Blog

  • Over het lezen van ‘Mens Dier Ding’

    Hippolyte_Flandrin_-_Young_Man_by_the_Sea_-_WGA07905‘Het was een prachtige partij, een paar uur

    was mijn leven niet van mij noch van de wetenschap.

    Alsof ik touwtje stond te springen op de maan.’

    dag(droom) # 2.608

    .

    Waar begin je met schrijven over de reeds bejubelde en veel besproken bundel Mens Dier Ding van Alfred Schaffer? De bundel is zo rijk aan beelden, referenties, observaties, dromen, absurde beschrijvingen en pakkende regels, dat eigenlijk ieder begin mogelijk is. Er zijn de afgelopen maanden vele momenten geweest waarop ik aan de bundel moest denken en meende dat dit hét aanknopingspunt was waarmee een nieuwe bespreking van Mens Dier Ding zou moeten openen: een aflevering van het spelprogramma ‘De Slimste Mens’ op VIER; een lezing van Pol Hoste waarin hij vertelt over een bezoek aan de Verenigde Staten en hoe hij, wilde hij meer te weten komen over de oorspronkelijke bevolking van Amerika, te horen kreeg dat hij niet bij het National History Museum maar bij het Natural History Museum moest zijn; een regel van Tom Van Imschoot uit het nummer van nY (juli 2014) over uitwegen in de literatuur:

    Je ‘ik’ is, net als voor iedereen, je enige transcendentale houvast in een wereld waarin alles vervloeit.

    Mens Dier Ding is een tekst met de wonderlijke eigenschap dat iedere eigen ervaring er even makkelijk als eindeloos in resoneert. Een beoordelaar van de Awater Poëzieprijs die dit jaar aan Schaffer werd uitgereikt, noemde de bundel treffend een ‘hallucinant caleidoscopisch meesterwerk’. Het lezen ervan brengt een grote verwarring met zich mee. Mens Dier Ding is ‘verontrustend’ schreven verschillende recensenten. In de woorden van de dichter zelf: ‘De bundel is te veelzijdig, hoop ik’. Is dit wat Brian McHale bedoelde met de tekst als ‘echokamer’?

    Hoewel ik in tijden niet zo’n mooie en indrukwekkende bundel heb gelezen, werd ik bij mezelf een nogal laffe reactie op de ongelooflijke veelzijdigheid gewaar. Namelijk, dat ik, om de echo’s te beheersen, teruggreep op begrippen waar ik vertrouwd mee ben geraakt tijdens mijn studie Nederlands. Begrippen als ‘intertekstualiteit’, ‘intermedialiteit’, ‘adaptatie’ en ‘narratieve poëzie’ en het ‘simulacrum’ van Baudrillard moesten mijn bespreking in goede banen leiden. Het leverde een makke beschouwing op waar ik uiteindelijk niet tevreden over was, omdat het een werk betreft dat naar mijn mening terecht wordt getypeerd als ‘vuurwerk’ (VSB-juryrapport) en ‘een gebeurtenis in de poëzie’ (Arie van den Berg).

    […]

    .

    ***

    Dit zijn de openingsalinea’s van een essay dat ik schreef over de bundel Mens Dier Ding van Alfred Schaffer. Het verscheen deze maand in de jongste aflevering van DWB.

    Ik heb lang aan de tekst gewerkt en het meerdere keren herschreven. Pas nadat ik Schaffers proefschrift De geschiedenis van een jonge god: mythe, primordialiteit en de representatie van de archetypische adolescent en jonge man in werken uit de moderne Afrikaanse literatuur en de wereldliteratuur (2002) had gelezen, vond ik een manier om iets nieuws toe te voegen aan de lange lijst besprekingen van Mens Dier Ding.

    Tegelijkertijd kwamen er – door het proefschrift en de dichtbundel met elkaar in verband te brengen – vragen naar boven die mij al een tijd bezighouden in mijn eigen promotieonderzoek: hoe kunnen wetenschap en kunst elkaar aanvullen? Wat kan de wetenschap leren van de literatuur, wat de literatuur van de wetenschap? Waar liggen de overeenkomsten, waar de onoverbrugbare kloven? Jagen beide eenzelfde soort kennis na? En wat behelst die kennis dan?

