Het was ongetwijfeld een van de heetste informatieavonden ooit die de opleiding afgelopen dinsdag organiseerde. ’s ochtends hielden we ons hart vast of de mensen wel zouden komen. Maar ze kwamen en ze waren enthousiast en gemotiveerd. Een mooi begin van het nieuwe academische jaar!
Studieadviseur Quinten Rutten vertelde over de modulaire aard en opbouw van de opleiding Cultuurwetenschappen, welke ingangseisen er gelden (géén voor de Bachelor, enkele voor de Master) en hoe je tot een persoonlijk studieprogramma komt. Student Arjen Leendertz deelde zijn ervaringen met studeren aan de Open Universiteit en hoe hij dat weet te combineren met een drukke, onregelmatige baan (als uitvoerend musicus) én met een jong gezin. Maar ook hoe het is om weer met je neus in de studieboeken te zitten nadat je dat lang niet meer hebt gedaan en hoe stimulerend de verdieping kan zijn (ook al is het zeker niet altijd gemakkelijk de motivatie steeds even hoog te houden, het afstandsonderwijs heeft immers geen wekelijkse colleges die je bij de les houden, de prijs voor studeren in ‘je eigen tempo’). Als toegift gaf hij nog een waardevolle tip: blok standaard twee avonden in je agenda, dan hoef je er niet meer over na te denken of je gaat studeren maar doe je het gewoon.
In het tweede deel van het programma mocht ik een inkijkje geven in de inhoud van de cursus Kracht van verhalen, een brede inleiding in de narratologie die studenten Cultuurwetenschappen verplicht volgen in hun propedeuse (jaja, aan de OU hebben we nog een propedeuse). Het leek mij daartoe aardig om aan de hand van een actueel voorbeeld te demonstreren wat een narratologische analyse kan opleveren, niet alleen met betrekking tot verhalen of fictie in strikte zin (romans, poëzie) maar juist ook vanuit de bredere, interdisciplinaire opvatting van cultuur die we binnen de opleiding voorstaan. In de cursus leer je namelijk niet alleen narratologische inzichten toe te passen op literaire teksten (wel de hoofdmoot), maar ook om met narratologische blik naar journalistieke, wetenschappelijke en populaire teksten te kijken. (Zo’n blik kun je overigens ook loslaten op beelden, maar daarvoor hebben we een aparte cursus: De kunst van het kijken).
*
Zoals zovelen afgelopen weken werd ik gegrepen door de gebeurtenissen tijdens de Olympische zomerspelen. De narratoloog in mij werd daarbij in het bijzonder geprikkeld door de verhalen die rond de spelen werden gesponnen in de media. Over het algemeen was dat een verhaal van succes (ondanks tegenslagen), van passie, doorzettingsvermogen en kracht en vooral van heel veel hoop en verbinding. Exemplarisch voor die toon is bijvoorbeeld het overzichtsartikel dat de Volkskrant bracht op maandag 12 augustus jl. getiteld ‘Met ziel en zaligheid’.
In zijn essay Werelden van tijd (2003) staat Hans Achterhuis stil bij het veranderende tijdsbesef van de moderne mens. Hij beschrijft hoe aan het einde van de Middeleeuwen, ergens tussen 1270 en 1500, een cyclisch tijdsbegrip plaats gaat maken voor een lineaire opvatting waarin onze tijdsbeleving is gericht op een toekomst. Met dit toekomststreven is, aldus Achterhuis, de bodem gelegd voor het moderne, utopische vooruitgangsdenken.
In zijn essay, dat is gericht op het begrijpen van dit moderne tijdsbesef tegen de achtergrond van de verregaande globalisering, vermeldt Achterhuis vrij terloops de studie Das Leben als letzte Gelegenheit (1993) van de Duitse pedagogisch onderzoeker Marianne Gronemeyer. Hij noemt de studie omdat Gronemeyer, anders dan Achterhuis zelf, een veel exacter moment aanwijst waarop het lineaire tijdsbegrip het cyclische vervangt. Volgens Gronemeyer namelijk valt de ommekeer te situeren in de catastrofe van de pestepidemie, die tussen 1348 en 1351 de Europese bevolking decimeerde. Het is in deze jaren die werden getekend door de ontredderde ervaringen met de Zwarte Dood, dat volgens haar het besef opkomt dat we goed of ‘nuttig’ gebruik van onze tijd moeten maken. Hieronder rekent zij bijvoorbeeld ook het opkomende streven naar levensverlenging en naar tijdsbesparing.
