Blog

  • Albert Verwey als academicus

    Verwey in zijn studiekamer 1910 Op 14 november 1924 werd de dichter en criticus Albert Verwey (1865-1937) bij Koninklijk Besluit benoemd tot hoogleraar letterkunde en wijsbegeerte aan de Rijksuniversiteit Leiden. Zijn leeropdracht betrof het onderwijzen in de ‘Nederlandse letteren, haar geschiedenis en esthetische kritiek’. De benoeming van Verwey was een novum, niet eerder werd iemand zonder academische scholing aangesteld als hoogleraar. De studie van de literatuur, zij het van tijdgenoten of van voorgangers, was vanaf het begin een belangrijke pijler onder Verweys creatieve werk, en hij voelde zich dan ook verplicht om dit in zijn oratie ‘Van Jacques Perk tot nu’ (1925) te benadrukken:

     ‘Mijn studie is nooit op het onderwijs, maar uitsluitend op mijn dichterlijk werk en de beoordeeling van letterkundige geschriften geweest. Opleiding aan een hoogeschool heb ik nooit genoten. […] Redenen genoeg, mijnerzijds, om niet zonder moeite tot de aanvaarding van dit ambt te besluiten.’

    Het domein van de academische literatuurstudie was voor Verwey duidelijk een heel andere dan het domein van de niet-academische literatuurbeschouwing. Hij sprak dan ook over twee verschillende werelden waartussen enige mate van onbegrip heerst: de literator voelde zich ‘een vreemdeling’ binnen de muren van de academie.

    Wat waren de criteria voor afbakening van de twee werelden? Deze vraag staat centraal in mijn artikel ‘‘De vraag is deze: waarom is een akademisch neerlandicus zulk een heel ander mens dan een nederlands letterkundige?’ Literatuurkritiek en literatuurwetenschap: het hoogleraarschap van Albert Verwey (1865-1937)’ dat deze maand verscheen in het tijdschrift Nederlandse Letterkunde. Andere artikelen in dit nummer zijn van de hand van Gilles Dorleijn (RUG) en Ralf Grüttemeier (Universität Oldenburg). Abstracts zijn hier te lezen.

    ***

    De foto van Albert Verwey is afkomstig uit Het Geheugen van Nederland. Hier zijn meer mooie portretfoto’s te vinden, zoals deze met de Duitse dichter Stefan George, maar ook foto’s van aantekeningen voor gedichten en lezingen (zoals Verweys afscheidscollege ‘Het lezen en schatten van gedichten‘ (1935)).

  • Het raadsel van academisch schrijven

    calvin_hobbes_writing

    Gisteren schreef Marc van Oostendorp op Neder-L over Steven Pinkers nieuwe boek The Sense of Style. Het herinnerde mij aan een essay van Pinker dat ik onlangs las in The Chronicle of Higher Education. Het essay – overigens bedoeld als teaser bij het boek – fascineerde mij omdat het opende met eenzelfde vraag die Karel van ‘t Reve alweer 36 jaar geleden stelde in zijn beruchte Huizinga-lezing Het raadsel der onleesbaarheid. In ‘Why Academics Stink at Writing’ vraagt Pinker zich af:

    ‘Why should a profession that trades in words and dedicates itself to the transmission of knowledge so often turn out prose that is turgid, soggy, wooden, bloated, clumsy, obscure, unpleasant to read, and impossible to understand?’

    Van ’t Reve meende dat het een bewuste keuze was van de literatuurwetenschapper om onleesbaar te schrijven. Academici zouden een obscuur jargon hebben ontwikkeld om te verhullen dat ze eigenlijk niets te zeggen hebben. Ze kleden het triviale stilistisch op zo’n manier in dat het complex en wetenschappelijke klinkt.

    Precies dit argument haalt Pinker aan in de opening van zijn artikel, maar anders dan Van ’t Reve schuift hij het ook meteen weer van tafel. Het is onzin te stellen dat academici slechts het triviale opvijzelen, meent Pinker. Daarnaast valt het hem op dat wanneer je academici spreekt zij prima in heldere taal kunnen uitleggen waar hun onderzoek over gaat. En toch schrijven zij beroerde artikelen! Er is dus iets anders aan de hand.

