Blog

  • Criticism in the Modern Humanities

    fullsizerender-6In het najaar van 2014 vond in Rome het vierde ‘The Making of the Humanities’ congres plaats. Tijdens dat congres sprak ik over ‘Criticism as a Connecting Principle’. Na talloze herschrijf en schaafrondes en een straffe peer-review procedure verscheen – precies vier jaar later – het artikel ‘Criticism in the History of the Modern Humanities: the Case of Literary Studies in the Late Nineteenth and Early Twentieth-Century Netherlands’ in de derde jaargang van History of Humanities. Het artikel herpakt en denkt door op de belangrijkste bevindingen van mijn proefschrift Geleerd of niet. Literatuurkritiek en literatuurwetenschap in Nederland, sinds 1876 (2017) en plaatst die in het internationale debat over de waarde en maatschappelijke functie van de moderne geesteswetenschappen.

    Ontzettend blij met deze mooie afsluiter van 2018!

    Iedereen een prachtig nieuw jaar gewenst.

     

    Abstract

    Critical thinking and delivering criticism of cultural products, practices, and events are traditionally considered a distinctive asset of humanities research and education. Today, the notion of critical thinking is still highly prevalent in humanities’ self-description. At the same time, the question of whether criticism should have an intrinsic role within humanities practice remains highly disputed, especially within disciplines such as literary studies and art history. This article traces the development of the debate surrounding criticism and scholarship in order to historically contextualize the contemporary discussion on the presumed critical task of the humanities scholar. It focuses on the history of literary studies in the Netherlands in order to investigate the specific ways literary scholars in the past have articulated and shaped criticism through their academic practice. Two case studies are analyzed in depth: the practice of W. J. A. Jonckbloet (1817–85) in the formation period at the end of the nineteenth century, and the practice of N. A. Donkersloot (1902–65) in the first half of the twentieth century. The analysis shows the profound fluidity of the term criticism and sheds light on the constant negotiation of the boundaries of scientific objectivity (when critical judgment is understood in terms of textual editing or as part of the quest for aesthetic laws) and artistic subjectivity (when critical judgment is understood in terms of artistic interpretation and evaluation of the object of study).

    Marieke Winkler, “Criticism in the History of the Modern Humanities: The Case of Literary Studies in the Late Nineteenth- and Early Twentieth-Century Netherlands,” History of Humanities 3, no. 2 (Fall 2018): 303-325. Zie ook History of Humanities.

    10648572_10100978128345362_9041435302781154850_ofoto: The Making of the Humanities IV, KNIR, Rome, 16-18 oktober 2014. 

     

     

  • Vergeten boekenreeks

    Johan Polak en Rob van Gennep in het kantoor van uitgeversmaatschappij Polak & Van Gennep, april 1967

    Tussen 1961 en 1968 verscheen onder redactie van Rob van Gennep, Johan Polak en Th.A. Sontrop de paperback reeks Kartons. De serie bracht naast werk van debuterende dichters waaronder Rein Bloem, Jacques Hamelink en H.C. ten Berge en vertalingen van buitenlandse schrijvers zoals K.P. Kaváfis en Lius de Camoëns, een aanzienlijk aantal bundelingen van literair- en cultuurhistorische essays. Vaak ging het om heruitgaven van oudere teksten, zoals de Schrijfsels en schrifturen van historicus J. Presser of de kritisch-historische opstellen van de comperatist J. Kamerbeek. Maar ook nieuwe studies zoals Wisselend getij (1964) van Jenne Clinge Doorenbos over de dichterlijke en politieke activiteiten van Herman Gorter en N.A. Donkersloots Lotgevallen van een dichterschap (1965) over de receptie van Leopold vonden er een onderkomen.