Achterhuis gaat verder niet in op het verband tussen de pestepidemie en de mogelijke ommekeer in tijdsbeleving (het is duidelijk dat hij het wat vergezocht vindt en dat hij liever van een langzame ontwikkeling spreekt dan van een ommekeer), maar wie al twee jaar zit opgescheept met de coronapandemie, veert op bij deze passage. Dat gebeurde mij althans. De gedachte dat ook de huidige pandemie wel eens een diepgravende invloed kan hebben op ons tijdsbesef lijkt mij behoorlijk voorstelbaar, heeft corona immers niet een stevige stok gestoken tussen de spaken van het toekomstdenken?
De ‘stip op de horizon ontbreekt’ klonk het afgelopen maanden geregeld in de berichten over de impact van de coronamaatregelen. In de eerste plaats vanuit de sectoren die het langst gesloten bleven (cultuur, horeca, evenementenbranche) of die nu nog steeds niet open kunnen (de nachthoreca). Maar ook vanuit jongeren en studenten klinkt dit geluid al sinds de eerste lock down. In zijn eerste persconferentievan 14 januari jl. besteedde Ernst Kuipers expliciet aandacht aan de jongeren. Hij benadrukte dat 1 op de 3 mensen tussen 16 en 24 jaar last heeft van gevoelens van eenzaamheid en uitzichtloosheid. Uit de Monitor Mentale Gezondheid en Middelengebruik Studenten kwam vorig jaar al naar voren dat een groot deel van de studenten kampt met psychische problemen ten gevolge van de beperkende maatregelen. In plaats van hun vormende jaren te leven, hebben ze het gevoel in de wachtkamer te zitten om er vervolgens achter te komen dat ze de boot hebben gemist.
De behoefte aan een lange termijnplan is groot, maar hoe legitiem ook, na twee jaar is het tevens duidelijk dat ieder stappenplan of iedere routekaart verkruimelt bij de grilligheid van het virus. Die mooie maar wijkende toekomst waar ons lineaire tijdsbegrip op is gericht, lijkt simpelweg verdwenen. De coronacrisis laat zodoende zien wat we al langer wisten, namelijk dat de lineaire tijd en het utopisch vooruitgangsdenken tegen zijn grenzen loopt. We kunnen dit zien als een gemis, maar ook als een kans, zeker voor het hoger onderwijs zo betoogt Wim Kremer in de bundel Nooit meer dansen? De veilige stad in tijden van pandemie (2021). In zijn essay ‘Coronacrisis in perspectief. Academisch onderwijs op zoek naar het ‘nieuwe normaal” stelt hij onder meer dat
…juist deze uitzonderlijke situatie waarin corona ons heeft gebracht en die onvergelijkbaar is met iedere andere situatie die jonge mensen hebben meegemaakt, aanleiding zou kunnen zijn om aandacht te vragen voor de vraag hoe het onderwijs, juist nu, mensen moet vormen en toerusten om nieuwe dingen te bedenken en nieuwe wegen te ontdekken. (p.165)
Misschien moeten we, om deze opdracht echt goed uit te kunnen voeren, in analogie met Gronemeyers hypothese, meteen ook uitkijken naar de contouren van een nieuw tijdsbegrip. Niet een lineair begrip van tijd, maar een tijdsbegrip dat uitdrukking geeft aan het gevoel continu in het turbulente heden te leven zonder duidelijke stip op de horizon, een heden dat zich kenmerkt door parallelle stromingen, analoog en digitaal, door gelijktijdigheid (in professionele sferen opmerkelijk genoeg juist aangeduid als ‘a-synchroniciteit’, zie ook mijn vorige blog).
