Blog

  • Onwaarschijnlijke werkelijkheid

    ‘Verhalen van een onwaarschijnlijke werkelijkheid’ luidt de ondertitel van het jongste nummer van Armada, tijdschrift voor wereldliteratuur. Het had de ondertitel van een themanummer over leven in tijden van Covid-19 kunnen zijn. De werkelijkheid voelt – ook  na de lock down – maar al te vaak hoogst onwaarschijnlijk aan. Alsof we met z’n allen gevangen zitten in een science fiction-roman, schreef auteur Kim Stanley Robinson afgelopen voorjaar in The New Yorker. Robinson beweert dit al  langer, maar nu lijkt het wel erg goed te passen. ‘Science fiction is the realism of our time’.

    Het themanummer van Armada gaat niet over Covidliteratuur, maar over klimaatfictie, twee zaken die niet eens zo ver uit elkaar liggen als we Robinsons argumentatie verder volgen: we zijn in deze situatie terechtgekomen omdat we onze leefomgeving uitbuiten op een wijze die niet meer valt te repareren. Marjolein van Herten en ik schreven voor dit nummer een bijdrage over Nederlandse klimaatfictie. En ja, daarvoor kwamen we in de eerste plaats uit bij voorbeelden die dicht tegen science fiction aanleunen: In alle steden (2017) van Aukelien Weverling, De goede zoon (2018) van Rob van Essen, het korte verhaal ‘Proximale Falanx’ (2019) van Jan van Aken. Keer op keer wordt benadrukt dat het klimaat als thema afwezig is in de Nederlandstalige letteren, maar is het echt afwezig of zien we het nog niet voldoende?

    Je leest het artikel ‘Niet de verklaring, maar het raadsel. Klimaatfictie in Nederland’ in nummer 2020#4 bij De Nederlandse Boekengids.

  • Vondsten en vergezichten

    nieuwe wegen

    De 136ste jaargang van het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (TNTL) bevat de eerste aflevering van een nieuwe rubriek, ‘Vondsten en vergezichten’, waarin ruimte wordt geboden aan kortere bijdragen die bijvoorbeeld een interessante ontdekking presenteren of die meer opiniërend of essayerend van aard zijn. Mathijs Sanders (Rijksuniversiteit Groningen) en ik schreven voor deze eerste aflevering een reviewartikel. Naar aanleiding van recente Engelstalige publicaties van o.a. Rita Felski en Joseph North gaan we op zoek naar nieuwe wegen voor de academische literatuurstudie in Nederland.

    Op neerlandistiek.nl verscheen een voorpublicatie.

     

     

  • Nachtegalen op hopen van compost

    De stad van de toekomst in Niemandslandnacht (2018) van Annemarie Estor.

    Changi

    De stad Orb is een lichtend middelpunt in een smoezelig, composterend landschap. Een stad van kristal. Helder, schoon, zuiver. Zo lezen we in Niemandslandnacht (2018), de jongste dichtbundel van Annemarie Estor:

     

    Orb ligt in het landschap
    als een lichtende kroon
    een roemrijke koepel, mythisch rijk.
    Men zegt
    dat de mensen er glanzen.
    Dat de duiven worden geruimd
    en de wind er wordt geweerd.
    Dat er garanties bestaan.

     

    Naast alle guirlandes in de lucht en nanodeeltjes goud in de bloedbanen van de bewoners, wordt ook meteen duidelijk dat voor alle schitterende perfectie een prijs moet worden betaald. Onder de koepel van Orb wordt het oog gecontroleerd en de mensen weten het. Althans, Pili, een zestienjarige inwoner van Orb, weet het:

    Ik scherm mijn ogen af met mijn hand
    en draai mij om, kijk recht een spiegel in.
    Een gezicht heb ik niet. Ik ben perfect,
    als iedereen.

    Pili heeft niets te verbergen en dat geldt voor alle inwoners: ‘…niets achter me, / zoals wij allen hier / niets achter ons hebben.’ Daarmee vormt de samenleving in Orb een letterlijke uitbeelding van een veelgehoorde reactie op berichten over de verregaande controle van instanties als de NSA of bedrijven als Facebook: zorgen omtrent privacy wuiven we vaak weg onder het mom dat we ‘toch niets te verbergen’ hebben. De surveillancemaatschappij van de toekomst is in Niemandslandnacht een griezelige werkelijkheid geworden. De Orbeanen hebben geen keus; er valt niets te verbergen. Op het hebben van vuile gedachten staan straffen, net als op verzinsels. ‘Onze ogen zijn gestut / opdat wij focussen op waardige horizonten’. Zelfs witte duiven worden uit de lucht geschoten om het zicht helder te houden. Pili stopt stiekem zo’n geschoten witte duif in haar tas.

     

    Grout

    Om de koepelstad Orb ligt een niemandsland omringd door een muur. Het niemandsland onttrekt de blik aan al het afval dat de prachtstad afstoot. Achter de muur, zo wordt al snel duidelijk, liggen de resten van het leven in Orb onverschillig te ruften.

    Manila slum

    Dit is het domein van de donkere, mistige sloppen van Grout, waar het rommelt, dampt en broeit. Het is echter niet enkel een wereld van ontbinding. Op de composthopen van Grout hebben de bewoners scharminkelige tuinhuizen opgetrokken en wonderwel manieren gevonden om voedsel te verbouwen op de stinkende grond.

    Systeembeheerders telen tijm en steranijs,
    beleggers kruisen cox’s orange pippins met elstars,
    bewakers worden gladiolenboeren,
    gevallen yuppen worden imkers:
    ze slaan de stropdas over de schouder
    en beginnen verwoed te slingeren,
    achter onooglijke vensters,
    boven hooiwagenmassagraven, bij peertjeslicht.