    swartkrans Kartons

    Waar paperbackseries als de Ooievaarpockets (Bert Bakker) en de Stoareeks (Van Oorschot) inmiddels een plaats hebben verworven in de literatuurhistorische en boekwetenschappelijke overzichten daar blijven de Kartons ongenoemd. Dit terwijl het aan contemporaine waardering niet ontbrak. Kees Fens noemde de Kartons in 1964 ‘een mooie reeks (…) die het waagt boven het gegons van de actualiteit uit te gaan’. Fens had bedenkingen bij ‘de macht der paperbacks’, maar prees de kwaliteit van deze serie. Ook Pierre H. Dubois schreef positief over de reeks, in het bijzonder over de keuze van de titels. Het ging volgens hem om ‘literaire curiosa’: ’teksten (…) welke men anders niet zo gauw of niet zo gemakkelijk onder ogen krijgt’.

    Hoe functioneerde de Kartons als instrument om moeilijk toegankelijke teksten beschikbaar te maken voor een breder publiek? Welke functies vervulde de reeks in relatie tot het fonds van de jonge uitgeverij Polak & Van Gennep en het door diezelfde  uitgeverij uitgebrachte tijdschrift Merlyn (1962-1966)? En wat levert bestudering van deze door de literatuurgeschiedenis vergeten boekenreeks op als we haar begrijpen in de context van de literaire cultuur in de jaren zestig? Deze vragen komen aan bod in het artikel ‘Paperbacks met pretentie’ dat Mathijs Sanders en ik schreven voor Uit de marge. Kanttekeningen bij de cultuurhistorische canon (2018).

    1000_1000_6468_9789087047412.pcovr.UitDeMarge

    Uit de marge verscheen vorige maand bij uitgeverij Verloren ter ere van het afscheid van Erica van Boven als hoogleraar Letterkunde aan de Open Universiteit. Leidmotieven zijn de spanning tussen high, middle en lowbrow, de argwaan jegens bestsellers, het grillige verloop van reputaties en de tijdloosheid van de culturele omnivoor.

    De bijdragen zijn geïnspireerd door Erica van Bovens pleidooi voor onderzoek naar populaire cultuuruitingen en vormen samen een kleine geschiedenis van de smaak van het brede publiek.

     

     

    ***
    Afbeelding: Johan Polak en Rob van Gennep in het kantoor van uitgeversmaatschappij Polak & Van Gennep, april 1967.

     

     

  • LOCUS gelanceerd

    Schermafbeelding 2018-10-19 om 13.10.45De voorbije maanden hebben we met een klein projectteam intensief gewerkt aan de ontwikkeling van een nieuw online tijdschrift voor cultuurwetenschappen: LOCUS. Afgelopen zaterdag, 13 oktober, is LOCUS feestelijk gelanceerd tijdens de jaarlijkse Studentendag Cultuurwetenschappen van de Open Universiteit.

    Het tijdschrift biedt academisch geïnspireerde artikelen voor een breed publiek dat zich interesseert voor cultuurwetenschappelijk onderzoek in de volle breedte. Het doet dat in de vorm van halfjaarlijkse themadossiers waarin onderzoekers uit verschillende geesteswetenschappelijke disciplines zich buigen over een actueel thema binnen het cultuurwetenschappelijke debat. Voor de eerste editie stelden we een dossier samen rond ‘De Biografie‘ als wetenschappelijk genre. Het volgende dossier (te verschijnen voorjaar 2019) richt zich op de ruimtelijke dimensie van cultuur, zie de Call for Papers.

    Naast de themadossiers biedt LOCUS verschillende doorlopend rubrieken: long reads, columns, recensies en opiniestukken, maar ook reflecties op actuele wendingen in het cultuurwetenschappelijke debat en verslagen van congressen en andere academische activiteiten krijgen een plaats.

    Voor de lancering schreef ik een artikel over Mary Shelleys beroemde ‘gothic novel’ Frankenstein, die dit jaar zijn 200-jarige bestaan viert. Bij herlezing viel het mij op dat het lezen van wetenschappelijke en literaire teksten zelf een prominente rol speelt in de roman: welk beeld van de lezer treedt in de roman naar voren? En wat zegt dit beeld over het belang van lezen, toen en nu?