Het vaststellen van een eindpunt heeft dan niet zoveel zin, beter is het misschien, zoals onlangs in de Volkskrant werd geopperd, om ‘mee te surfen op de golven van corona’ en de bezigheden meer aan te passen aan het verloop van de (griep)seizoenen. Voor het onderwijs lijkt mij dat alvast een heel hoopgevend – ja, toch weer dat utopisch denken! – uitgangspunt waar we ook goed handen en voeten aan kunnen geven, zoals de auteurs voorstellen: zorg dat de perioden waarin het virus zich mogelijk koest houdt in het teken staan van analoog werken en socialiseren, wanneer de herfst zich aandient en de winter op komst is, kan er effectief overgeschakeld worden naar volledig online. Ik houd er alvast rekening mee voor het plannen van mijn onderwijs na de zomer. Tegelijkertijd lijkt het mij belangrijk om met studenten en docenten het gesprek te voeren over hoe het nieuwe onderwijs – of beter: het nieuwe leren – eruit kan zien en is het van belang daarin ook te durven experimenteren. Willen we uit de wachtkamer komen dan moet het ‘nieuwe normaal’ tenslotte meer zijn dan een online versie van het oude normaal, geen vervanging maar een alternatief.
Een jaar geleden begonnen we aan de voorbereidingen voor de bundel Nooit meer dansen? De veilige stad in tijden van pandemie. Het boek – een samenwerking tussen rechts- en cultuurwetenschappers van de Open Universiteit – is een poging de impact van de coronapandemie op de Nederlandse samenleving beter te begrijpen. We wilden daarbij nadrukkelijk verder kijken dan de ‘coronacijfers’ waar de kranten en andere nieuwsmedia vol mee stonden en die, nog steeds en om begrijpelijke redenen, het politieke debat domineren en het beleid bepalen. De cijfers zijn uiteraard belangrijk, maar de continue nadruk op de aantallen ‘coronabesmettingen’ en ‘coronadoden’ of het aantal bezette ic-bedden laat tevens zien dat COVID-19 onze notie van ‘veiligheid’ in één klap vooral tot een medisch vraagstuk heeft gemaakt. De auteurs van Nooit meer dansen? vragen juist aandacht voor andere aspecten van zowel de openbare als persoonlijke veiligheid: de toenemende ongelijkheid onder scholieren door sluiting van de scholen, de afgenomen openbaarheid van de rechtspraak in tijden van lockdown, het beperken van de grondrechten van de burger door de noodwetgeving, de zichtbare en onzichtbare toename van huiselijk geweld doordat gezinnen en huishoudens meer thuiszitten, maar ook wordt de effectiviteit van het metafoorgebruik van Rutte en De Jonge onderzocht en de wijze waarop culturele uitingen zoals gedichten, romans en films betekenis geven aan de plots veranderende werkelijkheid.
Toen we het manuscript van Nooit meer dansen? afgelopen zomer afrondden, zag de situatie er eigenlijk best goed uit. Besmettingscijfers en de ziekenhuisbezetting waren flink gedaald, het maatschappelijk leven ging langzaam open, mondkapjes waren niet langer verplicht, ‘het land haalde opgelucht adem’, schreven we in de opening van de inleiding. Maar meteen daarna kwamen ook de eerste berichten over de ‘Indiase’ of deltavariant en we besloten: ‘ja, we kunnen open, en ja, we mogen weer dansen, maar het virus blijft bij ons.’
We hebben enorm geluk gehad dat het symposium en de bijbehorende boekpresentatie op 15 oktober 2021 in Utrecht doorgang kon vinden. Een bijeenkomst op locatie, waarbij je elkaar kunt zien en aankijken, waarbij je niet alleen een zwevend hoofd in een gallery view bent en je reactie altijd een seconde te laat is, bevestigt namelijk weer eens hoe waardevol en diepgravend een discussie of gesprek kan zijn wanneer je met elkaar dezelfde ruimte deelt. Er was live stream, maar er werd ook tango gedanst en ik was blij dat ik op de eerste rij zat om het van dichtbij te zien. Het was prachtig. Kort daarna werd zo’n bijeenkomst door coronamaatregelen weer onmogelijk.
