Categorie: poëzie

  • Rainer Maria Rilke over kritiek

    rilke

    Hoe moet je als schrijver omgaan met literaire kritiek? Rainer Maria Rilke (1875-1926) geeft op 23 april 1903 het volgende advies aan de jonge dichter Franz Xaver Kappus (1883-1966):

    ‘… lees zo min mogelijk esthetisch-kritische geschriften – het zijn ofwel partijopvattingen, versteend en zinloos geworden in hun levenloze verstarring, ofwel slinkse woordspelingen, waarbij vandaag deze mening zegeviert en morgen de tegenovergestelde. Kunstwerken zijn van een oneindige eenzaamheid en met niets zo weinig nader te komen als met kritiek. Alleen liefde kan ze omvangen, bewaren en recht doen wedervaren. – Geef telkens uzelf en uw gevoel gelijk tegenover iedere soortgelijke analyse, bespreking of inleiding; mocht u toch ongelijk hebben, dan zal de natuurlijk groei van uw innerlijk leven u allengs en mettertijd tot andere inzichten brengen. Laat uw oordeel rustig en ongestoord tot ontwikkeling komen, een ontwikkeling die, zoals iedere vooruitgang, diep van binnenuit moet komen en door niets kan worden opgejaagd of bespoedigd. Alles moet eerst tot wasdom komen en pas daarna worden gebaard.’

    Uit: Brieven aan een jonge dichter. Uitgeverij Balans: Amsterdam, 2012. p.24-25.

  • Opzichtige stilte

    Uw woorden zijn niet meer van ons.


    Uw woorden vertrouwen ons niet, en wij niet onszelf.

    In Opzichtige stilte (2014), de jongste bundel van de Vlaamse dichter Leonard Nolens, doet een verteller verslag van zijn opname in een psychiatrische instelling. Op indringende wijze wordt het traject beschreven van intake tot ontslag en de periode kort na de opname, wanneer de verteller weer thuiskomt en het vertouwde tegelijk herkenbaar en vreemd voor hem is. Het persoonlijke en semi-autobiografische relaas van de verteller is tegelijk een meer algemene zoektocht naar de eigen stem, een stem die zich niet alleen vreemd of ongehoord weet in de werkelijkheid buiten de instelling, het is ook een stem die zijn eigenheid verliest in de dwingende omgeving van de psychiatrische instelling. Via de collectieve stem van de groep ‘onaangepasten’ komt de verteller uiteindelijk weer dichter bij zichzelf.

    Op De Reactor, Vlaams-Nederlands webplatform voor literaire kritiek, verscheen vandaag een bespreking van mijn hand over Opzichtige stilte.

    opzichtige stilte

    ***

    De Reactor richt zich op Nederlandstalige fictie en non-fictie en publiceert met grote regelmaat besprekingen van zowel poëzie en romans als filosofische werken en vertalingen. Vlaamse en Nederlandse critici van verschillende generaties, met verschillende expertises en met verschillende opvattingen over literatuur en kritiek schrijven voor De Reactor. Het webplatform is een initiatief van enkele redacteuren van literaire tijdschriften die de literaire kritiek een nieuwe impuls wilden geven. Het webplatform richt zich op een breed publiek van geïnteresseerde lezers die volgens de initiatiefnemers vaak hun gading niet meer vinden in de kolommen van kranten en weekbladen.

  • Vangnet

    fish-net-13262788Vorige maand verscheen het nieuwste nummer van DW B. Het bevat een dossier – of ‘focus’ zoals de redactie het noemt – over de notie van het vangnet in de literatuur:

    ‘Hoe schrijven zonder vangnet, zonder ironische distantie, zonder metafictionele commentaar die alle kritiek vooraf de mond snoert? Hoe een tekst maken waarin een risico wordt genomen, waarin “de lezer het geluk wordt gegund getuige te zijn van iets dat echt is, gevaarlijk, werkelijk”, zoals samenstellers Christoph van Gerrewey en Daniël Rovers het formuleren? Die wens komt vaak neer op het schrijven van authentieke, urgente ik-teksten, hoe subjectief die termen ook mogen zijn.’

