Wat is een stad? Deze vraag staat centraal in het nieuwste themanummer van het literatuurwetenschappelijke tijdschrift Vooys. Met bijdragen van o.a. Daan Wesselman, Bram Caers en Rona Loeffen. In onze bijdrage aan dit themanummer belichten Marjolein van Herten en ik het bloeiende onderzoeksveld van de literary urban studies en analyseren we vanuit die hoek twee toekomstromans die reflecteren over het einde van de stad: De eerste hond in de ruimte (2010), de debuutroman van Jeroen van Rooij over een grote Europese stad waarvan de laatste dagen zijn geteld en het met de Boekenbon literatuurprijs bekroondeGebied 19 (2023) van Esther Gerritsen waarin het grootste (én vitaalste) deel van de bevolking is getransporteerd naar planeet T01-700 D, een ruimere en schonere versie van de oorspronkelijke aarde die zo goed als opgebruikt is.
In onze analyse hanteren we het metaforische begrip palimpsest als leidraad om na te gaan hoe de stedelijke ruimte van de toekomst in beide romans wordt verbeeld, zowel op inhoudelijk niveau (the material city as palimpsest) als op het niveau van de representatie (the represented city as palimpsest) en het niveau van de geschiedenis (urban literary history as palimpsest): hoe verhoudt de verbeelding van de toekomstige stad zich tot de stadsbeelden die in het verhaalheden tot het verleden behoren? En wat staat er met het verbeelde naderende einde van de stad op het spel: het einde van de wereld – zoals een bekend cli-fi motief wil – of het einde van ‘een’ wereld, en welke wereld dan?
Marieke Winkler & Marjolein van Herten, ‘Gelaagde toekomst. De stad als palimpsest in De eerste hond in de ruimte (2010) en Gebied 19 (2023)’, in: Vooys 43.1, 2025.
‘Paradox van de poëzie: iets vangen wat er wel en niet is.
Het lot van de dichter: jagen.
Het gedicht: een buigzaam lichaam.’
Lees hier mijn bespreking van Zabriskie (2023) de jongste bundel van Peter Verhelst.
‘Na de winter lijken de exotische grasparkieten overleden, maar in de lente komen ze naakt weer tevoorschijn. Een man met jachtgeweer kruipt in het lichaam van een vogel. De slotregels besluiten verlangend: ‘In die gouden tong wil ik liggen / en wachten tot alles uit me stroomt’. In de gedichten van Deraedt wil je liggen om te wachten tot de zon opkomt.’
En hier mijn bespreking van Kleine wereld (2023) van Mattijs Dereadt.
Het was ongetwijfeld een van de heetste informatieavonden ooit die de opleiding afgelopen dinsdag organiseerde. ’s ochtends hielden we ons hart vast of de mensen wel zouden komen. Maar ze kwamen en ze waren enthousiast en gemotiveerd. Een mooi begin van het nieuwe academische jaar!
Studieadviseur Quinten Rutten vertelde over de modulaire aard en opbouw van de opleiding Cultuurwetenschappen, welke ingangseisen er gelden (géén voor de Bachelor, enkele voor de Master) en hoe je tot een persoonlijk studieprogramma komt. Student Arjen Leendertz deelde zijn ervaringen met studeren aan de Open Universiteit en hoe hij dat weet te combineren met een drukke, onregelmatige baan (als uitvoerend musicus) én met een jong gezin. Maar ook hoe het is om weer met je neus in de studieboeken te zitten nadat je dat lang niet meer hebt gedaan en hoe stimulerend de verdieping kan zijn (ook al is het zeker niet altijd gemakkelijk de motivatie steeds even hoog te houden, het afstandsonderwijs heeft immers geen wekelijkse colleges die je bij de les houden, de prijs voor studeren in ‘je eigen tempo’). Als toegift gaf hij nog een waardevolle tip: blok standaard twee avonden in je agenda, dan hoef je er niet meer over na te denken of je gaat studeren maar doe je het gewoon.