     

    Duiven worden in Grout niet uit de lucht geschoten, maar gemolken.

     

    Achter het uiterlijk van de sloppenwijk schemert gaandeweg een meer exotische wereld van kraampjes, kleuren en etensdampen. Wanneer Pili in Grout op zoek gaat naar haar biologische moeder, betreedt zij, samen met haar gids, juffrouw Valeria, een tent die flonkerend vol slingers en lampionnen hangt, ‘een India op kousen’. Hier bezoeken zij het duo Fakir Rafraf en Douz, een oudere dame met neusbel, sari en hangbuik, dat Pili meer weet te vertellen over haar afkomst en familie. Een enorme schok voor het meisje, dat tot het moment dat zij een duif in haar tas stopte en haar juffrouw daarmee confronteerde, van niets wist, want: ‘Niemand heeft een moeder’ in Orb.

     

    De zoektocht van Pili naar haar afkomst en de ontrafeling van de relatie tussen haar moeder Roza uit Orb en haar vader Radu uit Grout vormen de rode draad in de wervelende toekomstwereld van Niemandslandnacht. Er valt nog veel meer te zeggen over de plotontwikkeling, thematiek en motieven in deze uitgesproken narratieve bundel, over de aanduiding crime-poem op de omslag bijvoorbeeld, of over de vorm, zoals het typografisch contrast tussen de handgeschreven gedichten van Roza in de bundel en de staccato computertekens van de ‘sensoren’ die waken over het niemandsland. Ondanks de spanning en overweldigende beeldenregen bleven mijn ogen steeds haken achter de schematische weergave van Orb en Grout. Waarom is het beeld van de stad in toekomstnarratieven toch zo statisch en weinig gevoelig voor verandering?

     

    Orb-e-Grout

    Met de tegenstelling tussen het smetteloze en technologisch geavanceerde Orb enerzijds en het donkere, smützige Grout anderzijds toont Niemandslandnacht zich schatplichtig aan de dominante iconografie van steden in toekomstscenario’s en -vertellingen. Waar Orb grote gelijkenis toont met de smart city van de toekomst zoals die valt te herkennen in huidige trends in architectuur en stadsplanning (denk aan public green spaces zoals op de afbeelding van Jewel Changi Airport bovenaan dit stuk), daar schurkt Grout dicht aan tegen de prototypische representatie van de stad in science fiction en (post)apocalyptische romans en films. Van Metropolis tot Blade Runner 2049: de stad van de toekomst, is altijd donker, rokerig en meestal ronduit smerig. De strikte verdeling tussen diverse bevolkingsgroepen, weerspiegeld in de indeling van de stad vormt eveneens een terugkerend element in dit soort verhalen. Indringend is de manier waarop de segregatieproblematiek bijvoorbeeld wordt uitgewerkt in de sci-fi mocumentary District 9. Garnaalachtige buitenaardse wezens hangen verzwakt in een ruimteschip boven Johannesburg en worden, onder het mom van (non)’humanitaire hulp’, door mensen naar de aarde gehaald en ondergebracht in een vluchtelingenkamp. In het kamp steken conflicten en criminaliteit al snel de kop op. Omheiningen en prikkeldraad worden aangebracht, de bewaking wordt verzwaard. De grens tussen vluchtelingenopvang, sloppenwijk en gevangenkamp vervloeit.

    District 9

    In recente Nederlandse toekomstromans als Slaap zacht Johhny Idaho (2015) van Auke Hulst en In alle steden (2017) van Aukelien Weverling wordt tevens nagedacht over de verdeling van privileges en kapitaal, en hoe die bestendigd ligt in de organisatie en structuur van de stad. Overigens is een fascinatie voor cartografie ook in Niemandslandnacht aan te treffen: de bundel opent met een getekend plan van Orb en sluit met die van Grout.

     

    Anders dan een werk als District 9 lijkt het in Niemandslandnacht niet primair te gaan om het fileren van of kritisch reflecteren op de grote ongelijkheid in complexe stedelijke samenlevingen. Bekende tegenstellingen worden juist nog dikker aangezet. Hoe smeriger Orb, hoe glanzender Grout. Hoe weelderiger en wulpser Grout, hoe gepolijster en gemanipuleerder de kristalstad. Esthetisering van de vuiligheid dient met andere woorden vooral een literair doel ­– overeenkomstig met de blik van Roza die op de kluiten aarde nachtegalen ‘ziet glanzen van geluk’. Hoe hoopvol deze boodschap ook is, soms leidt de neiging het mooie in de vuiligheid te zien tot nogal ongelukkige montages. Bijvoorbeeld wanneer tussen de tentenkampen, uitlaatgassen en golfplaten een weelderige groentekraam opduikt met een grote luifel tegen de zon. De winkel toont ‘Waanzinnig groen, / een doos vol vers geoogste munt’. De kleurige groentekraam in combinatie met het invalide hulpje van de groenteboer die rare liedjes rijmt, lijkt een allusie op de kraam van groenteboer Collignon uit de film Amélie.

    Amelie groentekraam

    Montmartre op de puinhoop van bewoonde vuilnisbelten à la Manila?

     

    Dit soort collages wijzen erop dat de stedelijke setting in Niemandslandnacht slechts een futuristisch – zij het uitermate spectaculair! – decor vormt voor het verhaal van afkomst en verwantschap. Het verhaal van Pili, maar ook van Roza en haar geheime, vurige liefde voor Radu, haar zwangerschap en gedwongen abortus. ‘Ze zullen komen en waarschijnlijk gauw. Heet ik Roza, of heet ik nu Anomalie?’ In Orb wordt voor de vruchtbare vrouw bepaald wie haar man is, ‘Begin en eind van uw betrekking moet u melden’. De bewoners in het vieze Grout blijken uiteindelijk een stuk beter af dan in het perfecte Orb, juist omdat zij de verbeelding de vrije loop mogen laten, verzinsels mogen spinnen, nachtegalen zien en nog kunnen schrijven met de hand, iets wat verboden is in Orb.