    Het essay ‘‘Ik heb mij nog nooit zo bevrijd gevoeld!’ Over het lezen van Mens Dier Ding van Alfred Schaffer’ is te lezen in de papieren versie van DWB 3, 2015.

    .

    .

    ***

    afbeelding: Hippolyte Flandrin. Jeune homme nu assis au bord de la mer. Figure d’étude (1836) 

    .

    .

    .

  • Rainer Maria Rilke over kritiek

    rilke

    Hoe moet je als schrijver omgaan met literaire kritiek? Rainer Maria Rilke (1875-1926) geeft op 23 april 1903 het volgende advies aan de jonge dichter Franz Xaver Kappus (1883-1966):

    ‘… lees zo min mogelijk esthetisch-kritische geschriften – het zijn ofwel partijopvattingen, versteend en zinloos geworden in hun levenloze verstarring, ofwel slinkse woordspelingen, waarbij vandaag deze mening zegeviert en morgen de tegenovergestelde. Kunstwerken zijn van een oneindige eenzaamheid en met niets zo weinig nader te komen als met kritiek. Alleen liefde kan ze omvangen, bewaren en recht doen wedervaren. – Geef telkens uzelf en uw gevoel gelijk tegenover iedere soortgelijke analyse, bespreking of inleiding; mocht u toch ongelijk hebben, dan zal de natuurlijk groei van uw innerlijk leven u allengs en mettertijd tot andere inzichten brengen. Laat uw oordeel rustig en ongestoord tot ontwikkeling komen, een ontwikkeling die, zoals iedere vooruitgang, diep van binnenuit moet komen en door niets kan worden opgejaagd of bespoedigd. Alles moet eerst tot wasdom komen en pas daarna worden gebaard.’

    Uit: Brieven aan een jonge dichter. Uitgeverij Balans: Amsterdam, 2012. p.24-25.

  • Literaire kritiek: Man niet overal aan de macht

    IMG-20150324-WA0004

    Ongeveer een maand geleden verscheen in NRC het artikel ‘Man schrijft de boeken, man bemant de kritiek’ (10/04/2015). Naar aanleiding van de zogenaamde VIDA Count, waarin jaarlijks de verhoudingen tussen mannen en vrouwen in de Angelsaksische literaire wereld in kaart worden gebracht, legde NRC de eigen recensies onder de loep. Hoeveel werden er afgelopen jaar eigenlijk door een man geschreven en hoeveel door een vrouw? En wat is de verdeling als we kijken naar wát er wordt besproken?

    Het resultaat was onthutsend. Maar liefst 77% van de 703 recensies die NRC in 2014 plaatste, bleek door een man geschreven. Ter vergelijking: in de Volkskrant was dat 63% (op een totaal van 483) en in Trouw 55% (op een totaal van 400). Daarmee komt NRC dichter in de buurt van The New York Review of Books (81% mannelijke recensenten) dan The New York Literary Supplement (48%), overigens het enige papieren medium in het Angelsaksische taalgebied dat een min of meer gelijke verdeling weet te handhaven, aldus VIDA.

    Ook wanneer wordt gekeken naar wat er wordt besproken, blijkt de situatie niet veel anders. Zowel in NRCde Volkskrant als Trouw werd het merendeel van de in 2014 besproken boeken geschreven door een mannelijke auteur (respectievelijk 74%, 70% en 65%). De conclusie dat mannen de literaire wereld beheersen ligt met deze cijfers voor de hand.

    Scheve verhouding niet standaard

    Het is echter niet in alle landen zo dat de literaire kritiek door mannen wordt bepaald. Enkele dagen nadat het artikel in NRC was verschenen, had ik een afspraak met Lina Samuelsson, een Zweedse literatuurwetenschapper die in 2013 promoveerde op Kritikens ordning, een proefschrift over de literaire kritiek in Zweden. Voor haar onderzoek verzamelde Samuelsson voor drie pijljaren (1906, 1956 en 2006) boekrecensies uit de belangrijkste Zweedse dagbladen en literaire tijdschriften. Per jaar bracht zij in kaart waar en hoeveel er gerecenseerd werd, wie er recenseerde en wat er gerecenseerd werd. Vervolgens analyseerde zij welke evaluatiecriteria op een bepaald moment werden gehandhaafd, welke thema’s dominant waren en welke ideeën heersten over de taak en de functie van de criticus.

