Blog

  • zonder tong

    FullSizeRender

    Begin van dit jaar verscheen bij uitgeverij Polis Onder normale omstandigheden, de officiële dichtbundel van Frank Keizer (eerder verschenen van Keizer de chapbooks Dear world, fuck off, ik ga golfen (2012) en Mijn eigen problemen (2015) bij uitgeverij Stanza). Voor het jongste nummer van poëzietijdschrift Awater schreef ik een recensie over deze prachtige en uiterst beklemmende bundel. Ik had liever meer woorden gehad, zodat ik meer passages had kunnen citeren (bijv. ‘ik lig in bed / en verlang naar de ander / die niet naast mij ligt / naast mij ligt de status quo / en zijn inactiviteit en doelmatigheid’ of: ‘een gedenksteen vliegt door de ruiten / van het instituut / het is mijn exemplaar van Pan / waar ik eerst niet doorheen kwam / tot ik het begon te zingen’), of zodat ik had kunnen uitleggen waarom de bundel zo mooi is uitgeven. Ik zou hebben stilgestaan bij de Zwitserse bindwijze, een techniek die je niet veel ziet maar die een groot praktisch voordeel heeft, namelijk dat het boek makkelijk openvalt (en open blijft liggen). De zogenaamde ‘open rug’ die deze bindwijze oplevert – je ziet het bindgaren en de knopen daarin en ook de lijm die het geheel bij elkaar houdt – onderstreept naar mijn idee de uiteenspatting die in Onder normale omstandigheden wordt beschreven, de constructie, de artificialiteit van het 21e-eeuwse zijn. Anderzijds getuigt deze uitgave van een zekere ambachtelijkheid die tegemoet lijkt te komen aan de dichters hang naar een tijd waarin arbeid nog persoonlijk was (’toen productie nog niet was genormaliseerd’). Subtiel, mooi. (Chrétien Breukers denkt hier overigens anders over, maar hij meent dan ook dat het boekje al bij eerste lezing ‘uit zijn rug brak.)

    Uit Awater:

    13435325_10209907422302893_267419994440084602_n

     

     

     

  • Veldwerk II

    veldwerk

    Onder de titel ‘Wintertuin heeft een verhaal’ is literair productiehuis Wintertuin vorig jaar een blog begonnen. Hierop verschijnen meer inhoudelijke stukken over de Wintertuin-producties en registraties van die producties. Verder tref je er columns aan van schrijvers uit het Wintertuin-agentschap en van Wintertuin-medewerkers (o.a. met leestips). In de rubriek ‘Veldwerk’ ten slotte worden ontwikkelingen in het literaire veld belicht.

    Voor mijn tweede Veldwerk-column schreef ik over het congres Achter de Verhalen dat van 6 t/m 8 april plaatsvond aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ondanks dat het thema (‘het belang van de literaire cultuur’) in de call for papers nogal onheilspellend werd aangekondigd –’de literatuur verkeert in crisis en haar einde zou nakende zijn’– viel het mij op dat het crisis-thema amper werd geëxpliciteerd:

    ‘Veeleer werd het ‘belang van de literaire cultuur’ als een gegeven aangenomen. Daarmee werden de symptomen van de crisis niet ontkend, maar werd gekozen voor een positieve insteek. Het belang werd niet verdedigd, maar getoond.’

     

    Benieuwd hoe dat gebeurde? Lees de hele column hier.

    Zie hier voor de eerste Veldwerk-column getiteld ‘De schrijver van de toekomt kent zijn verleden’.

     

  • Bewust subjectivisme

    ‘Hoe kan een criticus of essayist een zo goed mogelijke criticus of essayist worden?’

    Deze vraag stelt Huug Kaleis zich in zijn ‘Credo voor eenzame wolven’, de inleiding bij zijn essaybundel Schrijvers binnenste buiten uit 1969. Vanuit het inzicht dat men de wereld niet goed kan waarnemen, zonder dat men eerst de blik op zichzelf heeft gericht, zoekt hij het antwoord in de zelfreflectie. Met instemming citeert hij psycholoog Alexander Mitscherlich (1908-1982) die schreef: ‘Onze kijk op de wereld buiten ons hangt nauw samen met de wijze waarop wij onszelf zien, de scherpte van onze blik voor onze medemenselijke omgeving is afhankelijk van de scherpte waarmee wij onszelf waarnemen.’ De moed tot genadeloze zelfkennis ofwel ‘bewust subjectivisme’ is volgens Kaleis een allereerste voorwaarde voor een essayistische én kritische benadering van literatuur:

    ‘Men benadert een stuk letterkunde zoals men zichzelf te lijf gaat, met dezelfde doezeligheid of leugenachtigheid, maar ook met dezelfde eerlijkheid, scherpzinnigheid en agressiviteit: men keert schrijvers binnenste buiten met de grondigheid waarmee men eerst zichzelf binnenste buiten heeft gekeerd. Daar liggen de factoren die beslissen over de mate van objectiviteit die men bereikt. De kunst is niet hoe zichzelf er zoveel mogelijk buiten te houden, de grote kunst is zich op de juiste wijze in te zetten.’ (p.12-13)

    Deze passage uit Schrijvers binnenste buiten noteerde ik al een tijd geleden en kwam ik vandaag weer tegen bij het opruimen van een stapel papieren. Het is één van die passages die geen plek zal krijgen in mijn proefschrift, zo’n zijweg die je even inslaat, maar waarvan je direct weet dat je niet te ver moet doorwandelen. Dit wist ik vooral omdat deze passage niet zoveel toevoegt aan wat ik reeds had gevonden.

    kale001schr01_01_tpg

    Kaleis, een toegewijde leerling van de essayist, criticus en latere hoogleraar Hans Gomperts (één van de protagonisten in mijn proefschrift), herhaalt hier de kritiek die zijn leermeester uitte op de literatuurbenadering van de redacteuren van Merlyn. Het ‘bewust subjectivisme’ wordt in stelling gebracht tegenover een benadering die het niet langer over ‘schrijvers’ en over ‘persoonlijkheden’ heeft, maar over ‘teksten’ en ‘structuurelementen’. De ‘mate van objectiviteit’ waar Kaleis in bovenstaand citaat over rept, valt te begrijpen als een directe reactie op de objectiviteitsclaim van redacteur J.J. Oversteegen die met de gerichtheid op de structuur de literatuurbeschouwer (of preciezer, diens persoonlijke opvattingen die niets met de te behandelen tekst te maken hebben) buiten het onderzoek wenste te houden. Waar ‘objectiviteit’ voor Kaleis vooral lijkt samen te hangen met ‘eerlijkheid’, de openheid van de lezer over zijn eigen achtergrond en voorkeuren, daar lijkt het voor iemand als Oversteegen in de eerste plaats te staan voor een gerichtheid op het object, de literaire tekst zelf. Beide literatuurbeschouwers blijken een hele andere opvatting van objectiviteit te hanteren. Hanteren zij misschien ook een andere opvatting van subjectiveit?

    Nu ik de passage van Kaleis nog eens lees, en de historische context terzijde schuif, vraag ik mij af: in hoeverre geldt zijn beschrijving enkel de essayistische werkwijze? Noteerde ik zijn citaat misschien omdat ik het zo treffend vond voor het werk van iedere literatuurbeschouwer, ongeacht het genre waarin hij of zij werkt, academisch, essayistisch, literairkritisch. Zoals Oversteegen veel later schrijft in het toch wel vreemde want hybridische boek Anastasio en de schaal van Richter (1985): ‘Iedere onderzoeker is naar mijn oordeel tevens lezer.’ (p.19) Kaleis’ citaat nodigt uit deze constatering verder te trekken, want wat zijn de implicaties van het gegeven dat de onderzoeker tevens lezer is? Wat is de juiste onderzoekende houding of wat is ‘de grote kunst’ van zich ‘op de juiste wijze in te zetten’?

    Deze vraag riep bij mij het prikkelende artikel ‘Revanche of conflict?’ (Spiegel der Letteren 56 (4), 2014) in herinnering waarin Sven Vitse en Hans Demeyer pleiten voor een ‘agonistische literatuurstudie’. In dit artikel stellen de auteurs onder andere dat ‘wat niet waardevrij is niet waardevrij beschreven kan worden.’ (p.531) Elk literair verschijnsel verhoudt zich expliciet of impliciet tot de heersende maatschappelijke en literaire normen. Voor de beschrijving van dat verschijnsel geldt hetzelfde, want ook die dient zich te verhouden tot wat de auteurs in navolging van Chantal Mouffe de ‘hegemonie’ noemen. Het poëticale karakter van de literatuurstudie – waarmee wordt verwezen naar het gegeven dat de (literatuur)opvattingen van de onderzoeker altijd meespelen in diens onderzoek – kan met andere woorden niet worden ontkend. Vitse en Demeyer stellen dan ook voor dat de literatuurbeschouwer het inherente verband tussen onderzoeker en onderzoeksobject niet tracht te verdoezelen of probeert te overkomen, maar juist expliciteert. Een nieuw pleidooi voor bewust subjectivisme?