     

    Nieuwe verbeeldingen

    Niemandslandnacht valt te lezen als een uitbundige lofzang op het durven dromen en onderstreept het belang van verbeelding en fantasie, misschien juist als de wereld om je heen in vele opzichten onooglijk is. Zelfs op afval valt te zaaien en te oogsten. Na lezing moet je even bijkomen. Maar als het sterrenstof is neergedaald vraag je je toch af of er grenzen zijn aan de esthetisering van afval en vuil. Hoe kan een werkelijk nieuwe verbeelding van de stad van de toekomst er uitzien? Is het mogelijk om buiten de dominante beeldvorming van glazen koepels en sloppenwijken te denken, of: hoe breken wij uit Orb-e-Grout?

     

    ***
    Afbeeldingen
    Afb. 1 Artist’s impression van Jewel Changi Airport (Singapore)
    Afb. 2 Slum in Metro Manila, Filipijnen
    Afb. 3 Filmaffiche van District 9
    Afb. 4 De groentekraam van Collignon uit Amélie

     

    Deze column verscheen in het kader van de Poëzieweek 2020 op www.ou.nl en op neerlandistiek.nl

  • CfP Narratives & Climate Change

    future city

    Imaginaries of the Future City: Envisioning Climate Change through Contemporary Speculative Fiction Call for Proposals – International workshop 25-26 June 2020 in Utrecht, The Netherlands and a subsequent special issue on Narratives & Climate Change

     

    Narratives & Climate Change

    Within the current debate on the societal consequences of climate change, environmental scientists, cultural scholars and artists from different scientific disciplines stress the importance of producing compelling narratives and scenario’s to envision the safe city of the future. Especially speculative fiction – the genre that explores possible futures – is considered a powerful tool that plays an important, integrating role in imagining and engaging with the implications of climate change.

    Not only do narratives offer a great opportunity to engage readers on a personal level with the complexities of climate change, they also play a productive role in policy making practices as well as in mediating calculated, data-driven climate scenarios.

    Connected by the productive power of speculative fiction and narratives, this workshop brings together some 20-25 scholars from different fields of study, such as environmental sciences, psychology and literary studies in order to foster a better and more integrated analytical discussion on the role of narratives in envisioning the societal, psychological and cultural consequences of climate change.

    We invite researchers from environmental sciences, psychology and literary studies working in multidisciplinary teams to present a draft paper in June and discuss theoretical, methodological or empirical standpoints on the specific nature, functioning or effect of climate change narratives. Both existing multi-disciplinary teams are invited to participate, as well as individual scientists who are open to work in such a team. Based on research field and expertise, and research ideas, the aim of the organizing committee is to bring together individual participants in order to enhance multi-disciplinary research teams. The aim of the workshop in June is to publish the draft papers, subject to normal review procedure, as a special issue in a highly ranked scientific journal or edited book on ‘Narratives & Climate Change’.

     

    Topical Themes 

    The workshop is open to a broad variety of interpretations of the relationship between narratives and climate change, but we strongly encourage submissions on the following themes:

    • How to conceptualize of and empirically understand the role that narratives play in bringing the global scale of the climate crisis into the realm of the personal, and what narrative techniques (e.g., the use of metaphors, allusion or extrapolation) are used to grasp the complexity of the climate debate? How do these narrative techniques function within lived experiences of climate change? How do they influence daily routines and practices (for instance individual, household, company, community but also government decision making)? How do narratives co-produce reality and contribute to the public debate, to governance or vice versa to (environmental) science?
    • Which narrative techniques can be discerned and which ones are used to grasp the complexity of the climate debate? How and why do either utopian or dystopian future scenario’s manifest themselves within approaches from the different fields of study? How do both utopian and dystopian schemes relate to ‘eco-anxiety’ and the wish to go beyond eco-paralysis?
    • Are narratives to be understood as means (‘productive fictions’) to encourage awareness and even foster behavioral change (‘risk related affect’, learning), and if so how can this be understood and what is empirically known about the way this affect is accomplished? Concomitantly, how do narratives co-produce reality and contribute to the public debate? What is the relation between fictional elements and non-fictional or realistic data in future scenario’s?

     

    Practicalities and submission deadlines

    Interested participants (individually or already teamed up) are encouraged to submit 500 word proposals plus bibliography, accompanied by a short biography (max. 200 words) by January 31, 2020. Please send your proposal to FutureCities[a]ou.nl.

    Participants will be notified of acceptance/rejection by February 28, 2020.

    Those selected to contribute are expected to submit a draft paper by June 1, 2020 as these will be distributed to all workshop participants beforehand.

    The draft papers will be intensively debated at the workshop and full papers should tentatively be submitted by November 2020.

    Authors with questions are encouraged to contact FutureCities[a]ou.nl.

     

    Organisation

    Prof. Dr. Brigitte Adriaensen, Dr. ir. Raoul Beunen, Prof. Dr. Stefan Dekker, Dr. Marjolein van Herten (coordination), Dr. Andries Hof, Prof. Dr. Dave Huitema, Jilt Jorritsma MA, Prof. Dr. Lilian Lechner, Evelien van Nieuwenhoven MA (coordination), Prof. Dr. Paquita Perez Salgado, Dr. Marieke Winkler (coordination).