    Een opvallende uitkomst van het kwantitatieve deel van het onderzoek was dat er in 2006 net zoveel mannen als vrouwen literaire kritieken schreven. Ook was het aandeel recensies over boeken van vrouwelijke auteurs flink toegenomen. Dit verraste Samuelsson vooral, vertelde zij mij, omdat de Zweedse literaire kritiek vijftig jaar eerder nog een echt mannenbolwerk was.*

    Waarom is die verhouding in slechts 50 jaar zo drastisch veranderd? Volgens Samuelsson vormde het moment waarop Zweedse krantenredacties in de vroege jaren 2000 zelf begonnen te tellen een belangrijke keerpunt. Daarna werd er doelbewust meer gelet op de man/vrouwverdeling van zowel recensenten als besproken boeken. Met verbazing hoorde zij over de zojuist gepubliceerde Nederlandse cijfers. De verhouding zoals zichtbaar in de huidige Nederlandse literaire kritiek was in Zweden simpelweg ondenkbaar geworden.

    Leren van Zweden?

    Lopen we in Nederland op dit gebied achter? Dat zou goed kunnen. Kijken we bijvoorbeeld naar de garde jonge schrijvers dan kan daar allerminst gesproken worden van mannendominantie. Vrouwelijke auteurs zijn goed vertegenwoordigd in boekhandeltop10’s en nominatielijsten. Als ik optimistisch ben zou ik zeggen dat het enkel een kwestie van tijd is tot ook de kritiek een wisseling van de wacht maakt en er – in navolging van de literaire ontwikkeling – een andere verhouding zichtbaar wordt. Niet voor niets, werden er afgelopen jaar naast kritische kanttekeningen over de scheve sekseverhoudingen ook opmerkingen gemaakt over de ‘middelbare’ leeftijd van de gemiddelde recensent.

    Anderzijds meen ik dat de Zweedse situatie heel goed laat zien dat tellen alleen niet voldoende is. Op basis van de cijfers is men het beleid gaan aanpassen en begonnen van bovenaf veranderingen door te voeren. Zo werden niet alleen meer vrouwen aangenomen maar kregen bijvoorbeeld mannelijke recensenten de opdracht typische ‘vrouwenboeken’ te bespreken en moesten vrouwelijke recensenten meer ‘masculiene’ boeken beoordelen, zo schrijft Samuelsson: ‘Att välja manliga recensenter till traditionellt kvinnliga verk kan ha varit ett medvetet agerande för att bryta könsstereotyper.’ (118) Een eenvoudige en doeltreffende maatregel om bestaande stereotypen te doorbreken?

    .

    .

    .

    * De rol van de vrouw in de jaren vijftig was wat dat betreft nog slechter dan in 1906, toen de Zweedse literaire kritiek weliswaar sterk gesegregeerd was (vrouwen bespraken kinderliteratuur en de boeken van schrijfsters) maar de man/vrouwverhouding niet uitzonderlijk scheef.

    .

    Deze column verscheen eerder op Neder-L

  • Presentatie op VAL-onderzoeksdag

    Op 6 mei vindt de jaarlijkse VAL-onderzoeksdag plaats aan de Universiteit van Antwerpen. Tijdens de onderzoeksdag, die wordt georganiseerd door de Vlaamse Vereniging voor Algemene en Vergelijkende Literatuurwetenschap (VAL), presenteren jonge onderzoekers uit Vlaanderen en Nederland hun lopend onderzoek. Ervaren literatuurwetenschappers worden uitgenodigd te reageren op de voordrachten. De dag wordt geopend door een plenaire sessie over ‘De maatschappelijke relevantie van de humane wetenschappen’ en afgesloten door een Rondetafel gesprek met Hans Willems (FWO), Geert Buelens (Universiteit Utrecht), Frank Willaert (Universiteit Antwerpen), Elizabeth Amann (UGent) en Frederik Van Dam (KULeuven).

    In de middagsessie ‘Kruispunten’ zal ik mijn promotieonderzoek presenteren. Ik grijp de mogelijkheid aan om het nog eens te hebben over Nico Donkersloot.