Een van de vragen die ik nog wilde stellen, maar waarvoor geen tijd meer was tijdens het panel ‘cultuur in crisistijd’ waarin we met onder anderen de Boekmanstichting de talrijke digitale vernieuwingen in de culturele sector bespraken: hoe brengen creatieve makers online een waardevolle uitwisseling tot stand? Het is een vraag die mij ook als docent bezighoud, want zoals we bij de Open Universiteit al langer dan de coronapandemie weten: enkel online onderwijs is alles behalve zaligmakend, reden waarom ons onderwijs altijd een mix is van activerend online leren en motiverende studiedagen en workshops op locatie.
Universiteiten hebben zich razendsnel aangepast aan de nieuwe realiteit. In de eerste lockdownmaanden van 2020 heb ik tal van inspirerende online initiatieven gezien van collega’s die zich in rap tempo bekwaamden in het monteren van filmpjes en opnemen van podcasts. Die explosieve creativiteit houdt echter niemand twee jaar vol. Studenten en docenten snakken naar ‘normaal’ onderwijs, naar ontmoeting, uitwisseling of ‘nabijheid’ zoals Marlies De Munck en Pascal Gielen schrijven in Nabijheid. Kunst en onderwijs na Covid-19:
In digitale versie verliezen [mensen] hun aura. Op het computerscherm lijken ze misschien wel dichtbij, maar samen met hun unieke, onvatbare verte verdwijnt ook een deel van hun aantrekkingskracht.
De Munck en Gielen schreven dit in 2020. Intussen is het januari 2022 en is het duidelijk dat de digitale transitie die door corona in een stroomversnelling is geraakt een nieuw stadium heeft bereikt. Het online lesgeven en -volgen, overigens net als het online thuiswerken, blijft. ‘The pattern for the rest of the 2020s is not the familiar routine of the pre-covid years, but the turmoil and bewilderment of the pandemic era. The new normal is already here’, schrijft The Economist op de drempel van het nieuwe jaar. Daarom is het zaak om met elkaar te bespreken en ontdekken hoe we willen dat ons educatieve of professionele online samenzijn er uit gaat zien, hoe we van isolatie naar nieuwe connectie gaan, van synchroon naar ‘asynchroon’ werken, van klassikaal naar ‘hybride’ leren of hoe we het ook zullen noemen over een tijdje. Die vraag is moeilijk, zoals ieder voorspellen moeilijk en eigenlijk onmogelijk is, maar ook spannend en het maakt de blik even los van alles wat op dit moment niet kan. Nog niet.
Hoe geven auteurs narratieve vorm aan het beeld van de toekomst en hoe kunnen wij die verhalen bestuderen? Deze vraag staat centraal tijdens het seminar ‘Toekomstbeelden in de literatuur’ dat op 17 mei a.s plaatsvindt in Utrecht, met gastlezingen van prof. Rein de Wilde, auteur van De voorspellers: een kritiek op de toekomstindustrie (2000) en Thomas Pierrart (KU Leuven) over zijn onderzoek naar Nederlandstalige toekomstromans.
Deelnemende studenten werken met speciaal voor dit thema ontwikkeld studiemateriaal in het digitaal laboratorium voor literatuuronderzoek LitLab. Dit materiaal, dat ik ontwikkelde in samenwerking met student-assistenten Tessa van de Warenburg en Evelien van Nieuwenhoven van de Universiteit Utrecht, is nu voor iedereen online te vinden op https://litlab.nl/veld/toekomstliteratuur/.
Meer informatie over het seminar is hier te vinden.
“Mijn opa werd geboren in 1900. Dat maakte het erg makkelijk zijn leeftijd te onthouden – hoewel het niet zoveel uitmaakte hoe oud hij precies was want voor mij was opa Winkler altijd al stokoud. Hij overleed in 1994. Ik was tien. Vandaag had ik een afspraak met meneer Van Hulst, de oudste bewoner van het verzorgingstehuis waar een goede vriend van mij fysiotherapeut is. Meneer Van Hulst is geboren in 1911. Dat betekent dat hij meer dan drie keer zo oud is als ik nu ben. Ik kan mij niet voorstellen hoe oud dat is. Het idee dat iemand al langer dan een eeuw op de aarde rondloopt is amper te bevatten.