     

    Website

    https://www.ou.nl/the-safe-city-imaginaries-of-the-future-city

     

    ***

    Afbeelding: Alexis Rockman, Manifest Destiny (2004)
  • Imaginaries of the Future City

    Amsterdam onder water

    In september is het onderzoeksproject ‘Imaginaries of the Future City: Envisioning Climate Change and Technological Cityscapes through Contemporary Speculative Fiction’ van start gegaan. Speculatieve fictie vormt hierin het uitgangspunt om samen met milieuwetenschappers en psychologen na te denken over de verschillende manieren waarop fictieve verhalen de verbeelding van de toekomstige stad vormgeven.

    Op 13 december presenteerden Marjolein van Herten en ik de eerste bevindingen tijdens het congres ‘(Un)Fair Cities: Equity, Ideology, Utopia in Urban Texts‘ (Limerick).

    Abstract

    How does narrative fiction function as an integrating discourse in constructing and shaping (collective) imaginations of a safe future city? This is the departing question of the interdisciplinary research project ‘Imaginaries of the Future City. Envisioning Climate Change and Technological Cityscapes Through Contemporary Speculative Fiction’ of the Open University of the Netherlands. In this project, researchers of different fields of study – literary studies, environmental studies and psychology – cooperate to investigate their use of narratives in thinking about and conceptualizing the future city. Our focus lies with the impact of climate change and technological developments on future city-life. In this paper we would like to share the first findings of our interdisciplinary research group, focusing in particular on the field of literary studies. The notion of ‘speculative fiction’ links to literary narratives that shape and constitute imaginations of the future city and society. In these narratives, cityscapes play a central role: they represent nodal points in which the anxiety surrounding contemporary urban problems and their impact on individuals, societal groups and their environment, are projected. For example, in the Dutch speculative novel De goede zoon (2018) the predominantly grey cityscape has infiltrated ruthlessly into rural areas; even when the protagonist finds himself ‘in nature’ the landscape is highly artificial (the dears in the forest turn out to be robots). Hence, the author confronts the reader with the question of the impact of urban planning in a globalizing world just by imaginatively ‘extrapolating’ present day developments. Even when not explicitly moralizing, the narratives produced within the framework of contemporary speculative fiction show a profound dystopian point of view raising the question to what extend they contribute to productive awareness. By analysing the way speculative fiction represents the future city this paper addresses the question to what extent speculative fiction can contribute to productive awareness of the impact of climate change and technology. Also, it offers reflection on the importance of narrative analysis in contemplating and conceptualizing the future safe city in other fields of study such as environmental studies and psychology.

     

    Het project ‘Imaginaries of the Future City’ wordt gefinancierd door het universiteitsbrede onderzoeksprogramma De Veilige Stad van de Open Universiteit.

     

    ***

    Afbeelding: Waterlicht, installatie door Daan Roosegaarde.
  • OSL Award 2019

    So happy with this: on October 11th, I was rewarded the OSL Award 2019 for my article ‘Criticism in the History of the Modern Humanities. The Case of Literary Studies in the late Nineteenth and Early Twentieth-Century Netherlands’, published in the 2018 Fall Issue of the journal History of Humanities (University of Chicago Press).

    Each year, OSL rewards two of its members with an OSL Award for the publication of an excellent scholarly book and article. The Awards are intended to acknowledge original and innovative contributions to the field of literary studies and to highlight the work of talented scholars at the beginning of their careers. The OSL Awards come with prize money of € 500,- for each award.

    The OSL Award 2019 for a book publication was for Tom Idema (Utrecht University) for his monography Stages of Transmutation: Science Fiction, Biology, and Environmental Posthumanism, recently published by Routledge.

    See this post at the website of OSL for a snippet from the jury’s motivation.

     

     

     

     

  • NorLit 2019

    This picture was taken at Copenhagen University where, on August 14th until August 16th the Nordic Association for Literary Research (NorLit) held its 2019 conference. This year’s edition was dedicated to the theme: ‘Money and Literature: Wealth, Finance, Aesthetics’ and explored the complex relations between literature, culture and economics in both a contemporary and a historical perspective. During NorLit 2019, Lina Samuelsson (Mälardalen University) and I took the opportunity to present the first findings of our project ‘The Crisis of Criticism Compared: Journalistic Literary Criticism in Sweden and the Netherlands (2007-2017)’. See the abstract of our presentation below or visit the website of Copenhagen University for a full description of the conference.

    How much does good criticism cost? – Economic and Aesthetic Statements in Journalistic Literary Criticism in the Netherlands and Sweden (2007–2017)

    Traditionally, in modern culture artistic and commercial values have a troubled relationship. For example, in regard to the literary field Pierre Bourdieu has pointed out that in order to gain ‘symbolic capital’ (artistic prestige) participants structurally conceal the economic dimension of literary production. In the case of literary criticism the tension between artistic and economic value becomes visible in the way critics reflect upon their profession, namely as either part of the artistic domain (‘criticism as an art form’) or the commercial domain (‘criticism as consumer information’). At the same time, due to digitalization (changed material conditions, amateur book bloggers, unpaid consumer reviews online) economic factors also seem to gain symbolic value, for example when payment as a demarcating criteria for professional criticism becomes a nodal point of discussion.

    In this paper we will reflect on the above mentioned tensions in relation to the outcomes of our project ‘The Crisis of Criticism: A Comparative Perspective’ in which we have analyzed meta-critical statements on book reviewing in public print media from Sweden and the Netherlands for the period of 2007-2017. It is striking that, while in Sweden the economic and material conditions of literary criticism are a recurring topic, this reflection is less explicit in the debate on Dutch journalistic criticism. Why is money such an important topic of reflection for the Swedish critic and less so for the Dutch? This question is analyzed in the light of the different views on the nature of criticism and the reviewing traditions in Sweden and the Netherlands.

    The Nordic Association for Literary research is a Nordic organization for literary research in all relevant disciplines such as comparative literature, the disciplines of language and cultural studies. Every second year the organization holds a conference devoted to the interdisciplinary research of literature.