    Hieronder alvast het abstract:

     

    De “objectieve” kritiek van Nico Donkersloot (1902-1965)

    Sinds het ontstaan van de letterkundige neerlandistiek als academische discipline hebben wetenschappers geprobeerd de academische literatuurbeschouwing af te bakenen van publieke vormen van literatuurbeschouwing. Die demarcatie bleek in de praktijk echter bijzonder lastig en tot de dag van vandaag zijn er voorbeelden te vinden van academici die hun wetenschappelijke arbeid combineren met een functie als criticus, essayist, romanschrijver of dichter.

    Sommigen menen dat deze vermenging van activiteiten de betrouwbaarheid van de literatuurwetenschap geen goed doet, bijvoorbeeld Nico Laan in Het belang van smaak 1998 of Vaessens en Bijl in Literatuur in de wereld 2014. Anderen menen dat de twee activiteiten prima naast elkaar kunnen bestaan. Zo stelde prof. Yra van Dijk recentelijk in haar oratie Fanfare uit de toekomst (2014): ‘Als ik kritieken schrijf, heb ik een andere pet op dan wanneer ik onderzoek doe.’ (9) Op basis van welke criteria wordt er op een bepaald moment een onderscheid gemaakt tussen de wetenschappelijke bestudering en de niet-wetenschappelijke bestudering van literatuur door critici en essayisten?

    In mijn proefschrift bestudeer ik deze vraag aan de hand van de praktijk van enkele uitgesproken ‘dubbelfiguren’ uit de geschiedenis van de letterkundige neerlandistiek, figuren die een wetenschappelijke functie combineerden met een functie in het publieke domein. In mijn presentatie licht ik mijn doctoraatsonderzoek graag toe aan de hand van de praktijk van één van die figuren: Nico Donkersloot (1902-1965), dichter, criticus, oprichter van het literaire maandblad Critisch Bulletin (1930-1957) en, vanaf 1936, hoogleraar Nederlandse letterkunde in Amsterdam.

     

    Het volledige programma en alle abstracts zijn hier te vinden.

     

  • Literaire ‘Self-representation’ in een studie uit 1929

    Antonie Donker

    Ik ben al een tijdje bezig grip te krijgen op deze man: Nico Donkersloot (1902-1965). In de jaren dertig beter bekend als de dichter en criticus Anthonie Donker. In 1930 richtte Donker het literaire maandblad Critisch Bulletin op dat pleitte voor een ‘onpartijdige, samenvattende en bij voorkeur opbouwende critiek’. Donker had een jaar eerder in een interview te kennen geven dat hij de huidige kritiek maar onsmakelijk vond:

    ‘Het is nu een chaos. Ruzies, bijbedoelingen, partijdige critiek, vertroebeling door politieke factoren, dat alles maakt onze critiek onbetrouwbaar en onsmakelijk. En de goede, ernstige, artistieke krachten zijn verstrooid.’

    Een ‘saneering van de critiek’ was volgens Donker dan ook hard nodig.

    Donkers pleidooi voor een objectieve, informerende kritiek werd niet door iedereen met enthousiasme ontvangen. Jan Greshoff bijvoorbeeld reageerde fel op Donkers oproep tot ‘saneering’ en meende dat Donkers pleidooi voor een informerende kritiek niets minder betekende dan een knieval voor de lezer. Het zou alleen maar leiden tot nivellering, standaardisering en totale democratisering. ‘Leve de critische eenheidsworst!’, zo vatte Greshoff het standpunt van Donker kernachtige samen.

    Opvallend is nu dat Donkersloot in het jaar dat hij deze uitspraken doet en hij ‘objectiviteit’ en ‘onpartijdigheid’ in de kritiek centraal stelt, een proefschrift publiceerde (overigens onder zijn schrijverspseudoniem) waarin hij zich uitgesproken normatief, om niet te zeggen subjectief, uitlaat. De episode van de vernieuwing onzer poëzie 1880-1894 (1929) bevat nogal wat oordelen over zowel literaire werken als over de persoonlijkheid van de kunstenaar.