Nog op 95-jarige leeftijd schreef Van Hulst een artikel over de dichter Albert Verwey. Hierin betoogt hij aan de hand van vele passages uit Verweys gedichten waarin naar ‘het Boek’ wordt verwezen dat Verwey zijn religieuze opvoeding nooit verloochend heeft. Een nogal tegendraadse opvatting. De Tachtigers, waartoe Verwey behoorde, zijn immers de boeken ingegaan als de dichters die Schoonheid op de plaats van God zetten en de dichter tot Christusfiguur maakten. Toen Van Hulst vernam dat er op dit moment door een veel jongere neerlandicus onderzoek wordt gedaan naar Verwey, veerde hij op in zijn rolstoel. Ik kreeg het artikel thuisbezorgd en moest maar eens komen praten.
‘Kunnen wij gezamenlijk een goed, dat wil zeggen geloofwaardig, verhaal vertellen?’, vraagt Ivo Victoria. Hij kijkt even op van het katheder. Het publiek is stil. Het denkt misschien na over wat ‘goed’ hier betekent, of wat ‘geloofwaardig’ is. Het denkt allicht aan de receptie die zo dadelijk gaat beginnen. Of het probeert de vraag te koppelen aan alles wat het eerder op de dag heeft gehoord, de vele voorstellen, plannen en initiatieven die gericht zijn op het versterken van de plaats van literatuur in de samenleving. Want dat is de reden waarom dit publiek van literatuurdocenten, critici, essayisten, academici, boekhandelaren, uitgevers, vakdidactici en bibliothecarissen vandaag bijeen is gekomen in Brussel. ‘Het is tijd voor actie’, schreef de organisatie in de aankondiging. Het doel van de dag is dan ook om gezamenlijk tot concrete voorstellen te komen die publiek en beleid zouden kunnen overtuigen van de maatschappelijke relevantie van literatuur.
In het ochtendprogramma waren al veel inspirerende initiatieven en samenwerkingsverbanden de revue gepasseerd: van de 50+1 canon tot inburgeringscursussen waarbij Nederlandse literatuur samen met nieuwkomers wordt gelezen; van het ‘ultra korte verhalen’-evenement van boekhandel Limerick tot de plannen van bibliotheek Muntpuntvoor een expositie over the Great European novel; van creative writing op de middelbare school en een doorgaande leerlijn cultuuronderwijs tot de educatieve projecten van het Letterenhuis; van het online platform voor literatuurkritiek deReactor tot een pleidooi voor een platform voor leesclublezers. Aan het einde van de dag was iedereen het er over eens dat er al ongelooflijk veel mooie samenwerkingsverbanden zijn. De zoektocht is dus niet die naarnieuwe verbanden. Eerder die naar het goede en geloofwaardige verhaal: wat is de juiste manier om het belang van dit soort verbanden uit te leggen aan een publiek dat niet automatische gelooft in de waarde van literatuur?
Die waarde was voor alle aanwezigen glashelder. Literatuur cultiveert, verrijkt, geeft betekenis, pleziert, zoals uitgever Harold Polis het kernachtig uitdrukte: het lezen van literatuur maakt ons ‘meer mens’. Literatuur lezen vult niet alleen het functionele taalgebruik aan, prikkelt niet alleen de verbeelding, betoogde eveneens docent Paul De Loore, maar biedt leerlingen ook een middel om de wereld te begrijpen en te interpreteren. ‘Geen betere voorbereiding op het leven dan literatuuronderwijs!’, concludeerde De Loore hartstochtelijk. Wij kunnen elkaar kortom prima uitleggen waarom literatuur lezen noodzakelijk en nodig is.
Maar hoe zit dat met mensen die veel minder vanzelfsprekend overtuigd zijn van de intrinsieke waarde van literatuur? Deze vraag werd aangekaart door docentopleider An Van Uytvanck die onder leerkrachten vaak een gebrek aan motivatie en interesse in literatuur constateert. We kunnen wel een hoop verwachten van de literatuurdocent – en dat die verwachtingen torenhoog zijn, bleek steeds weer, zoals Dirk Terryn stelde: ‘niet musea, bibliotheken of theaters zijn de grootste cultuurinstellingen van het land, dat is het onderwijs!’ – maar wat als de leerkracht zelf al niet warm loopt voor een roman, gedicht over theaterstuk? Daarmee wijst Van Uytvanck op een belangrijk punt, want het hierboven genoemde verhaal is een goed en geloofwaardig verhaal, maar het is dat vooral voor een publiek dat al overtuigd is. Hoe zit dat met dat andere publiek?