    Een van de problemen van academisch schrijven is volgens Pinker dat het een mix van twee stijlen is. Enerzijds vinden we een praktische stijl (communicatie volgens een vertrouwde tekstopbouw), anderzijds een zelfreflexieve of ‘postmoderne’ stijl. Die tweeledigheid wordt veroorzaakt door het feit dat academische teksten niet alleen gericht zijn op de communicatie van nieuwe kennis, zij zijn volgens Pinker misschien nog wel meer gericht op ‘selfpresentation’. Het is deze academische zelfpresentatie die leidt tot vermoeiend en saai metadiscours (het steeds weer expliciteren van de tekststructuur), tot academisch narcisme (het verwijzen naar de academische arbeid zelf) en tot eindeloos verontschuldigen en indekken.

    De tweeledige stijl reflecteert het gegeven dat academici in twee werelden leven:

    ‘the world of the thing they study (the poetry of Elizabeth Bishop, the development of language in children, the Taiping Rebellion in China) and the world of their profession (getting articles published, going to conferences, keeping up with the trends and gossip).’

    Academici zouden er volgens Pinker beter aan doen de obsessie met die laatste wereld los te laten. Dan ontstaat meer ruimte voor het bredere publiek waar zij altijd óók voor schrijven, een publiek dat nu, door de fixatie op de eigen gemeenschap, al te vaak buiten beeld valt.

    Dit lijkt mij makkelijker gezegd dan gedaan. Allicht lukt het om leesbaardere teksten te produceren als we gebruik maken van de ‘classical style’ die Pinker in dit essay en in zijn boek The Sense of Style voorstaat en die kortgezegd het zelfreflexieve aspect van academisch schrijven wil indammen. Maar wordt met die grotere leesbaarheid niet ook de ‘wetenschappelijke autoriteit’, of zo je wilt integriteit, van de teksten aangetast?

    Deze vraag kwam bij mij op na het lezen van een blog over academisch schrijven van de Britse schrijver en filosoof Will Buckingham. Buckingham gebruikte daarin de termen ‘professionalism’ en ‘amateurism’ om een ietwat andere tweeledigheid van de academische schrijfarbeid te vangen. Namelijk die tussen de academicus die zich committeert aan een bepaalde professionele praktijk, en de academicus als amateur, als ‘one who has a taste for something’. In lijn met zijn betoog hoeft de wetenschapper niet de academische wereld te vergeten (zou dat hem immers niet ‘onprofessioneel’ maken?) maar moet hij simpelweg iets meer openstaan voor de amateur in zichzelf: ‘Writers need to be amateurs if they are going to write anything worth writing’.

    Waar Buckingham helaas geen antwoord op geeft, is de vraag waar deze academische amateurschrijver zich moet profileren. In zijn onderzoekspapers, of zoals Buckingham zelf laat zien, in een meer persoonlijke blog?

    ***

    Deze tekst verscheen op 27 oktober als column op Neder-L.

    In zijn essay verwijst Steven Pinker naar bovenstaande cartoon van Calvin & Hobbes.

  • The Making of the Humanities

    MAKHUM IV poster

    Within two weeks the fourth conference on the history of the humanities, ‘The Making of the Humanities IV’ will take place at the Royal Netherlands Institute in Rome. This series of biennially organized conferences brings together scholars and historians interested in the comparative history of the humanities.

    For some time histories of single humanities’ disciplines exist, in the case of literary studies one can think for example of Gerald Graffs Professing Literature. An Institutional History (1987) and the Dutch study Het belang van smaak. Twee eeuwen academische literatuurgeschiedschrijving (1997) by Nico Laan. Yet, the history of the humanities as a whole has only very recently been object of study.

    While previous editions of ‘The Making of the Humanities’ conference focus on a specific period, this fourth edition welcomes papers on any period, taking as its central theme ‘Connecting Disciplines’ with a special interest in comparing methods and patterns across disciplines. Keynote lectures will be held by Fenrong Liu (Tsinghua University, Department of Philosophy), Hans-Jörg Rheinberger (Max Planck Institute for the History of Science) and Helen Small (University of Oxford, Faculty of English).