In het tweede deel van het programma mocht ik een inkijkje geven in de inhoud van de cursus Kracht van verhalen, een brede inleiding in de narratologie die studenten Cultuurwetenschappen verplicht volgen in hun propedeuse (jaja, aan de OU hebben we nog een propedeuse). Het leek mij daartoe aardig om aan de hand van een actueel voorbeeld te demonstreren wat een narratologische analyse kan opleveren, niet alleen met betrekking tot verhalen of fictie in strikte zin (romans, poëzie) maar juist ook vanuit de bredere, interdisciplinaire opvatting van cultuur die we binnen de opleiding voorstaan. In de cursus leer je namelijk niet alleen narratologische inzichten toe te passen op literaire teksten (wel de hoofdmoot), maar ook om met narratologische blik naar journalistieke, wetenschappelijke en populaire teksten te kijken. (Zo’n blik kun je overigens ook loslaten op beelden, maar daarvoor hebben we een aparte cursus: De kunst van het kijken).
*
Zoals zovelen afgelopen weken werd ik gegrepen door de gebeurtenissen tijdens de Olympische zomerspelen. De narratoloog in mij werd daarbij in het bijzonder geprikkeld door de verhalen die rond de spelen werden gesponnen in de media. Over het algemeen was dat een verhaal van succes (ondanks tegenslagen), van passie, doorzettingsvermogen en kracht en vooral van heel veel hoop en verbinding. Exemplarisch voor die toon is bijvoorbeeld het overzichtsartikel dat de Volkskrant bracht op maandag 12 augustus jl. getiteld ‘Met ziel en zaligheid’.
Woensdag 19 juni a.s. reiken we voor de derde keer de Sybren Poletprijs uit voor experimentele literatuur en wel aan een heel bijzondere laureaat: Lidy van Marissing (1942). Van Marissing wordt vaak genoemd in het rijtje ‘neo-avantgardisten’, auteurs van het zogenaamde ‘ander proza’ als Polet, Jacq Vogelaar, Daniël Robberechts en H.C. ten Berge. Haar zeer veelzijdig oeuvre van proza en poëzie, toneel en filmscenario’s verdient het echter om opnieuw gelezen en gewogen te worden. Dat kan vanaf de 19e ondermeer dankzij het verschijnen van de nieuwe dichtbundel De verwerping van het stilzitten (het balanseer). Het belooft een mooie middag te worden met bijdragen van o.a. Babs Gons, Hannah van Binsbergen en Aafke Romeijn. Ik zie er alvast erg naar uit het werk van Van Marissing de 19e op deze manier in het zonnetje te zetten!
Naar aanleiding van de bekendmaking schreef Thomas de Veen dit mooie profiel in NRC.
Voor LOCUS – open access e-journal voor Cultuurwetenschappen bereid ik samen met collega Marieke Borren (filosofie) een themadossier voor over het verbeelden van en denken over de relatie tussen menselijke en niet-menselijke dieren. De Call for Papers getiteld ‘Chimaera’s & andere dieren. De culturele verbeelding en conceptualisering van menselijke en niet-menselijke dieren’ is hier te raadplegen. We verwelkomen voorstellen voor bijdragen (3000 woorden) uit verschillende wetenschappelijke en filosofische disciplines, alsook bijdragen uit artistieke hoek.
Voorstellen voor artikelen (maximaal 200 woorden + voorlopige titel + een bio) kunnen worden ingestuurd via locus@ou.nl. Deadline voor voorstellen is 1 september 2024. Publicatie van het dossier is voorzien in voorjaar 2025.
Voor DW B besprak ik de bundel Nagenoeg (2023), het poëziedebuut van Filip Rogiers.
Het is bijna bevreemdend om in de huidige trend van meer narratieve, en spreektalige of prozaïsche poëzie, waarin het botsen van registers en genres wordt omarmd, zulke gecomprimeerde, geboetseerde verzen te lezen als die van Rogiers. ‘Soms lijken Rogiers gedichten op in taal gestolde depressies’, aldus de achterflap. Inderdaad, soms lijkt dat zo, in taal en tijd gestold. Niet iedereen zal daar gecharmeerd van zijn (noch van de gewichtige poëtische toon), maar meermaals is er net genoeg licht om ook de donkere delen van contrast te voorzien (…) juist in strijklicht wordt de donkere omgeving in al haar diepte zichtbaar.
Voor DW B besprak ik Wij zijn uitgeweken (2022) het poëziedebuut van Anne Louïse van den Dool.