    Met betrekking tot dat laatste punt moet vooral Albert Verwey het ontgelden. In het dichterschap van Verwey wordt volgens Donkersloot namelijk een fataal onderscheid zichtbaar tussen ‘den mensch’ en ‘den artist’. De romantische zelfverheffing van de dichters rond De Nieuwe Gids (zoals Donkersloot de dichters van de Beweging van Tachtig bij voorkeur aanduidde) is bij Verwey verworden tot een gekunstelde pose. Verwey is geen oprechte dichter maar een ‘welbewust acteur’. Om dit proces van bewuste auteursprofilering te karakteriseren gebruikt Donkersloot een term die niet misstaat in een contemporaine letterkundige studie. Donkersloot noemt ‘het voortdurend zichzelf bezig zien, het poseren met zijn eigen dichterschap’ namelijk self-representation.

    Een groot verschil met de manier waarop deze term nu wordt gebruikt is de uitgesproken negatieve connotatie die Donkersloot aan de term verbindt. Een auteur die aan self-representation doet, is volgens Donkersloot een poseur, geen ware kunstenaar.

    Anno 2015, mag de literatuurwetenschapper onder geen voorwaarde een dergelijke waardering verbinden aan de concepten die hij gebruikt. Maar ook zonder die connotatie maakt het gebruik van de term in recent letterkundig onderzoek volgens mij duidelijk hoezeer we opnieuw geboeid zijn door vragen rond het verschil tussen wat Donkersloot den mensch en den artist noemde: vragen rond authenticiteit en oprechtheid van de kunstenaar en wat op een bepaald moment als een succesvolle of overtuigende ‘zelfrepresentatie’ wordt gezien.

    Toen ik de term self-representation aantrof in een letterkundige studie uit 1929 werd ik mij ineens zeer bewust van het feit dat je als modern letterkundige maar weinig leest in het werk van je Nederlandse voorgangers. Het is makkelijk om iets als ‘achterhaald’ en ‘ouderwets’ te bestempelen, en we hebben het liever over ‘nieuwe richtingen’ dan over ‘tradities’, maar hoeveel interessante, eerste stappen richting het onderzoek waarvan we nu menen dat het hot & happening is, vegen we daarmee eigenlijk niet van tafel?

    Net zoals er weinig over Donkersloot geschreven is, zijn er weinig afbeeldingen van hem te vinden. De foto hierboven is overgenomen uit een artikel uit 1992 van Henny Taks over Donkers gedicht ‘Ikarus’ (waarvan de eerste strofe door Marsman werd geschreven). In het kader van self-representation is het aardig op te merken dat de afbeelding van Venus (links aan de muur) een mooie verwijzing vormt naar Donkersloots geloof in kunst als drager van klassieke waarden, zie met name zijn publicatie ‘We noemen het literatuur’ (1965). De ongeordende berg papieren op zijn bureau doet denken aan de manier waarop hij zijn gedachten opschreef, namelijk allerminst netjes binnen de lijntjes. Zijn aantekeningen doen eerder denken aan een explosieve vorm van mindmapping.

    Deze blog verscheen eerder deze week op Neder-L

  • Opzichtige stilte

    Uw woorden zijn niet meer van ons.


    Uw woorden vertrouwen ons niet, en wij niet onszelf.

    In Opzichtige stilte (2014), de jongste bundel van de Vlaamse dichter Leonard Nolens, doet een verteller verslag van zijn opname in een psychiatrische instelling. Op indringende wijze wordt het traject beschreven van intake tot ontslag en de periode kort na de opname, wanneer de verteller weer thuiskomt en het vertouwde tegelijk herkenbaar en vreemd voor hem is. Het persoonlijke en semi-autobiografische relaas van de verteller is tegelijk een meer algemene zoektocht naar de eigen stem, een stem die zich niet alleen vreemd of ongehoord weet in de werkelijkheid buiten de instelling, het is ook een stem die zijn eigenheid verliest in de dwingende omgeving van de psychiatrische instelling. Via de collectieve stem van de groep ‘onaangepasten’ komt de verteller uiteindelijk weer dichter bij zichzelf.