    I am very thrilled to deliver a paper on the first day of the conference on ‘Criticism as a Connecting Principle: ‘Modes of Subjectivity’ in the Humanities’. In the paper, I would like to approach criticism as a scientific ‘mode of subjectivity’. According to Steven Shapin the inquiry of scientific modes of knowledge-making focuses primarily on objectivity (as an ideal). As a result, the investigation of the workings and specific forms of subjectivity in science is often neglected. Yet, when thinking about connecting disciplines in the Humanities the aspect of criticism can offer a fruitful insight in the way the Humanities form a whole. The study of the precise workings and functionalities of this special mode of knowledge-making in the day-to-day work of scholars is much needed: What do we actually mean when we speak – as academics – of criticism? Does the academic idea of criticism differ from the public idea of criticism, and if so, in what respect? How do conceptions of criticism change through time? In my paper I will give a demonstration of current research into the interrelation of scholarship and criticism that is characteristic of the history of the Humanities.

    For more information on the conference see the website: http://makingofthehumanities.blogspot.be/ 

  • Geen standbeeld voor de criticus

    Statler&Waldorf-Balcony“De criticus is traditioneel behept met een slecht imago. Al vanaf het ontstaan van de kritiek, in de vorm zoals wij die nu kennen (de bespreking of ‘recensie’) zijn er voorbeelden te vinden van de slechte reputatie van de criticus. In hun literatuurgeschiedenis Worm en donder (2013) halen Leemans & Johannes een aardig voorbeeld aan uit de vroegmoderne Nederlandse literatuur. Het betreft een vers van Johannes Lublink de Jonge (1736-1816), voorman van het Amsterdamse literaire genootschap Concordia et Libertate. Het gaat over een ondankbare dinergast die zijn ongezouten mening geeft over de maaltijd die hij net heeft genoten. Vanuit het perspectief van de gastheer horen we wat die mening was:

    Gansch anders had de man ’t verwacht;
    Hy vond by my niets fraais, niets vreemds, niets uitgelezen;
    De soep was veel te laf, de visch te gaar gekookt;
    De wyn niet fyn genoeg, het vleesch niet goed gerookt;
    In ’t kort, niets was er, of ’t had beter kunnen weezen.
    Wie zag ooit onbeschaamder vent? –
    Slaa dood den hond! slaa dood! het is een Recensent!

    Leemans & Johannes wijzen er op dat de term ‘recensent’ in Nederland geen gebruikelijke term was. Er werd eind 18e eeuw eerder gesproken over de ‘criticus’. De reputatie van de criticus was echter dezelfde als die van de recensent: hij was ofwel een domkop (vanwege ‘een gebrek aan wetenschappelijke kennis en kunde’), ofwel een schurk (die reageerde vanuit ‘persoonlijke hatelijkheden’).”

    ***

    Dit is de opening van een stuk dat ik schreef voor online opinieplatform deFusie en waarin ik mij afvraag hoe erg het eigenlijk is dat recensenten er doorgaans een nogal slechte reputatie op nahouden. Lees het hele stuk hier op deFusie.

  • Storytelling as Scientific Method

    banner_epe_2014The latest issue of Ethical Perspectives contains an extensive review I wrote on the book Levinas, Storytelling and Anti-Storytelling (2013) written by the British philosopher and novelist Will Buckingham. In his book Buckingham explores the style of the philosopher Emmanuel Levinas and his relation to storytelling (as well the way in which he tries to undo the telling of stories) in particular.

     

    Though Levinas’ work is used by a variety of literary scholars and fruitfully applied to the analysis of literary works, Levinas’ own relationship with narrative and storytelling is relatively under explored. Levinas, Storytelling and Anti-Storytelling wishes to fill this gap. But it also addresses broader questions on the role of narrativity within philosophy, questions on ‘what it might mean to write philosophically’ (2) and whether or not storytelling can be seen as a philosophical and even scientific method.