     

  • Expansiedrift

    navigatiesystemen-van-han-van-der-vegt-is-door-zijn-verrassende-themas-een-interessante-bundel-voor-de-beginnende-gedichtenlezer-e1445448538818-1900x630“Op de omslag van Navigatiesystemen, de zesde dichtbundel van Han van der Vegt (1961), staat een foto van een archeologisch object. Een platte, gepolijste, ronde steen met spijkerschriftachtige inscripties. Het colofon vermeldt dat het een ‘neo-Assyrische planisfeer’ betreft, een instrument waarmee men sterren en sterrenbeelden kan leren herkennen. Het neo-Assyrische rijk bestond ongeveer tussen 900 en 600 voor Christus. Het maakt het instrument op de omslag bijna drie millennia oud. De planisfeer die als een volle maan op de donkerblauwe omslag van Navigatiesystemen zweeft, geeft de richting aan waarin Van der Vegt de lezer meeneemt: de ruimte in, naar de sterren. ‘Een nieuwe wereld balt zich buiten de ronding van je helm’. Tussen voor- en achterflap bewegen we ons in een grenzeloos heelal waarin heden, verleden en toekomst met elkaar verbonden zijn, een virtueel landschap waarin de ons bekende concepties van zwaartekracht en massa opgerekt worden. Een plaats ‘…waar ideeën niet van toepassing zijn, waar je geld niets waard is / en waar wie je bent nooit voldoende is om een naam vast te houden’. De gedichten reiken ‘voorbij de menselijkheid’, aldus de ondertitel. Maar voorbij welke menselijkheid? En op welke navigatiesystemen moeten we ons beroepen in Van der Vegts uitdijende universum?”

    Voor de Reactor besprak ik de duizelingwekkende bundel Navigatiesystemen. Zes gedichten voorbij de menselijkheid (2015) van Han van der Vegt. Lees hier de hele bespreking.

  • Dichtersmarathon

    Screen shot 2016-01-26 at 16.38.16Samen met 29 andere dichters doe ik donderdag 28 januari mee aan de 30 + 30 Dichtersmarathon.

    Wat dat inhoudt legt poëziepodium Perdu, waar de marathon plaatsvindt, zelf het beste uit:

    “Dat poëzie niet moeilijk hoeft te zijn, bewijst Perdu jaarlijks op Gedichtendag. Niet door zich op die dag te beperken tot de eenvoudigste poëzie, maar juist door de poëzie in al haar diversiteit aan te bieden op een manier die vooral de nieuwsgierigheid prikkelt. Podiumbeesten en prevelaars, anekdotici en hermetici, vaklui en avonturiers, groentjes en grijsaards: ze staan naast elkaar en door elkaar op de 30 + 30 Dichtersmarathon.

    Het concept is uitermate eenvoudig: dertig Nederlandse dichters lezen elk drie gedichten voor: twee van henzelf en één van een zelfverkozen collega uit het buitenland. Bij het voorlezen wordt de poëzie niet onderbroken door aan- of afkondigingen, bio- of bibliografische informatie of entr’actes en intermezzo’s. Zo kan de aandacht van de luisteraar zich volledig op de poëzie zelf richten, die zich aan hem presenteert als een constante stroom in een onverbiddelijk ritme van ruim tweeënhalf uur.”

  • kleine archiefcampagnes II

    Soms worstelt het onderzoeksmateriaal zich los en breekt uit het academisch keurslijf. Zo ontstond de gedichtenreeks ‘kleine archiefcampagnes’. Vorige maand verschenen drie nieuwe gedichten in de reeks op het online literair tijdschrift Samplekanon.