    Karakteristiek voor LOCUS is de multidisciplinaire focus. Het tijdschrift brengt verschillende disciplines uit de geesteswetenschappen samen en verwelkomt bijdragen vanuit zowel de kunstgeschiedenis als de literatuurstudie, de cultuurgeschiedenis als de filosofie. Dit onderscheidt LOCUS van de bestaande disciplinair georiënteerde vaktijdschriften.

    LOCUS stelt zich tot doel bij te dragen aan de valorisatie van cultuurwetenschappelijk onderzoek. De artikelen in LOCUS zijn bedoeld om kennis te delen, te inspireren, betekenis te geven, te duiden en het denken te scherpen.

    Een bijdrage leveren? Mail de redactie via locus@ou.nl.

    Unknown

     

     

     

  • ZUS

    [vimeo 269335492 w=640 h=360] zus from Marc Neys (aka Swoon) on Vimeo.

     

    Deze week verscheen de nieuwste Poëziekrant (nummer 5, jaargang 42) met daarin mijn bespreking van Jan Lauwereyns’ mooie en intrigerende bundel Zus (2018). ‘een groot machtig alles in een minuscuul dingetje van niets // vreemd / vind je niet / prachtig toch’. Net als de teaser.

  • Kurt Schwitters (door Schippers)

    kurt-schwitters-and-norway

    In zijn nieuwe roman Straks komt het (2018) gaat K. Schippers op zoek naar de plekken waar Kurt Schwitters (1887-1948) woonde en werkte. De tocht leidt naar Schwitters’ geboortestad Hannover waar hij in het ouderlijk huis zijn eerste Merzbau stapelde. Het huis staat er niet meer, in de nacht van 8 oktober 1943 werd het weggebombardeerd. Ervoor in de plaats kwam een deftige herenstraat met hoge, witte huizen. ‘De kapotte wereld van Merz is opgegaan in een wit land, dat bijna niets meer over de inhoud verraad’, schrijft Schippers. De straat ziet eruit als ‘een gerestaureerd gebit, te netjes, niet de slijtage van een eeuw’. Toch neemt hij er genoegen mee.

    Merzbau Hannover

    Ook bezoekt Schippers samen met E. (zijn vrouw Erica) het Duitse schiereiland Rügen waar Schwitters in de jaren twintig met vrouw en zoon heeft gelogeerd. Het eiland is bekend vanwege zijn ruige kustlijn met krijtrotsen, ‘een op drift geraakte kluwen vingers steekt de zee in’, maar ook vanwege de kolos van Prora: ‘een door de nazi’s in 1935 bedacht appartementencomplex voor arbeiders en militairen om bij te komen, in de zon. Heeft Schwitters dat nog gezien?’. Of zat hij toen misschien al in Noorwegen. In Oslo begon hij aan een nieuwe Merzbau, maar ook die bestaat niet meer. In de fik gestoken door een groepje kwajongens. Hij probeert het nog eens in een Noors fjord, maar moet ook daar al snel vluchten voor de Duitsers. Richting Engeland dit keer. De laatste Merzbau kwam tot stand in het Lake District.

    Kurt-Schwitters-collage

    Schwitters ken ik behalve van de Merzbau, van zijn Ürsonate (om precies te zijn vooral via de vertolking daarvan door Jaap Blonk) en van zijn talloze collages met papiertjes, verpakkingen, folders, entreekaartjes, bonnetjes, alles wat een ander achteloos in de prullenbak zou hebben gegooid. In Schwitters’ handen werden ze samengevoegd tot even gebalanceerde als spannende composities. Toen ik op de kunstacademie zat, was er een student die geobsedeerd was door Schwitters’ collages. Hij imiteerde ze, maar dan in kleine aantekeningboekjes. Het beplakken van de bladzijden zorgde er uiteindelijk voor dat de boekjes zo vol werden dat ze niet meer dicht konden. De uitdaging was om er zoveel collages in de krijgen dat de beide kaften elkaar zouden raken, zodat je het rechtop kon zetten. Bladeren werd onmogelijk.