     

    One of the most interesting propositions made in Levinas, Storytelling and Anti-Storytelling is the connection between narrativity and ethics. Buckingham links storytelling directly to ethics, even suggesting that storytelling is ethical in itself, because the storyteller pays attention to particularities and historicity. This is in opposition to the practice of the philosopher-scientist who seeks ‘an essence that is fixed and absolute and eternal, a truth that is independent of time and circumstances’. (20) Hence, one of the issues that Buckinghams book raises and that intrigues me the most (also in the light of my own research into the relation between the public and academic discourse on literature): is it possible to make the opposition between the artist-storyteller and the philosopher-scientist into a useful dialectic? And if so, how?

     

     

    Read the entire review in Ethical Perspectives 21 (2014) 2, p.302-307.

     

     

    On Ethical Perspectives: 

    Ethical Perspectives aims to stimulate in-depth reflection and dialogue among researchers and decision-makers in all areas of human endeavour who are conscious of deep-seated ethical questions in areas such as contemporary economics, sociology, medicine and health care, politics, law, business, labour relations, cultural life, and other perennial and emerging questions.

     

    Striving after interdisciplinary collaboration among ethicists and specialists from diverse sciences, Ethical Perspectives is primarily an international forum for the promotion of dialogue between fundamental and applied ethics.

  • Vangnet

    fish-net-13262788Vorige maand verscheen het nieuwste nummer van DW B. Het bevat een dossier – of ‘focus’ zoals de redactie het noemt – over de notie van het vangnet in de literatuur:

    ‘Hoe schrijven zonder vangnet, zonder ironische distantie, zonder metafictionele commentaar die alle kritiek vooraf de mond snoert? Hoe een tekst maken waarin een risico wordt genomen, waarin “de lezer het geluk wordt gegund getuige te zijn van iets dat echt is, gevaarlijk, werkelijk”, zoals samenstellers Christoph van Gerrewey en Daniël Rovers het formuleren? Die wens komt vaak neer op het schrijven van authentieke, urgente ik-teksten, hoe subjectief die termen ook mogen zijn.’

    Dit schrijft hoofdredacteur Hugo Bousset in het redactioneel. De focus in dit nummer ligt dus op urgente ik-teksten, teksten die gaan om het leven van de schrijver, ‘wat niet wil zeggen dat er pure autobiografie wordt bedreven’ voegen Van Gerrewey en Rovers meteen toe. Wat bepaalt volgens hen de urgentie van een (ik-)tekst? Enerzijds het verlangen van de schrijver ‘om alles wat werkelijke belangrijk en begerenswaardig en intens is te verwoorden’. Anderzijds gaat het om teksten die op een bepaalde manier onaf zijn, die de lezer de vrijheid gunnen ‘zich op een hoogsteigen en niet vooraf bepaalde manier tot de tekst te verhouden’.

    De focus biedt voorbeelden van zulke teksten o.a. van de hand van Patricia de Martelaere (over Rousseau’s Bekentenissen), Zadie Smith (over vreugde, iets anders dan plezier, vertaald door Christoph van Gerrewey), Daniël Robberechts (over het (niet) roken van een sigaret), David Foster Wallace (een vertaling van ‘All that’ door Iannis Goerlandt & Daniël Rovers) en Charles Baudelaire (fragmenten uit diens ‘Journaux intimes’, vertaald door Rokus Hofstede).

    Om een mooie notitie uit DW  B van Baudelaire te citeren waarin het ‘werkelijk belangrijke’ benoemd wordt:

    13. Haast ons hele leven staat in dienst van het bevredigen van de nieuwsgierigheid naar onnozelheden. Aan de andere kant zijn er dingen die onze nieuwsgierigheid in de hoogste mate zouden moeten prikkelen en waar we, te oordelen naar ons dagelijks doen en laten, volstrekt onverschillig tegenover staan.

    Waar zijn onze dode vrienden?

    Waarom zijn wij hier?

    Komen wij ergens vandaan?

    Wat is vrijheid?

    Kan vrijheid samengaan met de wet van de Voorzienigheid?

    Is het aantal zielen eindig of oneindig?

    En het aantal bewoonbare werelden?

    Enz., enz.