    Wees welkom in het archief en lees de gedichten op:

     

    samplekanon_logo_centered3

    archiefcampagne

     

     

     

  • Tastbare literatuur-geschiedenis

    petite histoire omslag en flaptekstBij uitgeverij Les Impressions Nouvelle verscheen onlangs de ongewone literatuurgeschiedenis Petit musée d’histoire littéraire (redactie Nadja Cohen en Anne Reverseau). Aan de hand van beschrijvingen van objecten biedt het boek een blik op de literaire verbeelding in de periode 1900 tot 1950. Het gaat om de beschrijvingen van alledaagse objecten zoals de fiets, de ligstoel, het toilet; om herkenbare schrijversattributen zoals de typemachine en het tijdschrift; en om typische modernistische uitvindingen zoals het vliegtuig, de grammofoon, de radio. Door het prisma van de objecten beziet Petit musée d’histoire littéraire de technologische en maatschappelijke ontwikkelingen tussen 1900 en 1950. De schrijver wordt daarbij opgevoerd als bevoorrechte ooggetuige van de sociale en politieke veranderingen in deze turbulente periode.

     

    Het boek werd gemaakt door leden van de Leuvense onderzoeksgroep MDRN. Als gastonderzoeker van die groep schreef ik voor Petit musée een bijdrage over ‘Le mouchoir’: de zakdoek van Emma Bovary, de rode zakdoek van Morgensterns Palmström en het ondergrondse tijdschrift De Schone Zakdoek vertellen hun eigen kleine geschiedenis in de geschiedenis van Petit musée.

     

    Zie de website van de uitgever voor een inzage in het boek en hieronder voor de inhoudsopgave.

    petite histoire inhoud

     

     

     

  • Studiedag Kritiek & Wetenschap

    twee briefschrijvers

    Op donderdag 12 november 2015 organiseer ik voor de onderzoeksgroep SCARAB (Studying Criticism and Reception Across Borders) van de Radboud Universiteit een studiedag over kritiek en wetenschap met als thema ‘Interacties tussen publieke en academische literatuurbeschouwing in Nederland en Vlaanderen’. Hoe verhouden de werkzaamheden van de literaire criticus en de literatuurwetenschapper zich tot elkaar? Verschillende sprekers zullen zich tijdens de studiedag  over deze centrale vraag buigen. Zij doen dat vanuit twee invalshoeken:

    1. Vanuit de positionering van de literatuurbeschouwer: hoe positioneert de criticus zich ten opzichte van de academicus, en andersom? Welke wetenschappelijke/ culturele waarden worden ingezet om de eigen positie te markeren en af te bakenen?
    2. Vanuit de institutionele context: hoe wordt het spreken over twee verschillende praktijken ondersteund of misschien wel mogelijk gemaakt door institutionele ontwikkelingen?

    Het idee voor de studiedag ontstond tijdens mijn visiting scholarship aan de KU Leuven en ik ben dan ook zeer verheugd om twee sprekers uit Leuven te mogen ontvangen, namelijk Dirk De Geest en Bart Verveack. De Geest zal de verhouding tussen de publieke en academische literatuurbeschouwing in Vlaanderen tijdens het Interbellum belichten. Vervaeck richt zich op de wisselwerking in de naoorlogse periode aan de hand van het werk van Paul de Wispelaere.

    Daarnaast zijn er bijdragen van Jos Joosten en Mathijs Sanders, beiden verbonden aan de Radboud Universiteit en de onderzoeksgroep SCARAB. Joosten bekijkt de verhouding literaire kritiek en literatuurwetenschap in Nederland vlak na WOII en Sanders staat stil bij de didactische functie van de literaire criticus/academische literatuurbeschouwer.

    Als vijfde spreker nodige ik Gert-Jan Johannes (Universiteit Utrecht) uit voor een bijdrage vanuit wetenschapshistorische hoek. Johannes zal spreken over het omstreden bestaansrecht van de neerlandistieke literatuurbeschouwing.

    *

    De studiedag staat open voor PhD’s en stafleden van Nederlandse en Vlaamse universiteiten. Ook RMA-studenten geïnteresseerd in het onderwerp zijn van harte welkom. Deelname is gratis. Aanmelden kan door mij een e-mail te sturen via m.winkler@let.ru.nl.

    Voor meer informatie over het thema, de sprekers en het programma verwijs ik graag naar de website https://kritiekenwetenschap.wordpress.com/

    De studiedag wordt gesteund door het onderzoeksinstituut HLCS van de Radboud en de landelijke onderzoeksschool literatuurwetenschap (OSL).