    Wat nieuw is voor mij, en waar Schippers mij op wijst, zijn de schilderijen die Schwitters maakte in Noorwegen. Verstilde landschappen in olieverf. Ze zijn moeilijk te stroken met de avantgardistische werken waarmee Schwitters de kunst vernieuwde. De jonge Deense kunstenaar Per Kirkeby, die de schilderijen in de jaren zestig begon te verzamelen, noemde de landschappen ‘forbidden paintings’: ‘works that do not fit in with ‘history’’. De schilderijen, hoewel nieuwer dan de meeste collages, doen in eerste instantie inderdaad een stuk ouder aan. Toch zie je wanneer je langer kijkt – zeker naar de meer abstractere composities – dat ze niet ver van de collages of de Merzbau afstaan, dat ze misschien wel meer bij elkaar horen dan de genreconventies ons toeschrijven.

    Schwitters norway

    Schwitters 1

     

     

    Afbeeldingen: (boven) Kurt Schwitters schildert in Noorwegen (Djupvassjytta), gefotografeerd in 1933 door zijn zoon, Ernst Schwitters. (1918-1996). Beeld via Tate Modern. (midden) De Merzbau in Hannover, gefotografeerd door Wilhelm Redemann in 1933. Beeld via Moma. Een van Schwitters vele collages. (onder) Twee van Schwitters’ landschapschilderijen, gemaakt in Noorwegen (jaren dertig).

     

     

     

     

     

  • Present in Reality

    Volgende week start het congres ‘Picturing Reality‘ georganizeerd door de Association of Low Countries Studies (ALCS) in Sheffield. Ik heb er enorm veel zin in. Het thema vormt aanleiding om mijn favoriete beweging in de Nederlandse literatuur, het neo-realisme uit de jaren zestig, te behandelen en verder na te denken over de betekenis van het werk van auteurs als Schippers en Armando die de poëzie willen terugbrengen tot ‘een ogenblik in de gebeurtenissen van de dag’ (Leo Vroman, Ars Poetica 1959). Het wordt bovendien een feestelijke editie; het congres staat stil bij 70 jaar Nederlands aan de Universiteit van Sheffield.

    FullSizeRender

    uit: David Shields, Reality Hunger. A Manifesto (2010), p.46.

  • Zwarte hond

    drieentwintig tipsBegin dit jaar verscheen bij uitgeverij Marmer een tweede bundel van Runa Svetlikova: Drieëntwintig tips om de hond en je demonen aan de lijn te houden. De titel – en het spelen met rood en zwart daarin op de omslag – doet mij denken aan de fotoserie ‘Black Dog’ (2015) van Patricia van de Camp. Verstilde donkere zwart-wit foto’s van mensen met hun zwarte hond. Een rake verbeelding van hun depressie, aldus de fotografe. Even zo vaak is de hond ook een trooster, soms zie je amper wie er achter de hond schuilgaat, slechts twee armen om de nek van het dier.

    Symbolisch lijkt mij dat zwarte honden (en zwartharige beesten in het algemeen) haast onmogelijk zijn om te fotograferen. Ze slurpen al het licht op. Een gegeven dat Erik Kessels komisch uitbuitte in zijn fotoboekje In almost every picture #9 (2011), honderd-en-twaalf pagina’s met foto’s van dezelfde zwarte hond, maar het beest wordt nooit meer dan een zwart silhouet. Anders is dat bij Van de Camp, door haar wordt letterlijk en figuurlijk een poging ondernomen het zwart zichtbaar te maken. Svetlikova lijkt mij in haar bundel en met het ‘aanlijnen’ van de hond en haar demonen hetzelfde te beogen. In de nieuwe Awater schreef ik over het resultaat.