“…in de poëzie van Van den Dool wordt duidelijk hoezeer de waarnemer allesbehalve onafhankelijk is, hoe het ‘systeem’ van gezin, geliefden, vrienden de eigen positie bepaalt en hoe het sprekend/denkend subject continu in bestaande sociale patronen wordt gegoten waarbinnen het vervolgens probeert de eigen positie te hervinden. Bovenal gaat het erom niet in een tunnel vast te komen zitten, uit de schacht en uit de koker te manoeuvreren. Niet in de laatste plaats via de taal, deze taal, de lyrische taal als de uitgestoken hand die je vast kan pakken en die je helpt een andere kant op te zwenken. Poëzie maakt het mogelijk daadwerkelijk uit te wijken.”
Voor DWB besprak ik Krop, het poëziedebuut van Anne Provoost.
In Krop slaagt Anne Provoost erin om de lezer terug te transporteren naar die verwarrende jaren van de coronapandemie. Weet je nog: de verveling, de angst, de discussies over ‘dor hout’, de poëziekettingbrieven? Via speelse taal wordt dat gekke vacuüm in de tijd vakkundig weer opgebroken. Voelt de pandemie ver weg? Niet als je deze bundel leest.
Met het openbreken (of beter: ontkroppen) dient zich bovendien nog heel wat meer aan, want Krop is veel meer dan een coronabundel, zoals het motto op het titelblad ons reeds attendeert: ‘Want er is tussen ons iets enorms aan de gang’…
Benieuwd naar dat ‘meer’? Lees de volledige kritiek op de website van DWB.
In ‘Imaginaries of the Future City: Envisioning Climate Change and Technological Cityscapes through Dutch Contemporary Speculative Fiction’ dat als hoofdstuk is opgenomen in dit boek, beschrijven Marjolein van Herten en ik de opkomst en ontwikkeling van de toekomstliteratuur (future novel) en speculatieve fictie in Nederland, en de recente opleving daarvan in boekhandel én academische literatuurstudie.
In het hoofdstuk bespreken we acht Nederlandse teksten die verschenen tussen 2014 en 2021: Weerwater (2015) van Renate Dorrestein; Kop uit het zand (2016) van Jan Terlouw; In alle steden (2017) van Aukelien Weverling; Klont (2017) van Maxim Februari; De goede zoon (2018) van Rob van Essen; Concept M. (2018) van Aafke Romeijn; Het boek van alle angsten (2020) van Emy Koopman; en KliFi. Woede in de Republiek Nederland (2021) van Adriaan van Dis.
De focus ligt daarbij enerzijds op de manier waarop de stedelijke en natuurlijke leefomgeving wordt verbeeld. In hoeverre wagen Nederlandse auteurs zich aan de verbeelding van fantastische nieuwe werelden of blijven zij toch liever ‘dicht bij huis’ (en waarom dan)?
Anderzijds zijn we benieuwd hoe de nieuwe interesse in extrapolatie (het verlengen, intensiveren of uitbreiden van elementen uit het heden naar een toekomst of alternatief heden) wordt verbonden aan het recente debat over Nederlandse klimaatfictie. Daarin gaan we, thematisch en formeel, op zoek naar elementen van ‘utopian hope’. Welke elementen van ‘utopian hope’ vallen te herkennen naast de duidelijke dystopische impuls in Nederlandse speculatieve (kilmaat)fictie?
Benieuwd naar onze bevindingen? Lees dan het hoofdstuk:
In this chapter, we address the flourishing and fast-growing production of future novels within contemporary Dutch literature since 2014. We analyse the ways in which Dutch authors use the technique of extrapolation to envision the urban/natural environment of the future, focused on a corpus of eight future novels from the period 2015–2021. First, we argue that, by indicating and comparing both spatial and temporal ‘reality markers’, speculation in contemporary Dutch literature tends to stay ‘close to home’. Second, we demonstrate that, overall, the themes of climate change and technologization are represented as highly intertwined in diverse constellations. In addition, we try to determine in what way the stories under investigation give both formally and thematically expression to a utopian impulse: Overall, do they show utopian elements or is the urban experience predominantly dystopian?
Over de poëtische leeshouding en diepdiepblauw van Nikki Dekker
‘We live in a prosaic age’, schrijven Paul Hetherington and Cassandra Atherton in Prose poetry. An introduction (2020). Niet alleen is het meeste van wat we lezen – online of van papier – proza, ook de wijze waarop tekstcompetenties worden getraind en onderwezen, vertrekt vaak vanuit de prozavorm en bijbehorende conventies. Dit geldt intussen ook voor het literatuuronderwijs, stellen zij:
People are schooled in, and increasingly tend to understand literature in terms of, the conventions of prose. This means that the traditional lyric poem’s formalities may seem forced, puzzling, or out of place to many readers—and to some writers too.