    Voor dit nummer schreef ik het essay ‘Undo/redo: poëzie als herinneren en vergeten’ over Astrid Lampe’s prachtige bundel Rouw met diertjes waarin over rouw geschreven wordt als iets wat steeds weer gebeurt en steeds weer anders is. Rouw is niet alleen verwerken maar letterlijk werken: het is slopen en bouwen tegelijk vanaf een absoluut nulpunt.

    Achteraf gezien biedt de notie van het vangnet met betrekking tot deze bundel een passende invalshoek: in het eerste deel van de bundel, het gelijknamige ‘rouw met diertjes’ lijkt er geen vangnet te zijn, alleen onthechting, en als er ooit een vangnet was dan voelt het niet langer veilig (‘het ons bekende is me vreemd’). In de andere twee delen echter, getiteld ‘Dronken jol’ en ‘Maar geen kunstje gaat zo ver’, is er zeer nadrukkelijk een vangnet aanwezig; deze twee delen – die Lampe treffend ‘gesamplede bloemlezingen’ noemde – zijn ontstaan uit het knippen en plakken van regels uit twee bestaande bloemlezingen, namelijk Geboorte van het vers (1994) en Iets dat te groot is om te zien (1991). In hoeverre wordt de genoemde vrijheid van de lezer beperkt of juist vergroot door dit ‘vangnet’ van bloemlezingen uit respectievelijk de moderne Franse en moderne Amerikaanse poëzie?

    Verder in dit nummer van DW B: vertalingen en interpretaties van Samuel Becketts ‘Comment dire’, ingeleid door Marc Kregting. Proza van Bouke Billiet, poëzie van Johan Reyniers, tekeningen van de IJslandse kunstenaar Sigtryggur Berg Sigmarsson en besprekingen van De beloofde dinsdag de nieuwste poëziebundel van Martijn den Ouden (door Jeroen Dera), Sjeumig van Pepijn Lanen (door Emy Koopman en Lisanne Snelders) en de jongste afleveringen van de literaire tijdschriften Deux ex Machina, De Gids en nY (door Sven Vitse).

    COVER dw b 2014 2

  • Wetenschapper, u moet de wereld in!

    Twee weken geleden was de laatste bijeenkomst van de Huizinga-onderwijsreeks ‘Science, scholarship and society’ waarin de reflectie op de geschiedenis van de geesteswetenschappen centraal stond en de vraag hoe we, ondanks de grote fragmentatie binnen de humaniora en de grote verscheidenheid aan onderzoeksmethoden, toch tot een gemeenschappelijke reflectie kunnen komen op de (maatschappelijke) waarde van de geesteswetenschappen.

    Gastspreker voor deze laatste bijeenkomst was Wijnand Mijnhardt, hoogleraar vergelijkende wetenschapsgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht en één van de auteurs van het spraakmakende position paper Waarom de wetenschap niet werkt zoals zou moeten, en wat daar aan te doen is dat afgelopen september verscheen.

    In zijn lezing ging Mijnhardt uitgebreid in op de verhouding tussen wetenschap en maatschappij en betoogde hij dat de geesteswetenschapper (weer) meer moet gaan kijken naar de vragen die in de samenleving spelen. Volgens hem worden studenten in de humaniora op het moment te eenzijdig opgeleid tot cultuurwetenschapper. Zeker researchmasterstudenten worden aan alle kanten doordrongen van het idee dat hun toekomst ligt in de wetenschap, terwijl kwaliteiten en competenties van afgestudeerde geesteswetenschappers veel breder kunnen worden ingezet:

    ‘Dames en heren, u bent geweldige analytici, u kunt goed lezen, schrijven, denken en spreken en dat is een kwaliteit die veel waard is binnen maar zeker óók buiten de universiteit!’

    De geesteswetenschapper moet zich, volgens Mijnhardt, dus niet verschansen in de academie maar zich herbezinnen op zijn maatschappelijke taak. ‘Wij dienen een nieuwe rechtvaardiging te vinden voor de geesteswetenschappen in een wereld die voornamelijk wordt bepaald door grootkapitaal en een almachtige overheid, en waarin traditionele Bildungs-idealen hun betekenis hebben verloren.’