    Op De Reactor, Vlaams-Nederlands webplatform voor literaire kritiek, verscheen vandaag een bespreking van mijn hand over Opzichtige stilte.

    opzichtige stilte

    ***

    De Reactor richt zich op Nederlandstalige fictie en non-fictie en publiceert met grote regelmaat besprekingen van zowel poëzie en romans als filosofische werken en vertalingen. Vlaamse en Nederlandse critici van verschillende generaties, met verschillende expertises en met verschillende opvattingen over literatuur en kritiek schrijven voor De Reactor. Het webplatform is een initiatief van enkele redacteuren van literaire tijdschriften die de literaire kritiek een nieuwe impuls wilden geven. Het webplatform richt zich op een breed publiek van geïnteresseerde lezers die volgens de initiatiefnemers vaak hun gading niet meer vinden in de kolommen van kranten en weekbladen.

  • Kritische ruimtes: een lege bioscoopzaal

    Onlangs verscheen bij Amsterdam University Press het boek The Permanent Crisis of Film Criticism. The Anxiety of Authority geschreven door Mattias Frey (Kent University). Op de omslag is een fraaie zwart-witfoto afgebeeld van twee deftige heren die op de eerste rij van een verder lege bioscoopzaal zitten. We mogen aannemen dat de vertoning waar de heren voor komen net afgelopen is; het licht in de zaal is aan, de linker heer is nogal obligaat aan het klappen terwijl de rechter in slaap is gesukkeld, de handen in elkaar gevouwen op de iets te zware buik.

    Unknown

    Het is een treffende omslag voor een boek dat als onderwerp heeft het crisisdiscours dat de filmkritiek, maar ook de kunstkritiek in het algemeen, omgeeft. Niet alleen is het contrast tussen de sjiek geklede heren en de kale bioscoopstoeltjes groot (alsof de mannen hardnekkig een etiquette volgen in een omgeving die daar allang niet meer om vraagt). Schrijnender nog is het feit dat er niemand in de zaal zit die een bevestiging zou kunnen geven van hun aanwezigheid. Wat doen die mannen daar? Het is duidelijk dat ze het niet erg naar hun zin hebben, dus waarom zitten zij daar in hun beste pak?

    Enerzijds zouden we de scène kunnen lezen als een onderstreping van de veel gehoorde opvatting dat kunstkritiek in tijden van Internet haar beste tijd heeft gehad. Ter illustratie van deze opvatting refereert Frey in de inleiding van The Permanent Crisis of Film Criticism aan een themanummer over ‘Film Criticism in the Age of Internet’ van het tijdschrift Cineaste. Hierin stelt de redactie vast dat amateur-critici het Internet overspoelen. De explosieve toename van veelal zelfbenoemde critici zou een inflatie van de kritische standaard tot gevolg hebben. Het is een onontkoombare situatie die de redactie niet al te vrolijk stemt:

    We are now –unavoidably– part of a hybrid landscape and can only hope that good criticism will prevail over bad, both in magazines and the Internet’.

    Met andere woorden: de mannen in pak zijn de laatste telgen van een uitstervend ras, ze proberen stijlvol ten onder te gaan maar zijn eigenlijk alleen maar belachelijk in hun vasthoudendheid aan oude normen en waarden. Ergens weten ze het wel… de linker heeft een onnavolgbare verveelde uitdrukking op zijn gezicht, de rechter kon zijn aandacht er simpelweg niet meer bijhouden.

    De afbeelding op de omslag van The Permanent Crisis of Film Criticism zou daarnaast ook gelezen kunnen worden als een illustratie van de vraag waar tegenwoordig de kritische ruimte gezocht moet worden. Gebeurt het nog wel in deze (lege) bioscoopzaal? Volgens deze lezing is er met de critici zelf niet zo veel mis, zij belichamen slechts het prototype van de criticus, die het wel gewend is doelwit van spot te zijn. Als de geschiedenis van de filmkritiek wordt overzien, zo stelt Frey, dan blijkt immers dat zij permanent in crisis is. Het imago van de criticus is nooit echt goed geweest. Dit maakt de vraag wanneer de criticus zijn autoriteit verloor en welke factoren ervoor zorgden dat hij zijn gezag kwijtraakte dan ook minder relevant in Freys optiek. Interessanter vindt hij de vraag waarom critici nog steeds geobsedeerd zijn door traditionele noties die aan culturele autoriteit gekoppeld worden, zoals goede smaak, intellectualisme, diepgang, kritisch onderscheidingsvermogen.