Deze tendens komt tot uitdrukking in een grote nadruk op narrativiteit, op het vertellen van een geschiedenis en het lezen op plot of thema, maar ook in de voorkeur voor spreektaligheid boven poëtisch taalgebruik. Het strak gecomponeerde, minimalistische gedicht voelt uit de tijd; een weinig passende uitdrukkingsvorm wanneer overvloed en soepele branding de boventoon voeren.
Dit neemt niet weg dat de poëtische impuls nog wel degelijk aanwezig is, aldus Hetherington en Atherton. ‘[T]he urge to articulate what is otherwise unsayable’ blijft. We hebben nog steeds behoefte het onzegbare in woorden te vatten en om ons lyrisch te uiten.
Tussen de twee uitersten van proza en poëzie positioneren Hetherinton en Atherton het prozagedicht. Prose poetry zien zij als een literaire vorm waarin de poëtische impuls een nieuwe uitdrukking vindt, één die past bij de prozaïsche tijd waarin we leven. In prozapoëzie wordt de connectie met de werkelijkheid opnieuw gelegd, stellen zij, juist omdat het meer aansluiting zoekt bij het narratieve zonder dat daarbij het meerstemmige of niet-functionele wordt losgelaten. Het poëtische krijgt nog op een andere manier betekenis: in een wereld waarin functioneel taalgebruik domineert, vraagt poëzie om een dralende houding en nodigt uit om voor even niet doelgericht bezig te zijn. Zo bezien kunnen we met de auteurs stellen dat ‘the poetic penetrates further than perhaps any of us had previously imagined’.
*
Aan die laatste suggestie moet ik denken bij het lezen van diepdiepblauw, de debuutroman van Nikki Dekker, een origineel coming of age-verhaal waarin een naamloze ik-verteller haar zoektocht naar (seksuele) identiteit en haar persoonlijke ervaringen op dit gebied koppelt aan gefragmenteerde beschrijvingen van allerhande zeebewoners. We lezen over de octopus en platvis, over zeeslak, haai en potvis, maar ook over de zeermeermin, tiktaalik en lelijke blobvis. Het naast elkaar plaatsen van menselijke en niet-menselijke beslommeringen levert een enorme rijkdom aan parallellen op. Het dwingt je als lezer de menselijke geschiedenis in de veel langere, niet-menselijke geschiedenis te plaatsen. Door tussen de fragmenten steeds een ‘&’-teken te plaatsen, wordt de lezer bovendien continu aangespoord de paralellen in gedrag en geschiedenis actief te zoeken.
Een ander opvallend element in deze roman zijn de verschillende meta-reflectieve scenes waarin de hoofdpersoon reflecteert over het schrijven zelf. In een van die scènes komt de hierboven genoemde spanning tussen proza en poëzie expliciet naar voren en wordt tevens gezocht naar een antwoord. Het antwoord dat diepdiepblauw biedt is volgens mij net anders dan de auteurs van Prose poetry voorstellen.
Tijdens een avond in de kroeg, na afloop van een poëzieprogramma, vraagt iemand aan de ik-verteller hoe het met haar gedichten gaat. Voor de lezer is dit nieuwe informatie over de hoofdpersoon. Blijkbaar is ze een dichter. Haar antwoord verheldert waarom we dit nog niet wisten:
‘Dat doe ik niet meer’, zeg ik. ‘Ik weet niet waarom. Het trekt me niet.’ (p.99)
Prompt mengt ene Ruben, die achter haar rug aan het meeluisteren was en die ze vaag herkent, zich in het gesprek. Hij weet precies wat het probleem is en waarom ze geen gedichten meer schrijft:
‘Jouw poëzie is altijd aan iemand anders gericht,’ legt Ruben uit. ‘Alsof je nog een appeltje met iemand te schillen hebt. Je richt je tot een specifieke jij, een niet-universele lezer. Ėchte poëzie praat niet tegen andere mensen, maar verwijst alleen naar zichzelf’. (p.99)
Ze staat met haar mond vol tanden. Pas later komt ze tot een respons en constateert ze dat zij en Ruben er een andere poëtica op nahouden. Waar Ruben poëzie verbindt aan zelfreferentialiteit en een vooronderstelde universele lezer, daar kan de ik-verteller literatuur niet anders zien dan situationeel en subjectgebonden.