    Mijnhardts betoog was opzwepend, en ja, misschien staan we inderdaad aan de vooravond van ingrijpende veranderingen van het wetenschappelijke bedrijf die een einde zullen maken aan de moordende publicatiedruk en het prevaleren van kwantiteit boven kwaliteit, maar voor de RMA’s en de enkele aio in de banken bleef de oproep tot herbezinning toch erg abstract. Hoe moeten we dat precies doen? Als jonge onderzoeker kun je moeilijk zeggen, ik publiceer wel wat minder zodat ik meer tijd heb om mijn materiaal en resultaten extra grondig te overdenken.

    Bovendien is het niet alleen een kwestie van herbezinning op de academische praktijk door de wetenschapper zelf. Er is ook nog het dominante beeld van de wetenschap in de maatschappij dat niet strookt met de aard van veel geesteswetenschappelijk onderzoek. In het position paper wordt het standaardbeeld samengevat als ‘Het idee dat wetenschap 100% zekerheid biedt’ en ‘garant staat voor onweerlegbare kennis’. Dit beeld is volgens de auteurs een vertekend beeld. Het is in ieder geval een onvolledig beeld, want gebaseerd op slechts een deel van alle verschillende vormen van wetenschapsbeoefening die er zijn. Het position paper stelt daarom voor:

    ‘Laten we de mythes over wetenschap als enige plek op aarde waar ieder belangeloos en vervuld van hoge verheven idealen de prachtigste ontdekkingen doet, achter ons laten. (…) Een succesvolle ontmythologisering van wetenschap brengt de onderzoekers weer terug op het marktplein waar ze thuishoren, te midden van de potentiële gebruikers van nieuwe kennis.’ (6)

    Ik vraag mij af of dit waar is. De vraag blijft namelijk staan: hoe ziet de herbezinning er uit? In welke termen moet de geesteswetenschapper denken als het niet in idealistische termen is – trouwens, ik streef wel degelijk naar betrouwbare kennis! – en niet in de gebruikelijke geesteswetenschappelijke termen? Dan kunnen we wel op het marktplein gaan staan, maar wat hebben we dan te zeggen? En laten we wel wezen: wie zit er écht te wachten op hordes kritische geesteswetenschappers die de ballon van objectieve, betrouwbare kennis gaan doorprikken?

    Het nadenken over welke rol de wetenschapper kan spelen in het maatschappelijke veld is actueel en belangwekkend, ook binnen de literatuurwetenschap wordt al langer door sommigen een kloof tussen academie en breder publiek gesignaleerd (zie bijvoorbeeld McDonalds bekende The Death of the Critic (2007)), maar ik weet niet of een ‘ontmythologisering’ van het wetenschapsbeeld nu het beste middel is om daadwerkelijk een brug te slaan tussen de wetenschapper en het bredere publiek. Heeft niet ieder succesvol bedrijf tenslotte een aansprekende bedrijfsmythe die bijdraagt aan een leidende marktpositie?

     

    ***

    Maandag 26 mei vindt aan de Radboud Universiteit het debat plaats ‘The PhD factory and the disposable scientist: current concerns in academia. Directe aanleiding vormt het position paper Waarom de wetenschap niet werkt zoals zou moeten, en wat daar aan te doen is, dat overigens bij verschijnen niet heel positief ontvangen is op de Radboud. Zo uitte collegevoorzitter Gerard Meijer in zijn nieuwjaarsrede (januari 2014) flinke kritiek op de onzorgvuldigheid van het paper.

    Het debat wordt georganiseerd door aio’s en post-docs van de Radboud Universiteit in samenwerking met de Vakbond voor de Wetenschap. Het richt zich in het bijzonder op de positie van de jonge onderzoeker en het tijdelijk personeel dat zo’n 40% van de academie uitmaakt (zie het persbericht van de Vakbond voor de wetenschap).

    Deze column verscheen eerder op Neder-L.