     

     

  • Kritiek als houding en handeling

    36_1_cover-half

    Onder de titel ‘nieuwe namen’ weidt het onvolprezen literair-wetenschappelijke tijdschrift Vooys een nummer aan het onderzoek van net gepromoveerde letterkundigen. Het is een bonte aflevering geworden met bijdragen van historische en moderne letterkundigen, van biopolitiek en queer studies tot herinneringscultuur, van gelegenheidsgedichten van 16e-eeuwse edellieden tot de ‘zeesterren’ van Judith Herzberg.

    De redactie vroeg mij voor dit themanummer te schrijven over de verhouding tussen de literaire kritiek en literatuurwetenschap in Nederland, maar dan met het oog op de eigentijdse situatie: welke posities worden er in de huidige moderne letterkunde ingenomen ten aanzien van de kritiek? Die vraag leidde meteen tot een volgende, veel ingewikkelder vraag die mij al een tijdje bezighoud, namelijk: wat betekent het eigenlijk om als literatuurwetenschapper (of algemener: geestesweten-schapper) ‘kritisch’ te zijn?

    Door een onderscheid te maken tussen ‘kritiek’ als een nieuwsgierig, onderzoekende houding die alles wat als vast gegeven wordt gepresenteerd bevraagt en ter discussie stelt en ‘kritiek’ als een concrete oordelende, evaluatieve handeling wordt het mogelijk enkele uitgesproken positiebepalingen te herkennen en analyseren. Gekeken is onder andere naar de invloedrijke studie De productie van literatuur (2006), het handboek Literatuur in de wereld (2013), de oratie van Yra van Dijk Fanfare uit de toekomst (2014) en het artikel ‘Revanche of conflict? Pleidooi voor een agonistische literatuurwetenschap’ (2014) van Hans Demeyer & Sven Vitse.

    Een tip van de sluier: antwoord op de vraag wat het betekent om als letterkundige in de 21e-eeuw kritisch te zijn, lijkt niet gezocht te hoeven worden in het aandeel ‘literaire kritiek’ in de wetenschap. Maar waarin dan wel? Je leest het in Vooys 36.1 (2018).

     

    Het artikel ‘Betrokken en/of gedistantieerd? Kritiek als houding en handeling in de moderne geesteswetenschappen en Nederlandse letterkunde’ vormt een tweeluik met het stuk ‘Interpretatie en/of patroon?‘ uit Vooys 31.1 (2013) waarin ik reageerde op de oratie van Rens Bod Het einde van de geesteswetenschappen 1.0 (2012).

     

     

  • Vloekschrift

    vloekschrift_cover-jpg

    “Vloekschrift is schreeuwerig, boos en attaqueert, maar doet dat niet alleen uit balorigheid. Integendeel, voortdurend is duidelijk dat het een kwaadheid is die voortkomt uit onmacht en hopeloosheid. Dit is een debuut dat bij uitstek uiting geeft aan het gevoel klem te zitten. Wat is in deze wereld nog ‘echt’? Hoe kunnen we het kapitalistisch ‘ik’ ontstijgen? Wat is ‘mijn eigen stem’ nog? Is het mogelijk voorbij het individualisme te geraken? Alternatieven zijn niet voorhanden, zelfs het begrip ‘gemeenschap’ is uitgehold en, in de woorden van Köseoğlu, poëtisch kapitaal geworden. Het opnieuw beginnen en schoon schip maken is bovendien al eens gedaan, die avant-gardistische handeling nog eens verrichten, is per definitie een tragische pose: radicaliteit wordt recycling. De woede is het enige ‘echte’ wat zodoende rest en verwordt tot een middel, een poging om een zelfbewustzijn te veroorzaken, een nieuwe ruimte te creëren van waaruit – misschien, toch, hopelijk – alternatieven kunnen worden gedacht.”