    Zie voor meer informatie ook de aankondigingen van HLCS en OSL.

  • De leeslijst

    leeslijstGisteren verscheen De leeslijst. 222 werken uit de Nederlandstalige literatuur bij uitgeverij Vantilt. Het boek is gemaakt met het doel om iedere literatuurliefhebber (hernieuwd) kennis te laten maken met vergeten, onderschatte, of juist stukgelezen en vaak bekroonde werken uit de Nederlandse en Vlaamse letterkunde van alle eeuwen. ‘Niet omdat het moet, maar omdat het leuk is’ benadrukt ook de achterflap. De auteurs – allen (ooit) verbonden aan de opleiding Nederlandse Taal en Cultuur van de Radboud Universiteit – presenteren in De leeslijst hun keuze van belangwekkende, urgente, relevante, interessante of gewoon mooie boeken uit de Nederlandstalige literatuur. Van Vondels Gysbreght van Aemstel tot Claus’ Het verdriet van België, van de Wachtendonkse psalmen tot Gerjon Gijsbers nog te verschijnen Aan gort.

    De redactie was in handen van Nina Geerdink, Jos Joosten en Johan Oosterman. Bijdragen zijn van de hand van Lieke van Deinsen, Jeroen Dera, Anja de Feijter, René Gabriël, Nina Geerdink, Roeland Harms, Fieke de Hartog, Lotte Jensen, Bas Jongenelen, Jos Joosten, Judith Kessler, Ted Laros, Alan Moss, Jos Muijres, Johan Oosterman, Esther Op de Beek, Sophie Reinders, Floor van Renssen, Koen Rymenants, Cleo Schatorjé, Rob van de Schoor, Tom Sintobin en Janneke Weijermars.

    Voor De leeslijst schreef ik bijdragen over Paul van Ostaijen (Gebruiksaanwijzing der Lyriek en Nagelaten gedichten), Leo Vroman (Gedichten, vroegere en latere), Cees Buddingh’s onvolprezen Gorgelrijmen, De SS’ers van Armando & Sleutelaar, Louis Ferron (De keisnijder van Fichtenwald) en tenslotte Peter Verhelst (Memoires van een luipaard).

    ***

    Een eerste (enthousiaste) bespreking van De leeslijst verscheen op Neder-L:

    De leeslijst is een lekker grillige en eigenzinnige canon. Het is het soort boek waardoor je zin krijgt je baan op te geven. Wie het uit heeft, wil niets anders dan onderdak vinden bij een weldoener en dan alleen nog maar te lezen.’ — Marc van Oostendorp

    Op Tzum is de lijst van 222 werken en auteurs in chronologische volgorde te raadplegen. 

  • Veldwerk

    veldwerkLiterair productiehuis Wintertuin is afgelopen voorjaar onder de titel ‘Wintertuin heeft een verhaal’ een blog begonnen. Hierop verschijnen meer inhoudelijke stukken over de producties die zij organiseert. Ook is er plaats voor teksten die tijdens evenementen werden voorgedragen, en voor registraties van die evenementen.

    Zo is bijvoorbeeld de lezing die P.F. Thomése hield tijdens het festival [Nieuwe Types] niet alleen terug te lezen maar ook terug te kijken. In ‘De staat van het verhaal’ stelt Thomése dat de schrijver een personage is geworden, een ‘aandacht zoekende figurant’, een stelling die uitgesproken heel anders overkomt dan wanneer gelezen. Een goed idee dus om op deze manier de producties van Wintertuin te documenteren.

    Verder tref je op de blog columns van schrijvers uit het Wintertuin-agentschap en van Wintertuin-medewerkers (o.a. met leestips). In de rubriek ‘Veldwerk’ tenslotte worden ontwikkelingen in het literaire veld gesignaleerd.

    Naar aanleiding van de oratie van Kiene Brillenburg Wurth (hoogleraar literatuurwetenschap in vergelijkend perspectief) schreef ik voor ‘Veldwerk’ het stuk ‘De schrijver van de toekomst kent zijn verleden’. Het is hier terug te lezen (inclusief link naar Kiene’s oratie ‘Het schrijven aan de wand: literatuur in de toekomst’ en naar het geweldige elektronische woordkunstwerk ‘DAKOTA’).

    ***

    afbeelding: Umberto Boccioni, A Futurist Evening in Milan (1911)