Wolff of Aagje Deken nu had in het door hen samen uitgegeven werk. In 1984 schrijft biograaf Buijnsters dat het even ‘onmogelijk’ als ‘zinloos’ is om middels een sorteerproef definitief te bepalen hoe het zit. Van Dalen-Oskam gaat de uitdaging aan en laat in haar oratie zien hoe zij de computer gebruikt om er achter te komen hoe de auteurs het werk verdeelden in hun gezamenlijk geschreven briefroman Sarah Burgerhart (1782). Haar conclusie is uiteindelijk dat ‘de briefromans (…) het resultaat [zijn] van intensieve samenwerking van twee vrouwen die ook ten tijde van hun debuut al voorbeeldig op elkaar waren ingespeeld.’ (17) Voor een dergelijke conclusie lijkt mij de computer niet van doorslaggevend belang.

    Fundamenteler is echter, de constatering dat het vooralsnog wel meevalt met het stellen van nieuwe (spannende) vragen. Het zoeken naar patronen en het interpreteren van unieke, context-gebonden fenomenen is wat de geesteswetenschappelijke arbeid bij uitstek karakteriseert. Bod meent dat ik het vernieuwende van de digitale aanpak onderschat. Wat ik in mijn artikel vooral bepleit is dat we ons door de komst van een nieuwe techniek -waarvan ik de talloze nieuwe mogelijkheden die het kan bieden voor geesteswetenschappelijk onderzoek geenszins betwijfel- niet moeten laten afleiden van dat waar het binnen de geesteswetenschappen om gaat: het bestuderen van het unieke, zo men wil subjectieve, op een objectieve manier. De vraag ‘welke eigenschappen moet een roman hebben om literatuur te worden genoemd?’ leert ons minder over ons mens-zijn dan de vraag wie op een bepaald moment en in welke setting bepaalde wat goede literatuur was (én wat niet), en vooral: waarom? Wat betekent ‘goed’ of ‘slecht’ hier? Kan dat met de computer worden vastgesteld?

    Lees het artikel ‘Interpretatie en/of patroon‘ hier.

  • Artikel over Rens Bods oratie verschenen in Vooys 31.1

    Artikel over Rens Bods oratie verschenen in Vooys 31.1

    VooysVoor het jongste nummer van Vooys (dit Paasweekend verschenen) schreef ik een artikel naar aanleiding van Rens Bods oratie Het einde van de geesteswetenschappen 1.0 (2012)

    In zijn oratie  pleit Rens Bod voor een ‘geesteswetenschappen 3.0’ waarin systematische analyse en interpretatie worden verenigd. In mijn artikel onderzoek ik in hoeverre dit voorstel nieuw is en laat ik zien hoe de Nederlandse letterkunde -de ‘geesteswetenschap’ die zich als één van de eerste in Nederland kon verheugen op een status als zelfstandige academische discipline- zich bij haar ontstaan al tussen de twee vuren van exacte wetenschap en subjectieve literatuurkritiek bevond. Kan dit deel van de vakgeschiedenis een nieuwe blik werpen op de taak die de geesteswetenschapper zich heden ten dage zou moeten stellen?

    Tegenover Bods herlezing van de disciplinaire tradities gericht op de positivistische ‘patronen’ presenteerde ik in dit artikel een zeer beknopte proeve van een herlezing die vertrekt vanuit de patronen én de interpretatie, daarmee pleitend voor een herbronning vanuit de eigen waardevolle kritisch-hermeneutische traditie.

    ‘Interpretatie en/of patroon? Over Het einde van de geesteswetenschappen 1.0 en het onderscheid tussen kritiek en wetenschap’ verscheen in Vooys 31.1.

    De oratie van Rens Bod is te lezen op zijn blog De vergeten wetenschappen.

     

     

     

     

  • Op zoek naar de ideale academicus

    Op zoek naar de ideale academicus

    homo universalis“Meijer & De Knegt ageren net als Hennink tegen de verregaande praktijkgerichtheid van de universiteit die de ‘waardevolle kritische geest’ de das om doet.

    Opvallend is dat academische vaardigheden, zoals interpreteren en redeneren en het formuleren van kritiek en zelfkritiek, in hun ogen net zo praktisch zijn als wat de universiteit als ‘praktische vaardigheden’ bestempelt: het schrijven van een sollicitatiebrief, het presenteren of pitchen van een paper en het kunnen anticiperen op de arbeidsmarkt. Er lijkt hier kortom sprake van twee verschillende interpretaties van wat de ‘praktijk’ van de academicus inhoudt. De ene gaat primair uit van een attitude, de andere van een set competenties.