     

    Lees de hele bespreking van Vloekschrift (2017), het poëziedebuut van Arno Van Vlierberghe verschenen bij het balanseer, op deReactor.

     

     

  • neo-realisme: just a joke?

    Duchamp en wheel

    Onder de titel ‘Picturing Reality‘ stelt het aankomende ALCS Congres (zomer 2018) de relatie tussen kunst en werkelijkheid centraal. Vertrekpunt is de aanname dat kunst – ook als zij geen nadrukkelijke band met de vertrouwde realiteit aangaat – ons iets kan leren over de werkelijkheid. Deze aanname impliceert voor de congresorganisatie dat er vooral gekeken wordt naar zogenaamde ‘contact zones’, het literaire werk als ontmoetingsplaats van feit en fictie bijvoorbeeld, of van leven en kunst, van waarheid en verbeelding. Ik neem het thema ‘Picturing Reality’ te baat om door te denken op het onderwerp waar ik al sinds mijn studie door gefascineerd ben: de manier waarop Nederlandse auteurs zich vanaf het einde van de jaren ’50 laten inspireren door de moderne beeldende kunst om de literatuur te vernieuwen en hoe dit type literatuur – door literatuurhistorici ‘neo-realisme’ gedoopt – als minder literair, en zelfs als onartistiek wordt gewaardeerd.

    Recente literaire ontwikkelingen, zoals de grote populariteit van ‘waar gebeurde’ persoonlijke verhalen en de wens van schrijvers om met hun werk expliciet ‘in de wereld’ te willen staan als ook het bijbehorende engagement-debat, maken bestudering van het neo-realistische werk uit de (late) jaren ’50 en jaren ’60 opnieuw relevant. Waar kwam de behoefte van auteurs als K. Schippers en Armando vandaan om de realiteit als een ready made in de literatuur te brengen? In hoeverre verschilt het neo-realistische gebaar, of komt het overeen, met de beweging richting de werkelijkheid in de literatuur van nu, zoals die bijvoorbeeld wordt gesignaleerd door David Shields in zijn pamflet Reality Hunger (2010)?

     

    Hieronder het Engelstalig abstract van mijn bijdrage aan ‘Picturing Reality’ dat plaatsvindt van 28 tot en met 30 juni 2018 aan de University of Sheffield. Zie de website van the Association for Low Countries Studies voor het volledige programma en aanmelding. 

     

    Abstract

    When in the 60s neo-realistic Dutch writers such as K. Schippers, J. Bernlef, Armando and Hans Sleutelaar started to adopt the ready made-principle the literary establishment was shocked. Although these writers took inspiration from international artists, such as Marcel Duchamp and Robert Rauschenberg, the application of the ‘ready made’ within (Dutch) literature was evaluated as ‘easy’, ‘lazy’, ‘just a joke’ and moreover ‘non artistic’ (see Mourits 2001).

    Until today this reaction to the neo-realistic gesture pops up. Recently, critic Arjan Peters for example stated that Schippers was fooling his readers (de Volkskrant, 16/09/2017). Underneath this evaluation lies a strong believe in literature being different from reality; the idea that the artist – by means of his exceptional talent – can offer us an alternative reality. At the same time, this view is much contested by those who argue that literature should not be approached as something different from reality, but as a means to (critically) break into reality (see Vaessens 2009 and Van Rooden 2015).

    Still, within this debate which in the Netherlands circles strongly around the notion of ‘engagement’, the neo-realistic gesture of the ‘ready made’ is much neglected. In my contribution I like to revisit the work of K. Schippers and Armando, two writers who are still active, and propose a different interpretation of their work within the current debate on literary engagement. As a guideline I like to take David Shields thought-provoking manifesto Reality Hunger (2010) in which Shields argues that a new literary model has arrived, one that builds heavily upon the ‘ready made’-principle and hence meets our deep need for reality in a high-tech, mediated world.

     

    Afbeelding: Marcel Duchamp met Bicycle wheel (1913)