  • Verantwoord bankhangen

    boek op de bankOp 5 juni is de eerste editie van Boek op de Bank, een nieuw literair festival in Nijmegen. Op negen bijzondere locaties vinden literaire programma’s plaats, rond negen schrijvers en dichters. Ik heb de eer gastvrouw te zijn van Philip Huff, auteur van onder andere Dagen van gras (2009), Niemand in de stad (2012) en de verhalenbundel Goed om hier te zijn (2013).

    Onlangs kondigde De Bezige Bij aan dat er nog dit jaar een nieuwe roman verschijnt met de titel Boek van de doden ‘over een generatie met een maximum aan zelfvertrouwen en een minimum aan zelfinzicht’. Daar zal ongetwijfeld wat aandacht aan besteed worden op 5 juni. (Ik ben alvast benieuwd of Het Amsterdams dodenboekje (1970) van Hans Plomp misschien ter inspiratie diende. In Niemand in de stad heeft Philip Huff al getoond het Amsterdamse (studenten)leven van nu graag onder de loep te nemen…)

    De andere auteurs waarbij je kunt aanschuiven zijn Yves Petry, Jamal Ouariachi, Abdelkader Benali, Ellen Deckwitz, Niña Wijers, Quirien van Haelen, Elfie Tromp en Hanneke Hendrix. Na drie rondes bankhangen bij je favouriete auteurs kun je literair verantwoord barhangen op de Boek op de Bank-afterparty in Merleyn.

    Boek op de Bank is een initiatief van literair tijdschrift Op Ruwe Planken en blogduo Arts en Lentes.

     

  • Kritische encyclopedie

    critiqueHet Vlaamse literaire tijdschrift DW B zet zich sinds 2005 in voor de terugkeer van de literaire kritiek in het literaire tijdschrift. Niet alleen op papier. Op haar website schrijft de redactie:

    “De voorbije jaren is het aanbod op het vlak van de gedegen en professionele literaire kritiek erg verschraald in periodieken. (…) Nu internet voor een overweldigend lezerspotentieel zorgt, een publiek dat steeds op zoek is naar meningen, maar voor zijn zoektocht zelden echt wordt beloond, wil DW B alle reeds verschenen (en intussen niet elders in boekvorm gepubliceerde) kritieken integraal online plaatsen, als pdf-bestand. Met een tijdsmarge van één aflevering worden de kritieken online geplaatst.”

    De kritieken worden verzameld in de zogenaamde Kritische encyclopedie.

    Onlangs is daar mijn essay ‘Down the rabbit hole (dan komt alles goed)’ aan toegevoegd over Hoi feest (2012) van Ellen Deckwitz en Dolhuis. Natura Naturata (2012) van Lucas Hirsch. Twee zeer uiteenlopende dichtbundels die beide op eigen wijze een specifieke verhouding onderzoeken, namelijk die van de ik tot de ander (in het geval van Deckwitz) en die van de dichter tot de maatschappij (in het geval van Hirsch). In mijn essay probeer ik grip te krijgen op de manier waarop de dichters de genoemde verhoudingen onderzoeken en te bepalen of zij slagen in hun opzet.

    Het essay is hier te lezen.

    ***

    afbeelding: Gravure J.W. Kaiser, ill. bij R.C. Bakhuizen van den Brinks artikel ‘Kritiek-Hyperkritiek-Onkritiek’, in De Gids 1839.

  • Uniek

    DSZ no. 23-24-028
    Nieuwe aandacht voor het uniekste tijdschrift uit de Nederlandse literatuur

    Het tijdschrift De Schone Zakdoek waart als een mythe door de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Niet alleen omdat De Schone Zakdoek het enige Nederlandse surrealistische tijdschrift was, maar ook, of eigenlijk vooral, omdat een nummer van het tijdschrift schaars goed was. Het verscheen namelijk tussen 1941 en 1944 in de bijzondere oplage van één exemplaar.