     

     

     

     

     

  • Culturele plaatsen

    873px-Frank_Boggs_-_Quai_a_la_Seinie,_Paris,_au_Clair_de_Lune_-_Google_Art_Project

    Hoe kan de specifieke ruimtelijke dimensie van cultuur (of van specifieke cultuurproducten) worden geanalyseerd? En wat levert een analyse die zich richt op ruimtelijkheid voor nieuwe inzichten op ten aanzien van het bestaande onderzoek?

    Deze vragen worden verkend in het onlangs verschenen nieuwe themadossier van LOCUS. Tijdschrift voor Cultuurwetenschappen. Onder de titel ‘Culturele plaatsen’ staan onderzoekers uit verschillende cultuurwetenschappelijke disciplines stil bij de ruimtelijke dimensie van cultuur. Lees hier de artikelen en hieronder alvast het redactioneel:

     

    ‘Toen op maandagavond 15 april het nieuws bekend werd dat de Notre-Dame te Parijs in brand stond, volgden geëmotioneerde berichten zich razendsnel op. Honderden Parijzenaren stonden op de bruggen en langs het water te kijken naar de vlammen die hoog boven het dak uitsloegen. Sommigen van hen zongen, anderen brandden een kaars. ‘Een deel van ons staat in brand’, schreef de Franse president Macron op Twitter. De volgende ochtend kwamen Franse kranten woorden te kort om de gebeurtenis te omschrijven. Libération sprak op de voorpagina van ‘Notre Drame’ (‘Ons Drama’) en Le Parisien over ‘Notre-Dame des Larmes’ (‘Onze Dame van Tranen’).

    De betekenis van de meer dan 850 jaar oude kathedraal strekt ver voorbij haar functie als kerk. In de berichtgeving rond de brand wordt zij niet alleen een ‘symbool van het christendom’ genoemd, maar ook een ‘icoon van de stad’, ‘de ziel van Frankrijk’ en zelfs ‘de Notre-Dame van heel Europa’. Frans Timmermans, vicepresident van de Europese Commissie gaat nóg iets verder: ‘De Notre-Dame is een onderdeel van het erfgoed van Europa en de wereld. Als ze lijdt, lijden wij allemaal’.

    Toepasselijk op de situatie is de uitspraak van Winston Churchill, die in 1943 in het kader van de herbouw van het Lagerhuis zei: ‘we shape our buildings, and afterwards they shape us’. Deze uitspraak wordt aangehaald door Remieg Aerts in zijn bijdrage aan de bundel Alles is Cultuur. Vensters op moderne cultuurgeschiedenis (2018). Churchills uitspraak illustreert volgens Aerts de psychologische werking van gebouwen en de invloed die architectuur kan uitoefenen op ons gedrag. Niet alleen de verschijningsvorm van het gebouw, de vormgeving van de ruimte, beïnvloedt ons gedrag en gevoel (voelen we ons geborgen of juist beklemd, welkom of juist buitengesloten?), ook eerdere gebruiksfuncties en de aan het gebouw verbonden verhalen bepalen in sterke mate de betekenis ervan voor een individu of bepaalde gemeenschap. Op den duur kan een gebouw, zo blijkt zeer sterk uit de hierboven aangehaalde typeringen van de Parijse Notre-Dame, het zelfbeeld van haar gebruikers gaan bepalen.

    De ‘spatial turn’ in de cultuurwetenschappen

    De studie van de betekenis van ruimte en ruimtelijkheid vormt een belangrijke richting in de hedendaagse cultuurstudie. In zijn bijdrage aan Alles is cultuur staat Aerts specifiek stil bij deze richting die ook wel bekend is geworden als de ‘spatial turn’ in de cultuurwetenschappen. Een belangrijke impuls voor de studie van ruimte en ruimtelijkheid leverde het werk van Michel Foucault. In een lezing uit 1967 constateerde hij dat negentiende-eeuwse wetenschappers voornamelijk in temporele termen dachten. Fenomenen werden begrepen in termen van ontwikkeling, verandering, herkomst, crisis:

    ‘[t]he great obsession of the nineteenth century was, as we know, history: with its themes of development and of suspension, of crisis, and cycle, themes of the ever-accumulating past, with its great preponderance of dead men and the menacing glaciation of the world.’

    De twintigste eeuw daarentegen kenmerkt zich juist door een uitgesproken ruimtelijk besef, aldus Foucault. Dit wil zeggen, een besef van gelijktijdigheid:

    ‘We are at a moment, I believe, when our experience of the world is less that of a long life developing through time than that of a network that connects points and intersects with its own skein.’

    De nadruk op plaats en ruimte in de cultuurstudie komt onder andere sterk naar voren in de gehanteerde terminologie, zo signaleert Robert T. Tally Jr. in Spatiality (2013). Cultuurwetenschappers richten zich op de ‘circulatie’ van narratieven, beelden of culturele betekenissen, op het ‘in kaart brengen’ van culturele en sociale ‘netwerken’ of op het ‘lokaliseren’ van verschuivingen daarin. In dit licht valt ook te denken aan de benamingen van nieuwe methoden zoals ‘data mining’ en ‘mapping’ die door de digital humanities worden ondersteund en aangezwengeld. De aandacht voor de ruimtelijke dimensie van cultuur uit zich inhoudelijk in een brede cultuurwetenschappelijke interesse voor herinneringsplaatsen (lieux de mémoires), voor actuele thema’s zoals migratie en toerisme en in steeds grotere mate ook voor de wijze waarop cultuurproducten de beeldvorming rond klimaatverandering beïnvloeden (een focus die binnen de literatuurwetenschap wordt aangeduid als ‘ecocriticism’) kunnen hieraan worden verbonden.