    Als ik Frey goed begrijp zijn het uitgerekend dit soort traditionele noties van culturele autoriteit die op nieuwe media platforms (de site Rotten Tomatoes wordt door hem als tekenend voorbeeld aangehaald) weer in ere worden hersteld, of preciezer, weer legitiem worden geacht. De kritische ruimte is veranderd, zij is verspreid geraakt, heeft een veel groter bereik en veel meer deelnemers, maar de wijze waarop er (kritisch) over kunst wordt gepraat, verandert misschien veel minder dan wij geneigd zijn te denken. Het is een aantrekkelijke hypothese en ik vraag mij af: zou zij ook opgaan voor de literaire kritiek in the Age of Internet?

    Eerst maar eens het hele boek van Frey lezen… De inleiding die via de site van Amsterdam University Press is te downloaden maakt alvast nieuwsgierig.

  • How to Write Literary History?

    mdrn

    In the little and smartly designed booklet Modern Times. Literary Change (2013) written by the members of the Leuven based research group MDRN it is stated that literary history is again at the heart of literary studies. As such it responds to a need felt both inside and outside academia for new historical accounts of literature. Yet, literary history remains a difficult genre: ‘While there is a consensus on its necessity, there is arguably no agreement on how to write it.’ (p.9)

    In the ‘ABC of Literary History’, the manifesto that opens the book, several reasons are addressed that make the writing of literary history such a difficult task. One of the reasons is the fact that our conceptions of literature – as well as the way we use literary texts and appreciate them – are always linked to the social-historical and cultural context in which we are working. This is why our views and ideas on literature change all the time and why literary historiography was, and still is, ‘more norm-governed and more normative then we usually like to admit.’ (p.11)

    Because there is nothing inherent to literature that determines what literature is (and what it is not), literature is not something that simply ‘exists’, according to the writers, but something that ‘becomes’. Therefore, Modern Times. Literary Change argues for a functionalistic approach. That is, an approach in which we no longer need to study literature’s properties (what is literature?), but its functionalities: how do people make use of literature? To what end? And what is the effect of the different uses of literature?

    The proposed direction bears resemblance to the view expressed for example by Robert Hodge in Literature as Discourse (1990). In this book Hodge states that if notions like literature or history ‘cannot be accepted as absolute truths, at least they can be usefully studied as social facts.’ (p.17) Bearing this conviction in mind the attention of the literary historian drifts from literature to literary strategies, opening up the scope of literary studies towards the analysis of the discourse and practices of non-specialized and non-highbrow readers, to the study of modern rhetoric or peripheral ‘literary’ genres such as the speech or interview, or to the way authors, through their writings, reflect on new technologies that change our perception of time and place, of sound and vision. At least, these are the examples presented in Modern Times. Literary Change, but as the writers of the ‘ABC of Literary History’ add in the last sentence of their manifesto: ‘There might be many’.

    It is likely that one can encounter some challenging proposals and demonstrations of concrete new models of writing literary history during the MDRN Writing Literary History Conference that will take place from the 14th till the 16th of September. I am already looking forward!

    See here for the Call for Papers. Deadline 4th of May.

  • Op de hielen

    untitledDeze week verscheen de bundel Op de hielen bij uitgeverij Vantilt. Het bevat negen opstellen waarin verschillende hedendaagse romans onder het fileermes worden gelegd. Het gaat om werken van Paul Claes, Geertrui Daem, Martin Michael Driessen, Stephan Enter, Marcel Möring, Erwin Mortier, Yves Petry, Paul Verhaeghen en Leon de Winter.

    Een sterk terugkerend thema in alle besprekingen blijkt de vraag naar het literaire engagement. Waarmee engageren schrijvers van nu zich? Hoe verzetten zij zich tegen gemakzuchtige vormen van engagement en vooral: hoe zetten zij daarbij literaire, religieuze en filosofische teksten en tradities in? Wat is de kracht van het literaire ambacht?

    Ik zette mijn tanden nog eens in VSV van Leon de Winter en onderzocht aan de hand van dit bizarre boek, dat nogal wat gemengde gevoelens losmaakte bij literaire critici, de (on)mogelijkheden van vermakelijk engagement. Via het perspectief van de autofictie (literatuur waarin de auteur zichzelf als personage opvoert) probeer ik de discussie over literair engagement versus literair vermaak in een ander licht te stellen.