     

    De keuze voor de minimale oplage was een manier van de oprichters Gertrude Pape en Theo van Baaren om de tijdens de bezetting ingestelde censuur te omzeilen: omdat het verscheen in één exemplaar kon het simpelweg niet als officiële publicatie genoteerd worden. De Schone Zakdoek ontweek daarmee de verplichte registratie bij de Kultuurkamer, het door de bezetters ingestelde controle-instituut. De oplage van één exemplaar bracht echter nog een ander, inhoudelijk voordeel met zich mee. Het werd namelijk mogelijk om uniek beeldmateriaal zoals handgemaakte collages, foto’s en tekeningen op te nemen. Ondanks de beperkte omstandigheden en middelen konden Pape en Van Baaren op deze manier een zeer gevarieerd, fullcolour tijdschrift aanbieden, waarbij woord en beeld naast elkaar op de pagina stonden.

     

    Gedurende het driejarige bestaan van het tijdschrift hebben bijna veertig verschillende mensen meegewerkt. De belangrijkste medewerkers die ook na de oorlog nog zouden publiceren, naast de harde kern van Van Baaren en Pape, waren: dichter Ad den Besten, dichter-schrijver C. Buddingh’, dichter-tekenaar Chris J. van Geel, dichter-schrijver L. Th. Lehmann en schrijver-fotograaf-filmmaker E. van Moerkerken (pseudoniem Eric Terduyn).

    De enige exemplaren liggen tot de dag van vandaag veilig opgeborgen in de klimaatkasten van het Letterkundig Museum.

     

    Begin jaren ’50 had Cees Buddingh’, oud-medewerker van het tijdschrift, het plan opgevat om een bloemlezing van De Schone Zakdoek uit te brengen. Het bleef echter bij een plan. Het lukte hem niet de financiën rond te krijgen. “En misschien is dat ook maar het beste,” schrijft hij later in Buddingh’ van A tot Z. Ontmoetingen met Nederlandse en Vlaamse letterkundigen (1990), “legenden moet je niet tot werkelijkheid proberen te maken. Er zijn er al zo weinig.”

     

    In 1981 kon een breder publiek uiteindelijk toch een indruk krijgen van het tijdschrift. In dit jaar verscheen een bescheiden zwart-wit bloemlezing uit de verschillende jaargangen van de hand van oprichter Theo van Baaren. De bloemlezing was een dankbetuiging aan de literaire vrienden van Van Baren en Pape die tijdens de oorlog samenkwamen en die het maken van De Schone Zakdoek mogelijk maakten.

     

    Vorige week zaterdag 22 maart werd in de Nicolaikerk te Utrecht nummer 36/37 van De Schone Zakdoek gepresenteerd. Dit nummer werd gemaakt door vijfentwintig (voornamelijk Utrechtse) tekenaars. Hiermee geven zij – zeventig jaar na dato – een eerbetoon het uniekste tijdschrift uit de Nederlandse literatuur en wel op een manier die recht wil doen aan het kleurige en veelzijdige materiaal dat ieder nummer van De Schone Zakdoek rijk was. Ook dit nummer verscheen namelijk, jawel, in één exemplaar. Dit ene exemplaar is inmiddels alweer onderweg naar een klimaatkast in het Letterkundig Museum, maar niet voordat het volledig gedigitaliseerd werd. U kunt het nieuwe nummer van De Schone Zakdoek bekijken op de weblog:

    http://schonezakdoek.blogspot.nl

     

    Kijkt u vooral ook eens naar de eerdere stukken die verschenen op deze weblog waaronder foto’s van de omslagen van De Schone Zakdoek uit de eerste twee jaren, collages van Theo van Baaren, tekeningen van Gertrude Pape en één van de zeer jonge Gerdi Wagenaar, dochter van de kunstenaar Willy Wagenaar.

     

    Mocht u geïnteresseerd zijn geraakt in dit unieke tijdschrift en meer willen zien: op het moment loopt in het centraal museum de expositie Surreële Werelden waarin tevens aandacht wordt besteed aan De Schone Zakdoek.

     

     

    Voor uw lichamelijke verkoudheid

    een schone zakdoek

    Voor uw geestelijke verkoudheid

    DE SCHONE ZAKDOEK

    (motto uit De Schone Zakdoek, nr.3)

     

    ***

    Afbeelding: collage van Theo van Baaren uit De Schone Zakdoek 23-24.

    Deze column verscheen eerder op Neder-L