Ik ben niet geïnteresseerd in systemen die in zichzelf gekeerd zijn, alleen in middelen om beter te begrijpen wat er hier gebeurt. (p.100)
De twee spreeksituaties – de ene gericht op een ‘specifieke jij’, de ander op een universele lezer – gaan blijkbaar niet goed samen. ‘Een tekst die tegen zichzelf praat – die heeft geen mens meer nodig.’ Zulke teksten wil zij niet schrijven.
De compleet vanzelfsprekende manier waarop Ruben, zonder een zweem van ironie, de genoemde zelfreferentialiteit verbindt aan échte poëzie draagt mede bij aan het feit dat de ik-verteller niet weet hoe te reageren en stilvalt. Echte poëzie is blijkbaar autonoom en tijdloos, alles wat ‘specifiek gericht’ is wordt daarmee verbannen naar het domein van de niet echte (onechte? onwaarachtige? nep-?) poëzie. Aangezien het specifiek richten voor haar juist de drijfveer vormt voor literatuur ontneemt hij haar, als schrijver, in wezen het spreekrecht.
*
In Rubens woorden klinkt het bekende beeld door van poëzie als een spreken ‘met de rug naar lezer’. Dit beeld is onder meer bekend geworden via Northrop Frye’s Anatomy of Criticism (1957). In de Nederlandse letterkunde wordt het naar voren gehaald in Op poëtische wijze (1996) van Ernst van Alphen, Lizet Duyvendak, Maaike Meijer en Ben Peperkamp. Met een verwijzing naar Frye stellen de auteurs in deze ‘handleiding voor het lezen van poëzie’ dat de lezer van poëzie tot een ‘toehoorder’ wordt gemaakt, iemand die zich in een situatie bevindt ‘waarin hij of zij iets leest, dat niet tot hem of haar gericht is.’ De poëzielezer is – letterlijk net als Ruben – iemand die afluistert:
(…) poëzie wordt niet aangehoord, maar afgeluisterd. (p.22)
Wat diepdiepblauw duidelijk maakt in vorm én inhoud is dat dit onderscheid tussen proza en poëzie, als een onderscheid tussen gericht versus ongericht spreken, niet goed standhoudt.
Voor de verteller in diepdiepblauw hebben de traditional lyric poem’s formalities weinig zeggingskracht, het gedichten schrijven heeft inderdaad haar belangstelling niet meer. Dit betekent echter allerminst dat de ‘poëtische impuls’ afwezig is. Integendeel, de titel van de roman geeft het eigenlijk al aan: het poëtische taalspel is een belangrijke stuwende kracht juist ook als middel om beter te begrijpen wat ‘hier’ gebeurt. Hoe feitelijk de beschrijvingen van de zeebewoners soms ook is, uiteindelijk zijn het constructies van de schrijver die beter wil begrijpen waarom steeds weer hetzelfde verhaal wordt verteld ‘van mannetjes die om vrouwtjes heen draaien’ (p.257). Hiertegenover presenteert zij een ander, meer divers en veel beweeglijker verhaal.
Geen enkele vis bestaat voor zichzelf, niet hier, niet op deze pagina’s, ik ben een monster dat ze allemaal opeet, een voor een, in oneindig veel kleine hapjes tot ik zo misselijk ben dat ik ze uit mijn mondhoek weer naar buiten laat druipen, het zijn allemaal verhalen, verhalen waarin een verhaal wordt verteld, hij zei, zij zei, maar ik zeg en ik bepaal en ik laat mij door niemand meer vertellen wat liefde zogenaamd allemaal wel kan doen. (p.229)
Leven we daadwerkelijk in prozaïsche tijden? Misschien, maar dan nog lijkt het mij te absoluut gesteld. Veeleer nemen het poëtische en lyrische andere vormen aan, in het geval van diepdiepblauw een meer narratieve vorm die beter past bij een poëtica van ‘gericht spreken’. Ik zou daarom eerder zeggen dat proza en poëzie dichter naar elkaar toegroeien, in de vorm van prozagedichten, maar zeker ook in de vorm van poëtisch proza.