    De modelstudent waar alle drie de auteurs het over hebben, wil zich een specifieke attitude eigen maken. Zijn ideaal is de homo universalis of het intellectuele genie. Hij heeft echter het gevoel dat hij slechts beoordeeld wordt op relatief simpele vaardigheden die daar weinig mee te maken hebben, vaardigheden die verkregen kunnen worden door ‘ijverig oefenen’ en door ‘kennisstampen’. Let wel, vaardigheden waarin vrouwelijke studenten over het algemeen beter scoren dan mannelijke studenten. Hennink gebruikt hier niet voor niets het veelbetekenende woord ‘bemoedering’: de universiteit moet niet pamperen maar ballen kweken.”

    Op Neder-L schreef ik over de zoektocht naar de ideale academicus (lees hier de volledige tekst). De aanleiding vormde twee recente artikelen van jonge academici: Michiel Henninks ‘De universiteit hoort juist geen praktijkschool te zijn’ verscheen op 11 maart in het NRC. Meijer & De Knegt pleiten voor de terugkeer van de homo universalis op online opinie platform De Fusie.

     

     

  • Masterclass Dominique Maingueneau

    Masterclass Dominique Maingueneau

    maingueneauMaingueneau ontwikkelde met behulp van centrale begrippen uit de linguïstiek (zoals enonciationshifters en deiktische woorden) een theoretische invalshoek voor het blootleggen van patronen in teksten die breed inzetbaar is. Zowel journalistieke teksten als preken, zowel literaire teksten als politieke speeches, ieder ‘discours genre’ heeft zijn discursieve  parameters maar ook zijn vertrouwde, door traditie gegroeide en bevestigde ‘ethos’ dat ons inzicht kan geven in achterliggende sociaal-culturele normen en waarden.

    Maingueneau zal tijdens de masterclass ingaan op het concept van ‘self-constituting discourses’, dat zijn: ‘discourses which claim to be above any other type of discourse’ – denk hierbij aan het wetenschappelijke vertoog, het religieus vertoog of het vertoog over kunst – en hoe deze te analyseren.

    De vraag die hij zich daarnaast stelt, is waar discoursanalyse afwijkt en verschilt van de traditionele ‘content analysis’: waarom discoursanalyse toepassen als we voor het interpreteren van perspectief en metaforen ook prima bij de narratologie en structuuranalyse terecht kunnen? Een deel van het antwoord geeft hij in het artikel ‘Analysing self-constituting discourses’ (1999) dat, naast twee andere Engelstalige artikelen van zijn hand, als leesmateriaal dient voor de masterclass:

    Even when it is not openly interested in criticizing ideology, discourse analysis, radically, is a critical activity: it affects some basic illusions of speakers – the illusion of saying what they mean, the illusion that the places from which they speak are not constitutive of signification.”

    Maingueneau is een van de grote Franse specialisten op het terrein van de discoursanalyse en verbonden aan de Sorbonne (Parijs). De masterclass vindt plaats aan de UvA van 14.00 tot 17.30 en wordt georganiseerd door de OSL.

    Zie de website van de OSL voor meer informatie en aanmelding.

  • Lezing over VSV of Daden van onbaatzuchtigheid (2012)

    Lezing over VSV of Daden van onbaatzuchtigheid (2012)

    vsvleondewinterOp 20 maart verzorg ik in het kader van de postacademische cursus ‘Recente Nederlandse en Vlaamse letterkunde’ van de Radboud een lezing over VSV of Daden van onbaatzuchtigheid (2012) van Leon de Winter. Een roman (of thriller?) die zo bomvol personages uit de politieke werkelijkheid zit dat je de neiging moet onderdrukken om niet alles wat er over die personages, zoals Cohen, Moszkowitcz, Donner en Theo van Gogh (zij het als hoofd in het hiernamaals) geponeerd wordt te verifiëren.

    Een lezing over feit en fictie en artistieke geloofwaardigheid.

    De PAO-cursus ‘Recente Nederlandse en Vlaamse letterkunde‘ loopt tot en met 24 april 2013.