    Onder de titel ‘Culturele plaatsen’ verkent dit LOCUS-dossier de mogelijkheden van het hedendaagse onderzoek naar de ruimtelijke dimensie van cultuur. Onderzoekers uit verschillende disciplines waaronder de cultuurgeschiedenis, filosofie en kunstgeschiedenis, buigen zich over de vraag: hoe kan de specifieke ruimtelijke dimensie van cultuur (of van specifieke cultuurproducten) worden geanalyseerd? En wat levert een analyse die zich richt op ruimtelijkheid voor nieuwe inzichten op ten aanzien van het bestaande onderzoek? Iedere bijdrage behandelt daarbij steeds een concrete casus (een kunstwerk, een locatie, een reële of fictieve ruimte). Op die manier wordt vanuit verschillende disciplinaire contexten zichtbaar hoe een culturele plaats betekenis krijgt toegekend, hoe divers die betekenissen kunnen zijn en hoe de plaats uiteindelijk gaat functioneren als meer dan een setting of achtergrond. De bijdragen benadrukken daarmee dat culturele plaatsen geen passieve, toevallige aanwezigheden zijn maar kunnen worden begrepen als actieve actoren. Daarmee sluiten de artikelen aan bij een belangrijk – zo niet het belangrijkste – inzicht dat de spatial turn naar voren heeft gebracht, namelijk ‘dat “ruimte”, groot of klein, zelf een veroorzakende factor is in menselijke samenlevingen en dat er een voortdurende wisselwerking bestaat tussen de mens en zijn natuurlijke en gemaakte omgeving’ (aldus Aerts).

    Met deze opzet hopen wij dat het thema ‘Culturele plaatsen: de ruimtelijke dimensie van cultuur’ – dat door sommigen als zeer abstract of erg theoretisch wordt ervaren – naast reflectie ook gerichte toepassingen biedt en inspireert tot nadere exploraties van de plaatsen die zo’n belangrijke functie vervullen in onze huidige cultuur. Plaatsen die soms zo vanzelfsprekend aanwezig zijn, dat we een brand nodig hebben om hun complexe historie en vele betekenissen opnieuw zichtbaar te maken.’

     

    ***
    afbeelding: Frank Boggs, Quai a la Seinie, Paris, au Clair de Lune, 1898
  • Toekomstliteratuur

    toekomstliteratuur

    Hoe geven auteurs narratieve vorm aan het beeld van de toekomst en hoe kunnen wij die verhalen bestuderen? Deze vraag staat centraal tijdens het seminar ‘Toekomstbeelden in de literatuur’ dat op 17 mei a.s plaatsvindt in Utrecht, met gastlezingen van prof. Rein de Wilde, auteur van De voorspellers: een kritiek op de toekomstindustrie (2000) en Thomas Pierrart (KU Leuven) over zijn onderzoek naar Nederlandstalige toekomstromans.

    Deelnemende studenten werken met speciaal voor dit thema ontwikkeld studiemateriaal in het digitaal laboratorium voor literatuuronderzoek LitLab. Dit materiaal, dat ik ontwikkelde in samenwerking met student-assistenten Tessa van de Warenburg en Evelien van Nieuwenhoven van de Universiteit Utrecht, is nu voor iedereen online te vinden op https://litlab.nl/veld/toekomstliteratuur/.

    Meer informatie over het seminar is hier te vinden.

     

  • Revanche van de podiumpoëzie

     

    Tom Lanoye als poëzieperformer

    ‘Weet ik veel hoe poëzie eruit / moet zien’, aldus de opening van het gedicht ‘Programma’ uit Hanestaart (1990), Lanoye’s tweede poëziebundel die verschijnt bij een reguliere uitgever. ‘Niet dat statische, / dat uniforme. Daar hou ik niet / zo van. Dezelfde toon herhaald / tot in den treure, en dat dan / ‘vormvastheid’ noemen, of ‘een / eigen stem’, dat soort gelul. / Nee, daar hou ik niet zo van.’ Zeker op deze manier achter elkaar geplaatst, valt in deze strofe de spreektalige stijl op. Lanoye schreef zijn poëzie dan ook primair voor het podium en met de bedoeling effect teweeg te brengen bij zijn publiek. De communicatieve functie en de verstaanbaarheid waren voor de jonge dichter daarom van essentieel belang. In Van oor tot oor (1981), uitgegeven in eigen beheer, zegt hij hierover:

    ‘Mijn publiek moest niet alleen uit lezers bestaan, maar mijn teksten moesten ook ten gehore worden gebracht. Een nieuwe orale literatuur diende te ontstaan, die zich van mond tot mond, van oor tot oor zou verspreiden.’

    2 van oor tot oor omslagIets later, in ‘Pleidooi van een performer’ (1983), stelt hij dat hij het performen niet alleen beschouwt als onderdeel van zijn eigen auteurschap, maar van het auteurschap in het algemeen. De dichter die zich niet wendt tot theatermiddelen bij het aan de man brengen van zijn werk, kan volgens hem beter achter zijn schrijftafel blijven zitten en ‘schrijver’ blijven. De auteur daarentegen voegt aan zijn schrijverschap iets extra’s toe. Hij vervolmaakt zijn schrijverschap door het gebruik van ‘theatertekens’.

    Juist die theatertekens – denk daarbij aan retorische middelen als de overdrijving, de parodie, het vermengen van registers en stemmen – worden door de literaire kritiek van dat moment minder met het concept literatuur in verband gebracht dan wel ‘met verschijnselen als glitter, show, cabaret’, aldus Dirk De Geest en Hugo Brems in Openener dan dicht is toe. Poëzie in Vlaanderen 1965-1990 (1991). Dit geldt eveneens voor Lanoye’s collega’s als we hem in ‘Pleidooi van een performer’ mogen geloven: ‘Bijna alle dichters die niet performen hebben een hekel aan dichters die dat wel doen. “Want het is geen echte poëzie”’. Echte poëzie laat zich niet ‘afleiden’ van de tekstuele inhoud door zoiets ordinairs als cabaret, ‘een eerlijk auteur stoort zich niet aan zijn lezers’, stelt Lanoye, en dit is nu precies wat hij wél doet.