    Overige bijdragen zijn van de hand van Nijmeegse (oud-)collega’s Jeroen Dera, Jos Joosten, Jos Muijres, Johan Oosterman, Esther Op de Beek, Floor van Renssen, Mathijs Sanders en Rob van de Schoor. De redactie was in handen van Jos Muijres en Esther Op de Beek.

    Op de hielen verschijnt ter gelegenheid van de 10e editie van de succesvolle postacademische cursus Recente Nederlandse en Vlaamse letterkunde, die jaarlijks door de opleiding Nederlands van de Radboud Universiteit Nijmegen wordt georganiseerd.

    ***

    Op Neder-L verscheen op 7 januari 2015 een bespreking van Op de hielen door Marc van Oostendorp. Hierin schrijft hij onder andere over het boek: ‘Het lijkt mij wat valorisatie moet zijn: nog niet eens zozeer bijdragen aan een publieke discussie over waardevolle onderwerpen, maar die discussie een paar stappen verder helpen.’ Lees de hele recensie hier.

    Op 15 mei 2015 verscheen op Platform Boekbeoordelingen nog een lovende recensie van Op de hielen. ‘[H]et mooi verzorgde boek is een weldaad van negen, veelal grondige besprekingen van (betrekkelijk) recente romans door professionele liefhebbers, elk met een eigen accent. Vrijwel ieder hoofdstuk is een geschenk van een actieve, nieuwsgierige, geverseerde, kritische, academisch geschoolde en werkzame lezer’, aldus recensent Fabian Stolk.

  • ‘Learned Forgetfulness’ and a little dog

    afbeelding-masterclass-Algazi-II

    In ‘Scholars in Households: Refiguring the Learned Habitus, 1480-1550’ (2003) Gadi Algazi, professor of history at the University of Tel Aviv, examines the way scholars developed a trait of ‘Learned Forgetfulness’, a form of intense concentration that makes it possible to ignore one’s immediate surroundings. This was much needed, Algazi argues, because early modern scholars exchanged the celibate lifestyle for a married life and in return had to solve the novel problem of combining study and running a family.

    This has lead to the creation of a separate study in which the scholar could retreat and devote all his attention to his scholarly work, having only his books and instruments to keep him company. It became very much the prototypical (self-)image of the scholar, that was copied by some artists as well. It survived in modern times, at least amongst literary scholars: the picture of Albert Verwey that I posted recently fits in perfectly. And what to think of contemporary (literary) scholars that like to depict themselves standing in front of a stuffed bookcase?

    When you look closer at the paintings of early modern scholars, like Algazi does in ‘At the Study: Notes on the Production of the Scholarly Self’ (2012), you might notice that the scholar is not always without company. For example, Algazi draws our attention to the presence of the little dog in the study of St. Augustine:

    Vittore_carpaccio,_visione_di_sant'agostino_01

    But also in the study of Christine de Pizan and St. Jerome we encounter the little dog (in this latter picture the dog is sleeping next to Jerome’s characteristic symbol, the Lion). Of course one can interpret the presence of the dog in many ways, but seen in the perspective of ‘Learned Forgetfulness’ it functions both as a positive confirmation and as a warning of the calmness and concentration that comes with proper scholarly work. The dog is watching attentively or sleeping peacefully but can awaken anytime, ready to ask immediate attention for its earthly needs. As such the little dog reminds the scholar of the world outside his study.

    ‘Learned Forgetfulness’ is a trait, but should not become a flight from reality.

    On the 27th of November the Huizinga Institute organizes a masterclass by Gadi Algazi. Historicizing the very idea of ‘being a scholar’, Algazi investigates shifts in the meaning of scholarly selfhood that occurred with changing circumstances of life and learning. In the masterclass we probably won’t be talking about little dogs. What we will discuss is the application of concepts of selfhood to the history of science, as well as the question: what can be achieved by shifting attention from practices or products to the person of the scholar?

    sleeping dog

    ***

    Paintings:

    A Scholar in His Study (detail) by Thomas Wyk, around 1616-1677

    St. Augustine in his Study by Vittore Carpaccio, 1502

    Sleeping Dog by Gerrit Dou, 1650