Die vraag stelde Annelies Beck aan de orde in haar bijdrage over literatuur op tv. Waarom, vroeg zij, zouden we boekenprogramma’s willen op televisie? Voor u is het duidelijk, literatuur krijgt daarmee een groter bereik, maar wat heeft de televisiekijker er aan? Interessant was Becks opmerking dat televisie een andere taal spreekt dan de literatuur. In dit medium gaat het helemaal niet om ‘boeken’ en ‘lezers’, maar om ‘ideeën’ en ‘kijkers’. Wil literatuur op tv werken dan moet het zich op die kijker richten, niet op de lezer. Bovendien moet het de kijker iets tonen waarvan het ‘niet eens weet dat ze het wil weten’.
Beck was een van de weinige sprekers die niet vanuit een traditionele literaire instantie sprak en dat bleek direct ook heel waardevol, want het maakt een fundamenteel probleem duidelijk van het willen overbruggen van de kloof tussen literatuur en maatschappij. Die maatschappij spreekt immers volgens een economische logica. Wat hier de waarde van literatuur wordt genoemd, is niet hetzelfde als wat maatschappelijk nuttig wordt geacht in de ogen van beleidsmakers en politici. Hoe kunnen we met andere woorden tegelijkertijd een goed en geloofwaardig verhaal vertellen aan een breder publiek én de waarde van literatuur (en het lezen daarvan) onderschrijven? Dit gaat volgens mij niet alleen met de genoemde intrinsieke argumenten, maar veelmeer nog middels het enthousiasme en de hartstochtelijke inzet die alle aanwezigen op 21 september toonden. Dat is tenslotte iets waar iedereen zich in kan herkennen. Ik snap bijvoorbeeld niets van het bouwen van moleculen, ik wist niet eens dat ik er meer over wilde horen, totdat ik afgelopen week de kersverse Nobelprijswinnaar Ben Feringa op tv hoorde vertellen over zijn liefde voor ‘mooie moleculen’. Op de vraag wat voor hem een mooi molecuul is, antwoordt hij: ‘Daar heb ik niet echt een definitie voor. Dat kan een molecuul met een mooie symmetrie zijn, of met een mooi skelet. Of met een functie.’ Eigenlijk is het heel simpel: ‘Ik geniet van hun schoonheid’.
Woensdag aanstaande, 21 september, organiseert PLISA (Platform voor Literatuur en Samenleving) in Brussel een bijeenkomst waarin de samenwerking tussen literatuurkritiek, literatuuronderwijs en literatuuronderzoek centraal staat. De toon is strijdbaar:
Het is tijd voor actie, ook in het veld van de literatuur. Het belang van het geschreven woord hoeft niet meer te worden aangetoond. Het is er gewoon: als vermaak, als schoonheid, als kennis, als vorm van engagement of als nutzondernut. Maar wat verloren is gegaan is de natuurlijke band tussen het onderwijs, de literaire kritiek, de academische studie. Elk van die domeinen ging zijn eigen weg en mede daardoor dreigt de relevantie van literatuur niet langer als evident te worden ervaren.
Tijdens de bijeenkomst tonen de verschillende domeinen wat zij elkaar te bieden hebben. Het doel is uiteindelijk om tot nieuwe voorstellen te komen voor samenwerking tussen kritiek, onderwijs en onderzoek. Ik ben alvast zeer benieuwd naar de voorbeelden van goede praktijken die vertegenwoordigers van de verschillende domeinen uit Vlaanderen zullen tonen.
In november volgt – ook bij deBuren in Brussel – de eerste Dag van de literatuurkritiek waarbij tevens de band met het literatuuronderwijs aangehaald wordt. Centraal onderwerp van deze dag is de vraag hoe literatuurkritiek ingezet kan worden in het middelbaar onderwijs.
Bekijk hier het programma van de PLISA-bijeenkomst.
Bekijk hier het programma van de eerste Dag van de literatuurkritiek.