    Lanoye wil zijn publiek niet op afstand houden maar juist aantrekken en verleiden. In de tweede strofe van het hierboven geciteerde gedicht presenteert hij het beeld van de toverbal om het type poëzie dat hij voorstaat nader toe te lichten:

    Geef mij dan maar het favoriete

    snoepgoed uit mijn jeugd. De

    toverbal. Je zuigt en zuigt

    maar, telkens komen er andere

    kleuren te voorschijn en voor

    je ’t weet, heb je helemaal

    niets meer. Dát is het, vind

    ik. Zoiets. Ongeveer.

    Tegenover de eerdergenoemde ‘vormvastheid’ en het statische benadrukt dit beeld juist het veranderlijke en tijdelijke van de poëtische tekst. Poëzie als verleidelijk snoepgoed, waarvan niets overblijft als het eenmaal is geconsumeerd. Maar moeten we de dichter hier op zijn woorden geloven, blijft er werkelijk niets over?

     

    Performers versus postmodernisten?

    Voor het beantwoorden van bovenstaande vraag, komt de relativerende toevoeging in de laatste regel ‘Zoiets. Ongeveer’ van pas. Het maakt de formule ‘poëzie = snoepgoed’ meteen een stuk minder stellig dan daarvoor werd beweerd. Om te zeggen dat de poëzie van Lanoye alleen maar draait om vermaak en plezierige consumptie blijkt al te gemakkelijk.

    Ten eerste refereert het beeld van de toverbal zonder centrum naar een dominant topos binnen de postmoderne poëzie volgens welke het werk wordt gezien als a-centrisch. Of, zoals Thomas Vaessens en Jos Joosten het uitleggen in Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen (2003), als een ‘weefsel’ dat altijd verweven is met andere weefsels en waarvan dus niet te bepalen is waar de oorsprong ligt of wat debetekenis is. Vanwege de nadruk op het communicatieve karakter (op basis waarvan je zou kunnen stellen dat er wel degelijk een betekenisgevend centrum is, namelijk het sprekend subject Lanoye), wordt Lanoye’s poëzie doorgaans tegenover de Vlaamse postmodernistische poëzie geplaatst. Dit gebeurde onder anderen door eerdergenoemde Dirk de Geest en Hugo Brems. Die tegenstelling tussen performers en postmodernen doet echter geen recht aan de overeenkomst die ook bestaat tussen beide groepen. Het beeld van de kernloze toverbal is direct te verbinden aan de postmoderne trek om de kenbaarheid van een zingevend centrum in twijfel te trekken. Bij nader inzien dient zodoende ook de figuur van de poëzieperfomer te worden opgevat als een verhuller. Het gebruik van theatermiddelen maakt immers dat hij een rol speelt en nooit direct samenvalt – voor zover dat al mogelijk is –met de particuliere persoon. Het is niet voor niets, denk ik, dat Lanoye zijn beschouwende stukken uit de jaren ’80 en ’90 ook wel vermommingen noemt. Zo prijst hij Vroeger was ik beter (1989), een bundeling van zijn vroegere teksten, als volgt aan:

    Wie dit boek doorbladert, zal zich afvragen: zijn dit nu kritieken, roddels of waar gebeurde verhalen? Zijn het brieven of beschouwingen, is het pose, analyse of inhoudsloos kabaal? Ach, het is dat alles tegelijkertijd. Alle genres treden aan, verkleed, verminkt, vermomd.

    3 vroeger was ik beter omslag

    Ten tweede blijkt dat het mixen van genres en registers niet alleen maar een dienende functie heeft. De eclectische vorm hangt nauw samen met Lanoye’s opvatting dat literatuur – net als iedere kunstvorm – niet iets hoogstaands is, maar iets wat midden in het leven staat. Kunst raakt niet aan het schone, goede of ware, maar is in het beste geval ‘een troost bij gebrek aan beter’, zo schrijft hij eveneens in Vroeger was ik beter naar aanleiding van het werk van Hans Warren. Juist het relativeren van de kunst geeft Warrens poëzie volgens Lanoye ‘een diepgang die ik bij vele andere dichters mis’. De diepgang van de kunst ligt niet in (vaak door de dichter zelf aangebrachte) theoretische kaders of een metaforisch denken – de reden waarom Lanoye het werk van collega’s als Hubert Lampo of Hedwig Speliers verafschuwt – maar in de acceptatie van de banaliteit van alles: ‘het enige wat je kunt doen is een klaagzang zingen over de onontkoombaarheid van het banale, en deze klaagzang kunst noemen en hopen dat zij vertroosting schenkt’. De kunst als uitlaatklep voor het beklemmende gevoel dat alles banaal is. Precies hierin ligt haar troostende waarde. Dit maakt de poëzie uiteindelijk veel meer dan een goed te consumeren toverbal.

    .

    Een nieuwe oraliteit

    In de jaren 80 voelde Lanoye zich een eenling. Zo stelt hij in ‘Pleidooi van een performer’ dat hij ‘vrijwel alleen’ staat in de opvatting dat het performen onderdeel is van het auteurschap. In het nieuwe millennium is het tij volledig gekeerd. Podiumpoëzie is inmiddels helemaal toegeëigend door het literaire establishment en de populariteit van evenementen zoals De Nacht van de Poëzie in Utrecht en Dichters in de Prinsentuin in Groningen is vele male groter dan de belangstelling voor papieren bundels. Vormen van poëzievoordracht zoals poetry slam en spoken word worden bovendien steevast gekaderd als florerende voorhoede van een verder nogal verdord poëzielandschap, zo schrijft Daan Borloo in zijn artikel ‘Podiumpoëzie: de nieuwe mainstream’ (2016): ‘Zowat elke instantie zwicht voor de coolnessdie rond slam poetry en spoken word hangt. Echt ‘underground’ kun je dat niet langer noemen’.