    Dit schrijft hoofdredacteur Hugo Bousset in het redactioneel. De focus in dit nummer ligt dus op urgente ik-teksten, teksten die gaan om het leven van de schrijver, ‘wat niet wil zeggen dat er pure autobiografie wordt bedreven’ voegen Van Gerrewey en Rovers meteen toe. Wat bepaalt volgens hen de urgentie van een (ik-)tekst? Enerzijds het verlangen van de schrijver ‘om alles wat werkelijke belangrijk en begerenswaardig en intens is te verwoorden’. Anderzijds gaat het om teksten die op een bepaalde manier onaf zijn, die de lezer de vrijheid gunnen ‘zich op een hoogsteigen en niet vooraf bepaalde manier tot de tekst te verhouden’.

    De focus biedt voorbeelden van zulke teksten o.a. van de hand van Patricia de Martelaere (over Rousseau’s Bekentenissen), Zadie Smith (over vreugde, iets anders dan plezier, vertaald door Christoph van Gerrewey), Daniël Robberechts (over het (niet) roken van een sigaret), David Foster Wallace (een vertaling van ‘All that’ door Iannis Goerlandt & Daniël Rovers) en Charles Baudelaire (fragmenten uit diens ‘Journaux intimes’, vertaald door Rokus Hofstede).

    Om een mooie notitie uit DW  B van Baudelaire te citeren waarin het ‘werkelijk belangrijke’ benoemd wordt:

    13. Haast ons hele leven staat in dienst van het bevredigen van de nieuwsgierigheid naar onnozelheden. Aan de andere kant zijn er dingen die onze nieuwsgierigheid in de hoogste mate zouden moeten prikkelen en waar we, te oordelen naar ons dagelijks doen en laten, volstrekt onverschillig tegenover staan.

    Waar zijn onze dode vrienden?

    Waarom zijn wij hier?

    Komen wij ergens vandaan?

    Wat is vrijheid?

    Kan vrijheid samengaan met de wet van de Voorzienigheid?

    Is het aantal zielen eindig of oneindig?

    En het aantal bewoonbare werelden?

    Enz., enz.

    Voor dit nummer schreef ik het essay ‘Undo/redo: poëzie als herinneren en vergeten’ over Astrid Lampe’s prachtige bundel Rouw met diertjes waarin over rouw geschreven wordt als iets wat steeds weer gebeurt en steeds weer anders is. Rouw is niet alleen verwerken maar letterlijk werken: het is slopen en bouwen tegelijk vanaf een absoluut nulpunt.

    Achteraf gezien biedt de notie van het vangnet met betrekking tot deze bundel een passende invalshoek: in het eerste deel van de bundel, het gelijknamige ‘rouw met diertjes’ lijkt er geen vangnet te zijn, alleen onthechting, en als er ooit een vangnet was dan voelt het niet langer veilig (‘het ons bekende is me vreemd’). In de andere twee delen echter, getiteld ‘Dronken jol’ en ‘Maar geen kunstje gaat zo ver’, is er zeer nadrukkelijk een vangnet aanwezig; deze twee delen – die Lampe treffend ‘gesamplede bloemlezingen’ noemde – zijn ontstaan uit het knippen en plakken van regels uit twee bestaande bloemlezingen, namelijk Geboorte van het vers (1994) en Iets dat te groot is om te zien (1991). In hoeverre wordt de genoemde vrijheid van de lezer beperkt of juist vergroot door dit ‘vangnet’ van bloemlezingen uit respectievelijk de moderne Franse en moderne Amerikaanse poëzie?

    Verder in dit nummer van DW B: vertalingen en interpretaties van Samuel Becketts ‘Comment dire’, ingeleid door Marc Kregting. Proza van Bouke Billiet, poëzie van Johan Reyniers, tekeningen van de IJslandse kunstenaar Sigtryggur Berg Sigmarsson en besprekingen van De beloofde dinsdag de nieuwste poëziebundel van Martijn den Ouden (door Jeroen Dera), Sjeumig van Pepijn Lanen (door Emy Koopman en Lisanne Snelders) en de jongste afleveringen van de literaire tijdschriften Deux ex Machina, De Gids en nY (door Sven Vitse).

    COVER dw b 2014 2

  • kleine archiefcampagnes

    Verheugend nieuws! Het online literaire tijdschrift Samplekanon publiceerde gisteren vier van mijn ‘kleine archiefcampagnes’. Hoe het schrijven van een proefschrift niet alleen tot een proefschrift leidt…

    De gedichten zijn hier te lezen:

    samplekanon_logo_centered3