    De literatuurwetenschap kan daar natuurlijk niet bij achterblijven. Al in 2009  constateerde Gaston Franssen dat de professionele literatuurbeschouwer van nu niet meer om podiumpoëzie heen kan en roept hij op tot een constructieve dialoog tussen performers, critici en academici. Of die constructieve dialoog inmiddels wordt gevoerd en of er een gedeeld kritisch discours is ontwikkeld zoals Franssen hoopte, durf ik niet met zekerheid te zeggen, maar zeker is wel dat ook de academische ogen zijn geopend voor wat Lanoye ‘een nieuwe orale literatuur’ noemde. Tekenend is bijvoorbeeld dat de dichter die ‘alleen actief is op schrift’ in het recenter gepubliceerde Dichters van het nieuwe millennium (2016) als een uitzondering wordt gepresenteerd.

    De toenemende belangstelling voor podiumpoëzie valt niet alleen in verband te brengen met een beweging weg van de individueleleeservaring richting een collectieve ervaring van poëzie, zoals de samenstellers van Dichters van het nieuwe millennium voorzichtig opperen en zoals door eerdergenoemde Borloo als verklaring wordt overgenomen. De populariteit van podiumpoëzie past tevens in een veel bredere cultuurmaatschappelijke tendens volgens welke het lang dominante geschreven woord het aflegt tegen het gesproken woord. Stefan Hertmans duidde deze culturele verandering in zijn recente Verweylezing De fictie en de feiten fraai als ‘de momentane magie van het orale woord’. Het geschreven woord is in de huidige, hoogtechnologische mediasamenleving onder verdenking komen te staan. Zij representeert niet meer de uiting van een betrouwbare autoriteit, veeleer wekt zij wantrouwen (is de tekst niet gemanipuleerd? Wiens visie of mening krijg ik hier opgedrongen?). Hiertegenover wint het directe orale woord aan geloofwaardigheid, stelt Hertmans. De ‘momentane magie van het orale woord’ valt volgens hem dan ook samen met het aura van ‘exclusieve authenticiteit’ dat het gesprokene omgeeft.

    De keuze voor Lanoye als auteur van het poëziegeschenk is een keuze voor een dichter die bij uitstek de performance-poëzie vertegenwoordigt – een type poëzie dat zich lang in de marge ophield maar dat inmiddels ‘de nieuwe mainstream’ mag worden genoemd. In het licht van de populariteit van ‘de nieuwe orale literatuur’ wint ook het vroege werk van Lanoye opnieuw aan betekenis. Hoe verhoudt zijn podiumpoëzie uit de jaren 80 zich tot wat er nu op het podium gebeurt? Leeft de ‘poëtica van de toverbal’ nog of heeft zij onder de poëzieperformers van nu andere vormen aangenomen, en welke dan? En hoe kan de podiumpoëzie worden begrepen (als vermaak? of ook als tegengeluid?) in het kader van de veel bredere, ingrijpende maatschappelijke tendens richting een nieuwe oraliteit waarvan we nog maar net begonnen zijn die te signaleren en begrijpen.

    Deze column verscheen in het kader van de Poëzieweek op de website van de Open Universiteit en op neerlandistiek.nl

    .

    Bronnen

    • Hugo Brems en Dirk De Geest, Opener dan dicht is toe. Poëzie in Vlaanderen 1965-1990, Uitgeverij Acco, Leuven 1991.
    • Daan Borloo, ‘Podiumpoëzie: de nieuwe mainstream’, in: Rekto Verso, 28 november 2016. Geraadpleegd via https://www.rektoverso.be/artikel/podiumpoëzie-de-nieuwe-mainstream.
    • Dirk De Geest, ‘Poëzie, poëzieopvattingen en publieke belangstelling in Vlaanderen’, in: M.A. Schenkeveld-Van der Dussen e.a., Nederlandse literatuur, een geschiedenis, Uitgeverij Contact, Amsterdam 1998, 867-872.
    • Jeroen Dera, Sarah Posman en Kila van der Starre, Dichters van het nieuwe millennium. Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21eeeuw, Vantilt, Nijmegen 2016.
    • Gaston Franssen, ‘Hoop op een plek in de finale. Een kleine antropologie van de podiumpoëziekritiek’, in: DW B154.2 (2009), 234-245. Geraadpleegd via http://www.dwbarchief.be/uitgave/2009/2/dead-men-walking/gaston-franssen/hoop-op-een-plek-de-finale-een-kleine-antropologie-v.
    • Stefan Hertmans, ‘De fictie en de feiten’, Verweylezing 2018 gepubliceerd in: NRC, 15 november 2018. Geraadpleegd via https://www.nrc.nl/nieuws/2018/11/15/de-fictie-en-de-feiten-a2755342.
    • Tom Lanoye, Van oor tot oor, eigen beheer, 1981.
    • Tom Lanoye, Hanestaart, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 1990.
    • Tom Lanoye, Vroeger was ik beter, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 1992. Hierin opgenomen ‘Pleidooi van een performer’ [1983].
    • Joost Niemöller, ‘Beelden, beelden, beelden. In gesprek met Tom Lanoye’, in: Bzzlletin 17, afl. 160 (1988), 44-50.
    • Thomas Vaessens en Jos Joosten, Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen, Uitgeverij Vantilt, Nijmegen 2003.

    .

    .

    .